Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6120

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
13/249926-19 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf omdat hij tussen augustus en oktober 2019 zijn 1 tot 2 maanden oude dochtertje ernstig mishandelde in Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/249926-19 (Promis)

Parketnummer vordering tul: 23/000194-17

Datum uitspraak: 9 december 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in de [naam] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 november 2020. Verdachte was daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.A. de Back, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C. Stroobach, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) het toebrengen van letsel aan zijn dochter [naam slachtoffer] , die destijds een paar maanden oud was, onder meer door haar te schudden, haar tegen harde voorwerpen aan te slaan of te gooien en andersom, en haar op de grond te gooien. Deze handelingen zijn onder feit 1 ten laste gelegd als een poging tot doodslag en onder feit 2 als een zware mishandeling, subsidiair een poging daartoe.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat er verschillende ongelukken zijn gebeurd waardoor de letsels bij zijn dochter kunnen zijn ontstaan, maar uit het forensisch medisch onderzoek blijkt dat het geconstateerde letsel niet past bij de door verdachte opgegeven toedracht. Het is waarschijnlijker dat de letsels door (meermalen) opzettelijk handelen is toegebracht dan dat het per ongeluk is gegaan. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders dan verdachte de geweldshandelingen heeft verricht. Met zijn handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn dochter zou komen te overlijden en heeft hij bovendien zwaar lichamelijk letsel aan haar toegebracht, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak voor beide feiten bepleit, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd. Verdachte heeft een aannemelijk alternatief scenario gepresenteerd over hoe zijn dochter aan de letsels is gekomen. Zo is zij een keer van de bank gerold en door haar oudere zusje met een joystick op haar oor geslagen. Verdachte heeft haar ook één keer laten vallen toen hij met haar aan het spelen was, waardoor zij met haar hoofd tegen de salontafel is gekomen. Verder is zijn dochter enkele keren bijna gestikt. Om haar leven te redden heeft verdachte de Heimlichgreep moeten toepassen en haar ook rustig geschud.

Subsidiair dient vrijspraak te volgen, omdat verdachte geen opzet had op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam slachtoffer] . Meer subsidiair is door de verdediging om vrijspraak verzocht, omdat de specifieke handelingen die zouden zijn verricht niet kunnen worden bewezen. Meest subsidiair dient verdachte partieel te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde periode voor 29 augustus 2019.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Verklaring verdachte

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is de vraag of de verklaringen van verdachte voor het geconstateerde letsel geloofwaardig zijn en de rechtbank onderzoekt in dat verband of het door de verdachte geschetste scenario een aannemelijke verklaring voor de letsels van zijn dochter [naam slachtoffer] oplevert. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

Uit forensisch medisch onderzoek blijkt dat bij [naam slachtoffer] , toen zij net twee maanden oud was, onder meer de volgende letsels zijn geconstateerd: schedelbreuken, meerdere kneuzingshaarden in de hersenen, een bloeduitstorting in de oorschelp, in totaal 10 ribbreuken en 2 hoekfracturen aan de scheenbenen.

De deskundige van het NFI heeft geconcludeerd dat er op meerdere momenten sprake is geweest van verschillende vormen van (grote) krachtsinwerkingen op het lichaam van [naam slachtoffer] , die tot letsels hebben geleid. Deze combinatie van medische bevindingen is volgens de deskundige van het NFI veel waarschijnlijker wanneer geen sprake is geweest van een ongeluk dan wanneer dat wel het geval is. Daarbij is door de deskundige het door verdachte geschetste scenario, inclusief hetgeen hij tijdens zijn verhoor op 7 januari 2020 heeft uitgebeeld, meegewogen. De deskundige concludeert dat de medische bevindingen niet passend zijn bij de door verdachte gemelde toedracht. Het dossier bevat geen redenen om te twijfelen aan de conclusies van het NFI

Daar komt bij dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over het ontstaan van de letsels bij [naam slachtoffer] en over de momenten en wijze waarop dat zou zijn gebeurd.

Tot slot is in dit verband relevant dat verdachte bij geen van de door hem beschreven situaties medische hulp heeft gezocht, terwijl daar wel aanleiding toe leek te zijn.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de letsels bij [naam slachtoffer] zijn ontstaan als gevolg van niet-accidentele krachtsinwerkingen op meerdere momenten en de rechtbank acht de verklaringen van verdachte over de toedracht van de letsels ongeloofwaardig.

4.3.2.

