Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6149

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
13/249969-19, 13/158538-20, 13/702086-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling diefstal met braak in vereniging en poging diefstal met braak in vereniging, toepassing adolescentenstrafrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/249969-19 (zaak A), 13/158538-20 (zaak B) en 13/702086-17 (zaak C)

Datum uitspraak: 30 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ter zitting opgegeven verblijfsadres: [adres 1]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Op 16 september 2020 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte was daarbij aanwezig, evenals zijn raadsvrouw, mr. J.T. Brassé.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als de zaken A, B en C aangeduid.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A

feit 1

het (mede)plegen van diefstal met braak van een geldlade van [naam ijssalon] op 17 oktober 2019 in Amsterdam;

feit 2

het (mede)plegen van heling van een scooter op 17 oktober 2019 in Amsterdam;

Zaak B

het (mede)plegen van heling van een scooter op 16 juni 2020 in Amsterdam;

Zaak C primair

het (mede)plegen van een poging woninginbraak uit de woning van [persoon 1] op 30 juni 2017 in Diemen;

subsidiair

het (mede)plegen van vernieling van een kozijn van [persoon 1] op 30 juni 2017 in Diemen.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten in zaak A feit 1, zaak B en zaak C primair kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde medeplegen in die zaken kan worden bewezen.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het aan hem ten laste gelegde in zaak A onder feit 2, nu niet kan worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het om een gestolen scooter ging. In zaak B heeft verdachte een ongeloofwaardige verklaring afgelegd en kan worden bewezen dat hij had moeten weten dat de scooter in die zaak van misdrijf afkomstig was.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt verdachte vrij te spreken van de aan hem ten laste gelegde feiten in zaak A feit 2, zaak B en zaak C primair.

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring van zaak A feit 1, nu verdachte dit feit heeft bekend.

Ten aanzien van zaak A feit 2 en zaak B heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in beide zaken niet kan worden bewezen dat verdachte had moeten weten dat het om een gestolen scooter ging.

Ten aanzien van zaak C primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van een begin van uitvoering en dat verdachte geen rol vervulde bij de poging tot inbraak en dus niet verwijtbaar heeft gehandeld.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak zaak A feit 2 en zaak B

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten in zaak A feit 2 en zaak B. De rechtbank is van oordeel dat in beide zaken niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat de scooter van misdrijf afkomstig was.

In zaak A feit 2 blijkt uit de aangifte dat de sleutels nog in de scooter zaten. Daarnaast waren er geen sporen zichtbaar waaruit verdachte diende af te leiden dat de scooter was gestolen.

Ook de scooter in zaak B vertoonde geen sporen waaruit verdachte had kunnen opmaken dat het ging om een gestolen scooter. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij dacht dat de scooter van zijn vriend [persoon 2] was en dat hij hem niet wilde verlinken aan de politie, toen de politie hem naar de scooter vroeg.

Hoewel de rechtbank deze pas ter zitting afgelegde verklaring van verdachte ongeloofwaardig acht, is het enkele feit dat verdachte is gezien en aangetroffen op de gestolen scooter onvoldoende om tot een bewezenverklaring van heling te kunnen leiden. Het wettig bewijsminimum wordt niet gehaald.

3.3.2

Bewezenverklaring zaak A feit 1

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte op de zitting, de aangifte van [persoon 3] namens [naam ijssalon] en de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 17 oktober 2019 samen met een ander heeft ingebroken bij ijssalon [naam ijssalon] in Amsterdam.

3.3.3

Bewezenverklaring zaak C primair

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit in zaak C primair kan worden bewezen. Het medeplegen volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] voorafgaand aan en na de poging tot woninginbraak.

