Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6106

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
Parketnummer 13-751495-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak.Uitstelbeslissing ivm Franse detentieomstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751495-20

RK nummer: 20/2885

Datum uitspraak: 19 november 2020

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2020 door de Procureur de la République du Tribunal Judiciaire de Versailles (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:

[adres].

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is door middel van telehoren in de penitentiaire inrichting gehoord en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J.H. Titahena, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting bij tussenuitspraak van 27 augustus 2020 heropend omdat zij meer tijd nodig had om zich te beraden op de uitspraak in de onderhavige zaak.

Gelet op de reden voor de heropening bestond er geen noodzaak om een nadere inhoudelijke behandeling van de zaak te plannen. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting na heropening geschorst tot de zitting van 3 september 2020 om 12.30 uur, op welke zitting de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en direct een tussenuitspraak heeft gedaan.

Bij tussenuitspraak van 3 september 2020 heeft de rechtbank het onderzoek wederom heropend en geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere vragen met betrekking tot de penitentiaire inrichtingen in Bordeaux-Gradignan en Fresnes aan de Franse uitvaardigende autoriteit te stellen.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 30 oktober 2020. Op die zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen met terugwerkende kracht voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot 5 november 2020.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 5 november 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J.H. Titahena, advocaat te Amsterdam.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een mandat d’arrêt, uitgevaardigd door de juge d’instruction au Tribunal Judiciaire de Versailles op 18 mei 2020 met zaaknummer: No PQT19002000153 - No Instruction JICA BJI1019000004.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zes naar Frans recht strafbare feiten.

Bij voornoemde tussenuitspraak van 3 september 20201 heeft de rechtbank reeds beslist op door de verdediging gevoerde verweren betreffende de genoegzaamheid, onschuld, gelijkstelling en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW. De betreffende overwegingen gelden als hier herhaald en ingelast.

4 Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘het
Handvest’)

De rechtbank verwijst in dit kader naar voornoemde tussenuitspraak van 3 september 2020, in het bijzonder naar haar overwegingen met betrekking tot de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichtingen in Bordeaux-Gradignan en Fresnes. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de volgende aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit dienden te worden voorgelegd.

Ten aanzien van de penitentiaire inrichting Bordeaux-Gradignan

  1. Over hoeveel m² personal space beschikken de 2% gedetineerden die niet over meer dan 3 m² personal space beschikken? Indien het om gedetineerden in een meerpersoonscel gaat, is het aantal m² personal space dan inclusief of exclusief het sanitair?

  2. Over hoeveel m² personal space beschikken de overige 98% gedetineerden in respectievelijk een éénpersoonscel dan wel een tweepersoonscel en - ten aanzien van de tweepersoonscellen - is dit inclusief of exclusief het sanitair?

Ten aanzien van de penitentiaire inrichting Fresnes

1. Zal de opgeëiste persoon indien zijn overlevering wordt toegestaan, naar verwachting worden geplaatst in de penitentiaire inrichting in Fresnes?

Indien de voorgaande vraag met ‘ja’ wordt beantwoord:

2.a Hoeveel individuele celruimte zal hem ter beschikking staan in een eenpersoonscel en hoeveel in een meerpersoonscel en is dit - voor wat betreft de meerpersoonscel - inclusief of exclusief het sanitair?

2.b als de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel wordt geplaatst en hij, exclusief het sanitair, over minder dan 3 m² personal space beschikt, verzoekt de rechtbank om informatie betreffende de in Muršić /Kroatië (EHRM (Grote Kamer) 20 oktober 2016, 7334/13, § 138) genoemde relevante factoren, te weten ‘time and extent of restriction [of personal space]; freedom of movement and adequacy of out-of-cell activities; and general appropriateness of the detention facility’ (Muršić/Kroatië, § 135).

2.c Hoe zijn de overige detentieomstandigheden in Fresnes gelet op hetgeen het EHRM hierover in de uitspraak van 30 januari 2020 heeft vastgesteld ten aanzien van andere materiële omstandigheden namelijk oude en afgeleefde gebouwen, een gebrek aan renovatie, slechte hygiëne, schadelijk ongedierte, gebrek aan licht, vocht in de cellen en (te) kleine luchtplaatsen?

Bij e-mail van 16 oktober 2020 hebben de Franse autoriteiten de hiervoor vermelde vragen in een andere Franse overleveringszaak als volgt beantwoord.

Referring to the prison of Bordeaux-Gradignan

1. The additional checks carried out established that it is not 98% of detained persons, but 100% who benefit from more than 3 square meters of personal space. As specifted in our previous transmission of July 17, 2020, the cells have a minimal size of 8 square meters, and for the most part between 9 and 10 square meters. If the sanitary facilities (approximately 1 square meter) are not taken into account, the persons have a personal space of 3.5 to 4.5 square meters.

2. Not applicable, given the above details.

Referring to the prison of Fresnes

1. Yes

2a. No cell has currently more than two inmates, given the current prison population. As the cells have a surface area of 9 to 10 square meters (including approximately 1 square meter of sanitary facilities), the detainees all have an individual surface area of 4 to 4.5 square meters (sanitary facilities not included).

2b. Not applicable, given the above details. lnformation regarding the conditions of detention was also given in the context of our transmission of July 17, 2020.

2c. Not applicable, given the above details.

Op een daartoe strekkende aanvullende vraag van het IRC heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 19 oktober 2020 de volgende informatie verstrekt.

