Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6124

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5638
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder kon in redelijkheid een omgevingsvergunning voor een trappenhuis en extra bouwlaag verlenen met toepassing kruimelgevallenregeling. Geen strijd met eigen beleid. Motiveringsgebrek, toepassing 6:22 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/5638

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers] , te Aalsmeer, eisers

(gemachtigde: mr. J.I.J. Langenberg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Lindeman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: besloten vennootschap Exploitatiemaatschappij Bosman, te Aalsmeer, vergunninghouder

(gemachtigde: mr. M de Buck).

Procesverloop

Met het besluit van 30 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend.

Met het besluit van 11 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghouder heeft ook op het beroep van eisers gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Eisers en hun gemachtigde waren niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] , directeur-grootaandeelhouder.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Vergunninghouder is eigenaar van het gebouw met adressen [straatnaam] te Aalsmeer (het gebouw). Het gebouw bestond uit twee bouwlagen. Op beide bouwlagen was een winkel gevestigd. Op het gebouw is het bestemmingsplan Aalsmeer Dorp 2016 (het bestemmingsplan) van toepassing. Het gebouw bevindt zich op gronden die volgens het bestemmingsplan de bestemmingen ‘Gemengd’ en ‘Waarde – Archeologie’ hebben. Eisers wonen op [adres] te Aalsmeer. De achterkant van hun woning kijkt op de voorkant van het gebouw.

2. Op 12 december 2018 heeft vergunninghouder een vergunningaanvraag gedaan om in het gebouw de winkelruimte te verkleinen, de tweede bouwlaag tot woningen te verbouwen en een derde bouwlaag op het gebouw te realiseren, waarin ook woningen zullen komen. In het bouwplan wordt tevens een trappenhuis aan de achterzijde van het gebouw gerealiseerd. Met het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend.

3. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De bezwaarschriftencommissie van de Gemeente Aalsmeer (de bezwaarschriftencommissie) heeft verweerder geadviseerd het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten. Verweerder heeft dit met het bestreden besluit gedaan.

4. Eisers voeren in beroep tegen het bestreden besluit aan dat de extra bouwlaag en het trappenhuis als één geheel moeten worden gezien en daarom niet met toepassing van de kruimelgevallenregeling1 kunnen worden vergund. Eisers voeren ook aan dat het bouwplan in strijd is met de Welstandsnota Aalsmeer 2013 (de welstandsnota) en beeldkwaliteitsplan Aalsmeer Dorp (het beeldkwaliteitsplan). Eisers vinden verder dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening met hun privacy is gehouden. Ten slotte voeren eisers aan dat het bestreden besluit in strijd is met de Beleidsregels planologische afwijkingen gemeente Aalsmeer 2015 (het kruimelbeleid).

Oordeel van de rechtbank

5. Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.

6. Partijen zijn het erover eens dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder een omgevingsvergunning kon verlenen om 1) een bouwwerk te bouwen en 2) van het bestemmingsplan af te wijken.

Redelijke eisen van welstand

7. De rechtbank overweegt dat verweerder doorslaggevende betekenis mag geven aan een welstandsadvies, tenzij dit advies zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen.2 De welstandscommissie heeft in haar advies van 3 juli 2019 aangegeven waarom het bouwplan voldoet aan de geldende welstandscriteria. Het beoogde project vervangt een bedrijfspand dat gekenmerkt wordt door een sterke horizontale geleding dat zich afzet tegen de traditionele verticale geleding van de winkelpanden in de Zijdstraat. Het plan komt tegemoet aan de criteria uit de welstandsnota met betrekking tot massa, architectonische uitwerking, materiaal- en kleurgebruik. Met name relevant is dat het beoogde bouwplan invulling geeft aan het uitgangspunt dat gebouwen afwisselend, kleinschalig en individueel worden vormgegeven en een heldere en verticale geleding met voldoende afwisseling kent. Hierdoor ontstaat volgens de welstandscommissie een sterke verbetering van de communicatie tussen het bouwvolume en de dynamiek van de winkelstraat. Verweerder heeft dit advies integraal overgenomen.

8. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank het welstandsadvies ten grondslag mogen leggen aan de omgevingsvergunning. Het advies geeft op heldere en begrijpelijke wijze de aan het advies ten grondslag liggende argumenten weer. Eisers hebben geen tegenadvies overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Anders dan eisers betogen valt het bouwplan, gegeven de inhoud van het welstandsadvies, juist niet uit de toon in het straatbeeld en is het wat betreft uitvoering passend bij het historische en ambachtelijke beeld van de dorpskern. Ook volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat het beeldkwaliteitsplan slechts richtlijnen bevat, die grotendeels in de welstandsnota zijn verdisconteerd. Verweerder heeft terecht de welstandsnota als toetsingskader gebruikt.

Strijd met bestemmingsplan en kruimelbeleid

9. De rechtbank moet verder beoordelen of verweerder de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kon verlenen met toepassing van artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Verweerder heeft met betrekking tot de derde bouwlaag toepassing gegeven aan artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II bij het Bor. In afwijking van het bestreden besluit, zegt verweerder in beroep dat het trappenhuis vergund kon worden met toepassing van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor en niet met toepassing van artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II bij het Bor.

10. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bevoegd is verscheidene onderdelen van artikel 4 van bijlage II bij het Bor gecombineerd toe te passen in één omgevingsvergunning.3

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de extra bouwlaag op het gebouw (derde bouwlaag) kon vergunnen met toepassing van artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II bij het Bor. In het Bor is geen nadere beschrijving opgenomen van wat onder een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw moet worden verstaan. Er bestaan geen aanknopingspunten voor de uitleg daarvan dat het alleen kan gaan om bouwwerken van geringe omvang. Uit deze bepaling blijkt ook niet dat is beoogd de toepassing van de daarin opgenomen bevoegdheid te beperken tot planologisch ondergeschikte gevallen. Het is dus niet relevant of de dakopbouw een bouwdeel van ondergeschikte aard is.4 De rechtbank vindt met verweerder dat het trappenhuis met toepassing van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor als ‘bijbehorend bouwwerk’ kon worden vergund, aangezien deze functioneel is verbonden met het hoofdgebouw.

11. Nu het trappenhuis en de derde bouwlaag passen binnen de categorieën gevallen van artikel 4 van bijlage II bij het Bor, had verweerder beleidsruimte om een omgevingsvergunning te verlenen. De rechterlijke toets is beperkt tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen.5 Verweerder dient bij de afweging of al dan niet een vergunning wordt verleend rekening houden met het eigen beleid.

12. In het kruimelbeleid van verweerder over toepassing van artikel 4, onderdeel 4 , van bijlage II bij het Bor staat: Aan de uitbreiding van gebouwen met een extra bouwlaag wordt alleen meegewerkt als het bestaande bouwblok daar aanleiding toe geeft. Zo zijn er plekken waar de bestaande bebouwing 2 lagen zonder kap is en sinds langere tijd woningen worden uitgebreid met een kap of terugliggende dakopbouw. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze beleidsregel alleen geldt voor zelfstandige woningen en niet voor het gebouw. Hoewel de rechtbank niet in het kruimelbeleid terugleest dat bovenstaande passage alleen voor zelfstandige woningen zou gelden, ziet de rechtbank ook geen aanleiding te oordelen dat de omgevingsvergunning in strijd is met de genoemde beleidsregel. Het is immers niet gebleken dat het bestaande bouwblok waar het gebouw toe behoort, geen aanleiding geeft tot een extra bouwlaag. De tweede zin van bovenstaande passage uit het kruimelbeleid leest de rechtbank slechts als een voorbeeld van een geval waarin een bestaand bouwblok aanleiding geeft tot een extra bouwlaag.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid een omgevingsvergunning voor het trappenhuis en de extra bouwlaag heeft kunnen verlenen. Verweerder heeft meer gewicht mogen toekennen aan de belangen die zijn gediend met het bouwplan, te weten het creëren van woningen, vergroten van levendigheid in de Zijdstraat en tegengaan van verpaupering dan aan de belangen van eisers (vermindering van privacy). Eisers wonen in een stedelijke omgeving en daarbij hebben zij enige inkijk in hun woning te dulden.6

14. Omdat verweerder in beroep de motivering van het bestreden besluit heeft aangepast door voor het trappenhuis toepassing te geven aan artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor in plaats van onderdeel 4 van dat artikel, kleeft er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter geen aanleiding het besluit om deze reden te vernietigen nu zij aannemelijk acht dat eisers daardoor niet zijn benadeeld als bedoeld in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Immers, het trappenhuis komt nog altijd voor vergunningverlening in aanmerking, zij het met toepassing van een ander onderdeel van artikel 4 van bijlage II bij het Bor.

Conclusie

15. Het beroep van eisers is ongegrond.

16. Vanwege het motiveringsgebrek in het bestreden besluit ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank ziet om dezelfde reden ook aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: Relevante wet- en regelgeving

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, is het verboden zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk; (..)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (..).

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, wordt een aanvraag voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd indien:

(..)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, (..), tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; (..).

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, kan een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; (..).

Op grond van artikel 2.7 van het Bor, worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Op grond van artikel 4 van bijlage 2 bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

(..)

4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; (..).

Op grond van artikel 7.1 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden bestemd voor:
a. gebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 4 behorende bij deze regels (met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen);

b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 5' is een hotel toegestaan;

c. ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt' is een supermarkt toegestaan met bijbehorende kantines;

d. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' is een onderdoorgang toegestaan;

e. dienstverlenend bedrijf;

f. detailhandel;

g. maatschappelijke voorzieningen;

h. kantoren;

i. wonen in woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf tot maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de woning; (..).

Op grond van artikel 7.2.1 van het bestemmingsplan gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het bebouwd oppervlak mag 100% bedragen, tenzij anders is aangeduid;

c. de bouwhoogte en de goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden;

d. de dakhelling mag niet meer bedragen dan 60°. Deze contouren gelden voor ten minste twee dakvlakken; (..).

Screenshot van verbeelding bij het bestemmingsplan met maximale bouw- en goothoogte voor het gebouw

1 Artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

2 Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2026.

3 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:744.

4 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1877.

5 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:82.

6 Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2985.