Op 30 juni 2017 heeft de heer [getuige] de politie gebeld omdat er sprake was van een verdachte situatie: twee mannen hielden zich op in de omgeving van de [adres 2] te Diemen. Beide mannen toonden interesse voor de woningen van de percelen 1 tot en met 5. De heer [getuige] heeft een getuigenverklaring afgelegd waarin hij heeft verklaard dat hij goed zicht had op de situatie.. Hij zag een persoon om de hoek van het elektriciteitshuisje gluren aan de overkant van de straat. Deze persoon had een capuchon op en keek in de richting van een hoekwoning, [adres 2] in Diemen. Deze persoon verdween achter het huisje en een andere persoon keek hierna om de hoek. Vervolgens kwamen beide personen achter het elektriciteitshuisje vandaan en liepen zij in de richting van de voornoemde hoekwoning. De heer [getuige] belde de politie en gaf een signalement door van de beide mannen. De mannen zouden donker zijn gekleed. Op dat moment zag hij dat één van de mannen aan het wrikken was bij het raam van de woning. De andere man stond op de uitkijk. Vervolgens kwam de politie ter plaatse en renden de beide mannen weg. De politie zag twee personen die voldeden aan het signalement dat de heer [getuige] had doorgegeven. Eén van hen had een breekijzer in zijn hand. De personen begonnen te rennen. Na een korte achtervolging heeft de politie de mannen aangehouden. Toen de hondengeleider de vluchtroute van de mannen naliep, trof hij een breekijzer aan in de bosschages naast het elektriciteitshuisje waar de mannen zich eerder op de avond hadden opgehouden. Ook troffen de verbalisanten een haspel en handschoenen aan op het randje voor het raam van [adres 2]. Daarnaast bleken verdachten meerdere kledingstukken bij zich te hebben.

De camerabeelden, die zich in het dossier bevinden, bevestigen hetgeen de heer [getuige] heeft verklaard. Daarop is te zien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] rondom de woning van aangever lopen. Zij dragen beiden een capuchon en kijken schichtig om zich heen. Ook is op de camerabeelden te zien dat medeverdachte [medeverdachte] een breekijzer in zijn handen vasthield. Verdachte heeft daarover op de zitting verklaard dat het inderdaad zou kunnen dat [medeverdachte] een breekijzer of een schroevendraaier bij zich had. Aangever [persoon 1] heeft verklaard dat er braakschade aan het raamkozijn aan de voorzijde van zijn woning was toegebracht.

De balk aan de onderzijde van het raamkozijn was gebroken. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de schade aan het kozijn is veroorzaakt door [medeverdachte]. Verdachte heeft verder over de verdenking verklaard dat hij ‘erbij stond en ernaar keek’. Medeverdachte [medeverdachte] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen.

Begin van uitvoering

Beide verdachten hebben geen verklaring gegeven over wat zij op 30 juni 2017 bij de woning van [persoon 1] deden. De heer [getuige] heeft gezien dat één van de verdachten aan het wrikken was bij het raam. Onder verdachte en zijn medeverdachte zijn later (inbrekers)gereedschap, handschoenen en kleding aangetroffen.

Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te spreken van een begin van uitvoering.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat verdachten bij de poging tot inbraak in een woning nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt. Zij toonden gezien hun gedragingen interesse voor de woningen van de percelen 1 tot en met 5 en kozen uiteindelijk voor de hoekwoning op perceel 1. Verdachte en zijn medeverdachte waren samen, keken beiden schichtig om zich heen en bevonden zich nabij de woning. Beiden hadden zij meerdere kledingstukken bij zich. De politie heeft geverbaliseerd dat het hen bekend is dat inbrekers regelmatig meerdere kledingstukken bij zich hebben, zodat ze zich kunnen verkleden na de inbraak. Daarnaast zijn bij hen een breekijzer en een haspel aangetroffen. Het voorgaande duidt op een voorbereiding van de inbraak en daarmee op een gezamenlijk plan. Door wie de braakschade uiteindelijk is veroorzaakt, is niet van belang. Verdachten zijn daarvoor beiden verantwoordelijk.

De rechtbank is op basis van de voornoemde omstandigheden van oordeel dat beide verdachten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de poging tot woninginbraak. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Zaak A onder feit 1:

op 17 oktober 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een geldlade met daarin een vooralsnog onbekend gebleven hoeveelheid geld en kortingsbonnen voor ijs en een pinpas op naam van [persoon 5] [naam ijssalon] en een geldbedrag van 352,27 euro, toebehorende aan ijssalon [naam ijssalon] aan [adres 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en inklimming;

Zaak C primair:

op 30 juni 2017 te Diemen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorend aan [persoon 1], zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, opzettelijk met zijn mededader, met een koevoet het kozijn van die woning heeft vernield.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte de bewezen geachte feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd ten aanzien van het ten laste gelegde in zaak A feit 1, zaak B en C primair, aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, te weten: 48 dagen.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Daarnaast heeft zij verzocht om een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Mocht de rechtbank aanleiding zien voor een aanvullende straf, dan verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om te kijken naar de mogelijkheden van een taakstraf. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen in zaak C, dan verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Adolescentenstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van de poging tot woninginbraak 19 jaar en ten tijde van het plegen van de bedrijfsinbraak 21 jaar. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het adolescentenstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.