Yes, this answer is indeed applicable to all pending French cases. I already talked about it with the French ministry of justice. Actually I was about to send all your colleagues in charge of French cases the same email.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat deze informatie onvoldoende is. Op de in het tussenvonnis geformuleerde vragen is slechts antwoord gekomen met betrekking tot de ‘personal space’, terwijl ook andere aspecten, zoals hygiëne en dergelijke, een rol spelen. Overlevering zou op basis van deze informatie niet moeten worden toegestaan. De raadsman heeft tevens aangestipt dat volgens een online nieuwsbericht de penitentiaire inrichting Fresnes, waar de opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie waarschijnlijk zal worden geplaatst, het meeste coronagevallen heeft van de Franse penitentiaire inrichtingen, zowel onder gedetineerden als onder bewaarders. Hele afdelingen gaan op slot en de mogelijkheden om buiten de cel te komen worden beperkt, aldus de raadsman, die vreest dat een verblijf achter de deur gedurende de hele dag tot de mogelijkheden behoort. De raadsman heeft er nog op gewezen dat artikel 4 van het Handvest een absoluut grondrecht bevat en dat de onschuldpresumptie bij de beslissing dient te worden meegewogen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erkend dat de vragen die de rechtbank in het tussenvonnis heeft geformuleerd niet volledig zijn beantwoord, maar ziet daarin geen aanleiding om de overlevering te weigeren. Zij heeft een uitstelbeslissing gevorderd, zodat de uitvaardigende justitiële autoriteit alsnog de kans wordt geboden de vragen afdoende te beantwoorden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van voorgaande informatie vast dat de Franse autoriteit met betrekking tot de penitentiaire inrichting Fresnes geen antwoord heeft gegeven op vraag 2c uit voornoemd tussenvonnis van 3 september 2020 waarin is gevraagd hoe de overige detentieomstandigheden zijn, gelet op hetgeen hierover is vastgesteld in voornoemd arrest van het EHRM van 30 januari 2020 ten aanzien van oude en afgeleefde gebouwen, een gebrek aan renovatie, slechte hygiëne, schadelijk ongedierte, gebrek aan licht, vocht in de cellen en (te) kleine luchtplaatsen.

Het ontbreken van een antwoord op vraag 2c maakt dat het eerder aangenomen reële gevaar dat personen die in de detentie-instelling in Fresnes zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten niet is weggenomen.

Gelet op het vastgestelde algemene gevaar komt de rechtbank toe aan de tweede toets uit het arrest Aranyosi en Căldăraru waarbij de verplichting voor de rechtbank bestaat om de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen om na te gaan of de opgeëiste persoon een reëel gevaar zal lopen vanwege de te verwachten omstandigheden van zijn detentie in de uitvaardigende lidstaat, opdat deze alle noodzakelijke aanvullende gegevens verstrekt met betrekking tot de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in de uitvaardigende lidstaat zal worden gedetineerd (zie de punten 91-95 van het arrest Aranyosi en Căldăraru).

In het arrest van het Hof van Justitie EU van 25 juli 2018, in de zaak ML, met nummer C-220/18 PPU is over genoemde tweede toets het volgende bepaald:

- de uitvoerende rechterlijke autoriteit is verplicht uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in penitentiaire inrichtingen waar de betrokkene, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis (zie punt 117);

- de uitvoerende rechterlijke autoriteit hiertoe de concrete en precieze detentieomstandigheden van de betrokkene in de penitentiaire inrichting moet nagaan die relevant zijn om vast te stellen of de betrokkene een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest zal lopen (zie punt 117).

De rechtbank leidt uit de hiervoor opgenomen e-mail berichten van de Franse autoriteiten van

16 oktober en 19 oktober 2020 af dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Frankrijk naar alle waarschijnlijkheid in de detentie-instelling van Fresnes zal worden geplaatst en dat op grond daarvan op de rechtbank alleen de verplichting rust om de detentieomstandigheden in de detentie-instelling van Fresnes te onderzoeken (HvJ EU 25 juli 2018, de zaak ML, nummer C-220/18 PPU). Nu over de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Fresnes door de Franse autoriteit al uitgebreid vragen zijn beantwoord en op basis hiervan een algemeen gevaar is aangenomen kan op grond hiervan tevens een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon worden vastgesteld nu hij naar alle waarschijnlijkheid in de detentie-instelling van Fresnes zal worden geplaatst.

Gelet op het vastgestelde algemene en individuele reële gevaar en op het feit dat al aanvullende gegevens zijn opgevraagd, zal de rechtbank de beslissing over de overlevering uitstellen totdat de rechtbank aanvullende gegevens verkrijgt op grond waarvan zij het bestaan van een dergelijk gevaar kan uitsluiten. Indien het bestaan van dit gevaar niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgesloten, dient de rechtbank te beslissen of de overleveringsprocedure moet worden beëindigd (zie punt 104 van het arrest Aranyosi en Căldăraru).

Het voorgaande brengt dus niet mee dat de overlevering moet worden geweigerd (zie rechtbank Amsterdam 28 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2630).

Gelet op al het voorgaande wordt de beslissing over de overlevering uitgesteld en moet de zaak binnen de hierna genoemde redelijke termijn weer op zitting worden aangebracht.

5 Beslissingen

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd

BEPAALT dat de zaak binnen een termijn van twee maanden weer op zitting dient te worden aangebracht.

STELT UIT de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.


Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en R.J. Bartels, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2020.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Zie ECLI:NL:RBAMS:2020:4355