Veroorzaker van de geconstateerde letsels

Vooropgesteld moet worden dat uit het dossier blijkt dat er twee personen waren die [naam slachtoffer] verzorgden en daarbij mogelijk de letsels hebben veroorzaakt. Dit zijn de beide ouders van [naam slachtoffer] , namelijk verdachte en [naam moeder] . Verdachte heeft verklaard dat er geen andere personen langdurig alleen met [naam slachtoffer] zijn geweest en het dossier bevat ook geen aanwijzingen voor het tegendeel. De rechtbank leidt uit de in het dossier beschikbare stukken af dat verdachte op verschillende momenten alleen is geweest met [naam slachtoffer] , waarop er naar zijn zeggen iets met haar is gebeurd.

Zo is er een moment in september 2019 dat verdachte alleen thuis is met [naam slachtoffer] , terwijl [naam moeder] boodschappen doet met hun oudste dochter. Verdachte stuurde haar toen een sms met de mededeling dat [naam slachtoffer] was gevallen en dat [naam moeder] snel thuis moet komen. Als [naam moeder] later tegen verdachte zeg dat ze met [naam slachtoffer] naar de huisarts moeten, haalt verdachte [naam moeder] over om dat niet te doen. Het is verdachte geweest die met een verklaring kwam voor de letsels: hij zou [naam slachtoffer] op de bank hebben gelegd waarna zij van de bank zou zijn gevallen (een verklaring waarvan het NFI dus heeft geconcludeerd dat die niet past bij de later vastgestelde letsels). Weliswaar is [naam moeder] meegegaan in deze verklaring, maar die kwam, zo blijkt uit het dossier, op initiatief van verdachte tot stand.

Op 18 oktober 2019 heeft verdachte, in een arrestantenbus, aan [naam moeder] verteld over een ander moment dat er iets met [naam slachtoffer] is gebeurd. Hij heeft toen tegen [naam moeder] gezegd dat het hem spijt en dat hij één val van [naam slachtoffer] voor [naam moeder] heeft verzwegen. Dit zou een paar dagen voordat [naam moeder] met [naam slachtoffer] naar het ziekenhuis ging zijn gebeurd toen [naam moeder] in de badkamer was (hetgeen ook past bij de bevindingen van het NFI over het moment van ontstaan van de letsels). Uit de reactie die [naam moeder] op dat moment geeft, maakt de rechtbank op dat [naam moeder] niet op de hoogte was dat er op dat moment iets is gebeurd met [naam slachtoffer] . Verdachte zegt dan vervolgens “het spijt mij dat je door mijn toedoen hier zit”.

De rechtbank ziet verder in het feit dat [naam moeder] op internet heeft gezocht op ‘blauwe plekken door huilen’, ‘het blauw worden van oogleden bij baby’s’ en ‘onverklaarbare blauwe plekken’, steun voor het scenario dat zij aanvankelijk niet wist hoe de letsels bij [naam slachtoffer] zijn ontstaan en dat zij later is meegegaan in de verklaringen van verdachte. Pas op 12 december 2019 heeft [naam moeder] het over andere incidenten.

Gelet op het bovenstaande kan het dan ook niet anders dan dat verdachte degene is die op meerdere momenten het letsel aan [naam slachtoffer] heeft toegebracht en de rechtbank houdt verdachte daar verantwoordelijk voor. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte de letsels heeft toegebracht op de momenten dat hij alleen de zorg had over [naam slachtoffer] en dat hij de ware toedracht van het letsel ook voor zijn partner heeft verzwegen.

4.3.3.

Vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. In het dossier zijn geen bewijsmiddelen voorhanden op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [naam slachtoffer] . Immers is onduidelijk gebleven welke handelingen precies door verdachte zijn verricht. Uit het NFI-rapport kan weliswaar worden afgeleid dat de letsels moeten zijn ontstaan door één of meer van de tenlastegelegde geweldshandelingen, maar hoeveel kracht verdachte daarbij heeft toegepast kan niet worden vastgesteld. Daarom kan evenmin worden vastgesteld of verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood van [naam slachtoffer] in het leven heeft geroepen. Een contra-indicatie daarvoor is de conclusie van het NFI dat de combinatie van de afwijkingen in het hoofd van [naam slachtoffer] en de botbreuken afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien op zichzelf niet levensbedreigend zijn geweest. Dat dit volgens de rapporteur onder sommige omstandigheden wel kan resulteren in ernstig, potentieel levensbedreigend schedelhersenletsel is onvoldoende om tot een andersluidende conclusie te komen.

