Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6126

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verweerder heeft niet expliciet gewaarschuwd voor niet ontvankelijkheid bij overschrijding van de herstelverzuimtermijn. Daar komt bij dat de door verweerder gestelde fatale hv-termijn eindigde vóór het eind van de bezwaartermijn. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/13

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers] te Amsterdam, eisers

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: S.S. Kisoentewari).

Procesverloop

Met het besluit van 14 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een bijstandsuitkering afgewezen.

Met het besluit van 20 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Verweerder heeft met het primaire besluit van 14 oktober 2019 de aanvraag van eisers om een bijstandsuitkering afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het pro-forma bezwaarschrift van eisers is op 29 oktober 2019 door verweerder ontvangen. Met de brief van 30 oktober 2019 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift aan eisers bevestigd. Met de brief van 5 november 2019 heeft verweerder eisers in de gelegenheid gesteld de gronden van bezwaar vóór 19 november 2019 aan te vullen.

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen gronden van bezwaar waren ontvangen. Op 21 november 2019 heeft verweerder een op 18 november 2019 gedateerde brief met de gronden van bezwaar van eisers ontvangen. Met een brief van 9 december 2019 heeft verweerder aan eisers laten weten al een beslissing op bezwaar te hebben genomen, omdat de bezwaargronden niet voor het einde van de herstelverzuimtermijn waren ontvangen.

3. Eisers vinden dat hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers hebben met de brief van 18 november 2019 hun gronden van bezwaar ingediend. Als die niet tijdig door verweerder zijn ontvangen, had dat geen fatale gevolgen mogen hebben. In de herstelverzuimbrief heeft verweerder niet aangekondigd dat het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard als de gronden niet tijdig zouden worden ingediend. Daarbij was de termijn om bezwaargronden aan te vullen volgens eisers niet redelijk, omdat die eindigde voordat de bezwaartermijn eindigde. Eisers hebben verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 september 2017.1

Wat vindt de rechtbank?

4. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevat. Op grond van artikel 6:6, eerste lid, van de Awb kan een bezwaar niet‑ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, mits de indiener gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. De rechtbank benadrukt dat een niet-ontvankelijkverklaring hier niet dwingend wordt voorgeschreven.

5. Op grond van artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de bezwaartermijn van zes weken aan op de dag na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven manier bekend is gemaakt. Omdat het primaire besluit op 14 oktober 2019 aan eisers bekend is gemaakt, eindigde de bezwaartermijn in dit geval dus op 25 november 2019.

6. Een zorgvuldige behandeling van een bezwaarschrift brengt met zich mee dat een bestuursorgaan in een herstelverzuimbrief met een als fataal bedoelde termijn, de indiener van het bezwaarschrift er op moet wijzen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Daaraan doet niet af dat artikel 6:6 van de Awb het doen van die mededeling niet uitdrukkelijk vereist. Indien het bestuursorgaan heeft verzuimd die mededeling te doen, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of de niet‑ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand kan blijven.2

7. Verweerder heeft in de herstelverzuimbrief van 5 november 2019 geschreven: ‘Reageert u niet op tijd, dan behandelen wij uw bezwaarschrift niet inhoudelijk.’ De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee niet expliciet heeft gewaarschuwd voor niet‑ontvankelijkheid van het bezwaar bij overschrijding van de herstelverzuimtermijn. Daar komt bij dat de door verweerder gestelde fatale termijn eindigde vóór het einde van de bezwaartermijn en dat de bezwaargronden van eisers nog binnen de bezwaartermijn zijn ontvangen. Bij het stellen van een herstelverzuimtermijn kan niet worden afgedaan aan de bij wet ingestelde bezwaartermijn.3 De rechtbank oordeelt daarom dat, gelet op de omstandigheden van dit geval, de niet‑ontvankelijkverklaring van het bezwaar niet in stand kan blijven.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat verweerder nog niet inhoudelijk op de bezwaren van eisers heeft beslist, moet verweerder een nieuw besluit op hun bezwaren nemen.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RBLIM:2017:9152.

2 Zie arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1048.

3 Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5949 en van 20 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9552.