De reclassering heeft in haar rapport van 3 februari 2020 geadviseerd het adolescentenstrafrecht toe te passen. Dit onder meer gelet op de beperkte handelingsvaardigheden van verdachte: de aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking, impulsiviteit en beïnvloedbaarheid, en de vermoedelijke invloed hiervan ten tijde van het plegen van de delicten. De rapporteur heeft verdachte voorafgaand aan het opstellen van dat rapport gesproken. Dat was niet het geval toen de reclassering in augustus van dit jaar een nieuw rapport opstelde en daarin toepassing van het volwassenenstrafrecht adviseerde.

Hoewel de reclassering in haar meest recente rapport het volwassenenstrafrecht adviseert, acht de rechtbank toepassing van het adolescentenstrafrecht geboden. De reclassering spreekt namelijk onverkort van beperkte handelingsvaardigheden bij verdachte die toepassing van het adolescentenstrafrecht rechtvaardigen. Het feit dat in de periode tussen het uitbrengen van beide rapporten bij verdachte verschillende interventies zijn mislukt, vindt de rechtbank in dit geval op zichzelf onvoldoende reden om het volwassenenstrafrecht toe te passen.

De rechtbank betrekt hierbij dat het regime van een justitiële jeugdinrichting haar passend voor verdachte voorkomt.

Motivering van de straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning en een bedrijfsinbraak. Dit zijn ergerlijke feiten die tot overlast en financiële schade leiden en die voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving zorgen. Verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Tijdens de zitting is gebleken dat het inmiddels beter gaat met verdachte. Hij woont momenteel bij zijn vader en dat gaat goed. Daarnaast heeft hij fulltime werk gevonden bij een wokrestaurant. Verder wil hij in februari 2021 beginnen met de opleiding Zorg en Welzijn.

Gelet op deze positieve ontwikkelingen, het feit dat verdachte 48 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de overschrijding van de redelijke termijn in zaak A en het feit dat de rechtbank het adolescentenstrafrecht toepast, acht de rechtbank het niet wenselijk dat verdachte opnieuw de gevangenis in gaat. De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte een stok achter de deur nodig heeft, zodat hij niet opnieuw de fout in zal gaan. Daarom legt de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op aan verdachte. De rechtbank zal hier geen bijzondere voorwaarden opleggen, nu de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht het gedrag van verdachte te veranderen.

De rechtbank acht een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 42 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, een passende straf.

7 Beslag

7.1

Het beslag

Onder verdachte zijn in beslag genomen:

  • -

    een sleutel van een bromfiets;

  • -

    een breekijzer;

  • -

    drie handschoenen;

  • -

    een haspel;

  • -

    een snorfiets en

  • -

    een paar schoenen van het merk Prada.

7.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen sleutel, de snorfiets en de haspel worden bewaard voor de rechthebbende.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat het breekijzer en de handschoenen worden onttrokken aan het verkeer.

Ten aanzien van de schoenen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze terug kunnen naar verdachte.

7.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft alleen een standpunt ingenomen over de in beslag genomen schoenen en heeft om teruggave daarvan aan verdachte verzocht.

7.4

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

Het breekijzer en de handschoenen dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte feit zoals ten laste gelegd in zaak A primair is begaan.

Bewaring voor de rechthebbende

De sleutel, de snorfiets en de haspel dienen te worden bewaard voor de rechthebbende.

Teruggave aan verdachte

De schoenen dienen aan verdachte te worden teruggegeven.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 57, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf het verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming

Zaak C primair: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Verklaart het bewezen strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, 42 (tweeënveertig) dagen van de jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Verklaart verbeurd:

  • -

    Het breekijzer (kleur: zwart) (5410810)

  • -

    De drie handschoenen (kleur: geel/zwart) (5410813)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van:

  • -

    De sleutel van de bromfiets (5410804)

  • -

    De snorfiets (Malaguti Centro) (4376638)

  • -

    De haspel (kleur blauw) (5410814)

Gelast de teruggave aan veroordeelde, [verdachte], van:

- De schoenen van het merk Prada (5822614)

Heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. I. Mannen en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Struijkenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2020.

[...]

1 [...]

[...]