4.3.4.

Het oordeel over het onder feit 2 ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat de bij [naam slachtoffer] geconstateerde letsels kunne worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Hierboven is al overwogen dat niet duidelijk is geworden welke handelingen verdachte precies heeft verricht waardoor deze letsels bij [naam slachtoffer] konden ontstaan. De NFI-rapporteur heeft hierover echter wel uitspraken gedaan. De schedelbreuken en het overige letsel in het hoofd zijn een gevolg van een ernstig stomp botsend contacttrauma aan het hoofd, waarbij de mogelijkheid van meerdere momenten met krachtsinwerking op het hoofd niet kan worden uitgesloten. Ook kan niet worden uitgesloten dat sprake was van afwisselende acceleratie-deceleratiekrachten, oftewel het schudden van de baby. Het letsel aan de linker oorschelp kan zijn veroorzaakt door forse stomp botsende en/of samendrukkende (waaronder ook afschuivende) krachtsinwerkingen ter plaatse. De ribbreuken en hoekfracturen kunnen zijn ontstaan door heftig klemmen of schudden, aanstoten, op het kind gaan zitten of vallen.

Gelet op deze conclusies van de NFI-rapporteur is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte één of meer van de in de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen bij [naam slachtoffer] heeft verricht en dat als gevolg daarvan de letsels bij [naam slachtoffer] zijn ontstaan. Naar algemene ervaringsregels is elk van deze handelingen van een zodanige aard dat iemand die deze handelingen bij een baby van tussen de 1 en 2 maanden oud verricht, daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de baby in kwestie zwaar lichamelijk letsel oploopt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarmee kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van zijn dochter in de periode van 29 augustus 2019 (de dag waarop [naam moeder] voor het eerst naar de huisarts heeft gebeld) tot en met 3 oktober 2019 (de dag voorafgaand aan de dag dat [naam slachtoffer] is opgenomen in het ziekenhuis). De rechtbank acht geen bewijs aanwezig voor medeplegen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 2:

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 augustus 2019 tot en met 3 oktober 2019 te Amsterdam, aan zijn kind, [naam slachtoffer] (geboren [geboortedatum] ), telkens opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

-onderhuidse bloedingen aan de binnenkant van het linker oor en

-drie schedelbreuken en

-bloeduitstortingen bij de hersenvliezen en

-kneuzingshaarden in de hersenen en

-meerdere ribbreuken aan de rechterzijde en

-meerdere ribbreuken aan de linkerzijde en

-meerdere beenbreuken

heeft toegebracht door (in voornoemde periode)

-voornoemde [naam slachtoffer] stevig bij haar lichaam en/of armen en/of benen vast

te pakken en vervolgens hardhandig

voornoemde [naam slachtoffer] te schudden en/of

-een of meermalen met kracht voornoemde [naam slachtoffer] met haar hoofd en/of

lichaam tegen een of meer harde voorwerpen te slaan en/of te gooien

en/of

-met een of meer harde voorwerpen tegen het hoofd en/of lichaam van

voornoemde [naam slachtoffer] te slaan en/of

-voornoemde [naam slachtoffer] met kracht op de grond te gooien en/of

-met kracht haar borstkas te omvatten/omklemmen en/of

-door telkens op enigerlei wijze veel kracht toe te passen op het hoofd , de borstkas en de benen van [naam slachtoffer] ;

waardoor voornoemde letsels bij voornoemde [naam slachtoffer] zijn ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft, subsidiair, verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf conform zijn voorarrest op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel. Sinds verdachte is aangehouden, heeft hij zijn kinderen niet meer kunnen zien of aanraken, hetgeen hem zeer zwaar valt. Daarnaast is vastgesteld dat de andere dochter van verdachte, [naam dochter] , geen letsel had. Het letsel van [naam slachtoffer] heeft bovendien minder ernstige gevolgen dan aanvankelijk werd gedacht. Waar de verwachting eerst was dat zij mogelijk nooit zelfstandig zou kunnen lopen, heeft zij haar opgelopen motorische achterstand inmiddels goed ingehaald.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn dochtertje, die destijds tussen de een en twee maanden oud was. Hij heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Een baby kan zich niet verweren en verdachte is als ouder bij uitstek verantwoordelijk voor het welzijn van zijn kind. Een kind moet erop kunnen vertrouwen dat het in een veilige omgeving opgroeit. Verdachte heeft dit vertrouwen met zijn handelen ernstig geschaad. Daar komt bij dat er een kans is dat [naam slachtoffer] haar hele leven de gevolgen van zijn handelen zal blijven ondervinden. Bij [naam slachtoffer] is spasticiteit bij schedelhersenletsel vastgesteld. Het is thans niet duidelijk of en zo ja op welke manier zij hier last van zal hebben in de toekomst.

De rechtbank rekent het verdachte daarnaast zwaar aan dat hij op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Hij heeft geen medische hulp voor [naam slachtoffer] ingeschakeld. Gedurende de strafzaak heeft hij vooral zijn eigen slachtofferschap benadrukt, door te stellen dat het hem zwaar valt dat hij zijn kinderen niet mag zien. Ook ter terechtzitting nam verdachte deze houding aan. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. Deze zal evenwel fors lager zijn dan de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de rechtbank de poging tot doodslag niet bewezen acht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 25 november 2019. Hieruit blijkt dat verdachte verschillende keren eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten. Weliswaar is een aantal van deze veroordelingen van langer geleden, maar verdachte liep ook in een proeftijd voor een bedreiging. Dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia rapport naar aanleiding van de observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum (PBC) van 20 oktober 2020, opgemaakt door I. van Outheusden, psychiater en T. ’t Hoen, GZ-psycholoog. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek. Om die reden kan het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis niet worden onderbouwd of ontkracht en kan er geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens worden vastgesteld. Evenmin kan er iets worden gezegd over het recidiverisico. Omdat de onderzoekers van het PBC geen conclusies kunnen trekken op grond van de weigering van verdachte om mee te werken aan het onderzoek, acht de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

De rechtbank is op basis van alle bovenstaande omstandigheden van oordeel dat geen andere straf of maatregel kan worden opgelegd dan een gevangenisstraf van na te noemen duur. De rechtbank heeft overwogen om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, maar acht dit gezien alle omstandigheden niet passend. De gevangenisstraf zal dan ook geheel onvoorwaardelijk worden opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [naam slachtoffer] is door haar bijzondere curator, mr. L. Scheffer, een bedrag van € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade gevorderd.

De officier van justitie vindt primair dat het gehele bedrag dient te worden toegewezen. Subsidiair acht zij in elk geval een bedrag van € 8.000,- toewijsbaar.

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is van immateriële schade en dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair is verzocht om het toe te wijzen bedrag te matigen, gelet op de bedragen die doorgaans in strafzaken worden toegewezen. Ook is door de verdediging verzocht om geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, of in elk geval om de gijzeling bij niet betalen vast te stellen op 1 dag.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en in haar persoon is aangetast. De rechtbank overweegt hiertoe dat [naam slachtoffer] vanwege haar leeftijd weliswaar haar gevoelens minder goed kon uitdrukken en zich later wellicht niet meer herinnert wat haar is overkomen, maar dat zij moet op het moment van de geweldshandelinge veel pijn moet hebben gehad en dat er nadien veel ingrepen in het ziekenhuis zijn gevolgd. Ook heeft [naam slachtoffer] lange tijd onder medische behandeling gestaan om de als gevolg van de zware mishandeling opgelopen ontwikkelachterstand zoveel als mogelijk weer in te halen. Hoewel [naam slachtoffer] haar motorische achterstand goed lijkt te hebben ingehaald, is er nog steeds sprake van blijvende hersenschade. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat kinderen die op jonge leeftijd slachtoffer worden van huiselijk geweld, te kampen krijgen met hechtingsproblematiek, zeker wanneer zij vervolgens uit huis worden geplaatst, zoals dat met [naam slachtoffer] is gebeurd. Ook dit is onderdeel van de immateriële schade.

Het is onzeker hoe groot de uiteindelijke schade voor [naam slachtoffer] is. Dat er schade is, staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het voorgaande vast. De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en bepaalt dat de benadeelde partij recht heeft op een schadevergoeding van ten minste € 5.000,-. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen. Beoordeling van het resterende deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de civiele rechter.

Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening. Daarnaast zal aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, met dien verstande dat de gijzeling bij niet betalen zal worden bepaald op 1 dag.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op3 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 23/000194-17, betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 15 februari 2018 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zware mishandeling, begaan tegen zijn kind.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] toe tot een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam slachtoffer] aan de Staat € 5.000,- (vijfduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 15 februari 2018 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.D.N. Tool, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 december 2020.

De oudste en jongste rechters zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.