Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6102

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
8841821 \ KK EXPL 20-726
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een huurder, die vanwege psychische problemen onder curatele van zijn vader staat, moet een huurwoning in Amsterdam ontruimen omdat de vader de woning in strijd met de regels in gebruik had gegeven aan een derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8841821 \ KK EXPL 20-726

vonnis van: 3 december 2020

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

Stichting Stadgenoot,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

nader te noemen Stadgenoot,

gemachtigde: mr. I.N. Maaskant,

t e g e n

[gedaagde] , wonende te [woonplaats] ,

in zijn hoedanigheid van curator van [naam 1] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M. Kartal.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 30 oktober 2020 met producties heeft Stadgenoot een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 25 november 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Stadgenoot is verschenen vertegenwoordigd door haar medewerker [naam 2] en haar gemachtigde. De curator is verschenen in persoon, vergezeld door de gemachtigde. [naam 1] heeft op voorhand een verweerschrift/pleitnoties met producties in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.


GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

[naam 1] (verder [naam 1] ) is de zoon van gedaagde [gedaagde] . Sinds 12 januari 2015 huurt [naam 1] van Stadgenoot een tweekamerwoning aan de [adres] . De woning is gelegen op ongeveer 600 meter van de woning van zijn ouders. Bij beschikking van 17 december 2015 is (mede) in verband met psychische problemen van [naam 1] [gedaagde] (verder: de curator) benoemd als zijn curator.

1.2.

In artikel 7.10 van de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden is bepaald dat in geval van strafbare feiten, zoals aanwezigheid van wapens en drugs, de huurder een boete van tien keer de maandhuurprijs moet betalen.

1.3.

Op 2 maart 2020 heeft er in het kader van een internationaal strafrechtelijk onderzoek naar drugshandel een politie-inval in de woning van [naam 1] plaatsgevonden. Bij die gelegenheid werd in de slaapkamer, op het enige vaste bed in de woning, een man van Turkse komaf aangetroffen die verdachte is in bovengenoemd internationale onderzoek en die officieel in [plaats] staat ingeschreven. In de woonkamer werd een tweede persoon aangetroffen die daar op een matras lag. Deze had de Turkse nationaliteit. De man bleek door de Turkse autoriteiten gesignaleerd te staan terzake het opdracht geven tot een dubbele moord en poging tot moord. In de slaapkamer van de woning werd in een rolkoffer een plak softdrugs (hasj) van 151 gram aangetroffen. Voorts heeft de politie in de woning een ongeladen vuurwapen en vijf patronen aangetroffen. In de naar aanleiding van deze inval opgemaakte bestuurlijke rapportage staat vermeld dat in de woning geen documenten werden aangetroffen welke direct te relateren waren aan [naam 1] . Alleen in de berging werden administratieve bescheiden van [naam 1] aangetroffen, aldus de rapportage.

1.4.

Naar aanleiding van de inval heeft [naam 2] (voornoemd) op 18 maart 2020 telefonisch contact gehad eerst met [naam 1] en daarna met de curator.

1.5.

In een e-mail van 25 maart 2020 aan de curator heeft [naam 2] namens Stadgenoot gesommeerd de huurovereenkomst voor 2 april 2020 op te zeggen. In die e-mail heeft Stadgenoot een samenvatting gegeven van de op 18 maart 2020 gehouden telefoongesprekken. Volgens de samenvatting heeft [naam 1] verklaard dat hij bij zijn vader woont en dat de man die in de gehuurde woning woont een bekende van zijn vader is. [naam 1] zegt verder van niets te weten. Volgens de samenvatting heeft de curator verklaard dat [naam 1] verzorging nodig heeft en daarom bij hem woont en niet in de gehuurde woning. Hij zegt niets te weten van wat er zich in de woning heeft afgespeeld. Hij kent de man wel, dat was een man die had gezegd geen huis te hebben en omdat [naam 1] bij hem (de curator) woont dacht hij dat het goed was om de man in de woning te laten wonen.

1.6.

De curator heeft niet aan de sommatie voldaan.

1.7.

In verband met de hulpbehoevendheid van [naam 1] heeft Stadgenoot zijn situatie aangemeld bij het Meldpunt Zorg en Woonoverlast. Als gevolg daarvan heeft er op 22 april 2020 een gesprek plaatsgevonden waarin de mogelijkheid is besproken dat [naam 1] op een andere plek in [plaats] (binnen een straal van 1 km van de woning van zijn ouders) komt te wonen in een woning die op naam komt van een instelling en dat er sprake zal zijn van begeleiding (begeleid wonen). Een en ander zal in een vaststellingsovereenkomst worden neergelegd.

1.8.

Daarop is een vaststellingsovereenkomst opgemaakt die naar de curator is gezonden. Een van de onderdelen daarvan is dat de huurovereenkomst tussen [naam 1] en Stadgenoot eindigt vier weken nadat aan de curator en [naam 1] is meegedeeld dat er voor laatstgenoemde vervangende woonruimte in het kader van een gesloten zorgovereenkomst beschikbaar is.

1.9.

In een e-mail van 4 mei 2020 verklaart de toenmalig advocaat van de curator dat [naam 1] de gesignaleerde persoon die in de woning is aangetroffen had ontmoet in een koffiebar, waarna hij hem uit medelijden aan onderdak in de gehuurde woning heeft geholpen. Tot kort voor de inval waren zijn ouders niet op de hoogte van het verblijf van deze persoon in de woning. Toen de curator erachter kwam heeft hij de betreffende persoon gezegd de woning te verlaten.

1.10.

Bij brief van 12 augustus 2020 aan de curator sommeert de advocaat van Stadgenoot de curator om de vaststellingsovereenkomst te tekenen en vóór woensdag 19 augustus 2020 te retourneren om zo te voorkomen dat een juridische procedure zal moeten worden gestart. De advocaat wijst er daarbij op dat in dat laatste geval er niet meer over een minnelijke regeling kan worden onderhandeld.

1.11.

Op 26 augustus 2020 heeft mr. Kartal aan Stadgenoot te kennen gegeven op te treden voor de curator. Daarop is nog diverse malen aan de curator de gelegenheid gegeven de vaststellingsovereenkomst te tekenen, maar de curator heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Vordering

2. Stadgenoot vordert dat de curator bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om de woning onvoorwaardelijk te ontruimen. Subsidiair vordert Stadgenoot de ontruiming onder bepaling dat Stadgenoot pas van de ontruimingstitel gebruik mag maken nadat aan [naam 1] een woning binnen een begeleid wonen traject met bijbehorende zorgovereenkomst is aangeboden. Voorts vordert Stadgenoot betaling van een boete ter hoogte van tien maal de maandhuur.

3. Stadgenoot stelt hiertoe dat op grond van de bestuurlijke rapportage is komen vast te staan dat de woning in gebruik is gegeven aan derden. Dat bleek om een verdachte in drugsonderzoek en een gezochte crimineel te gaan. De politie vermoedde dat de woning als safehouse werd gebruikt. Bovendien was er een handelshoeveelheid hasj en een vuurwapen aanwezig. In de huurovereenkomst is bepaald dat er geen strafbare feiten in de woning mogen plaatsvinden. De tekortkoming is dusdanig dat dit ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Aan de belangen van [naam 1] heeft Stadgenoot tegemoet willen komen door het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst. Zo heeft Stadgenoot ervoor willen zorgen dat [naam 1] de juiste begeleiding zou krijgen en niet dakloos zou worden. De curator heeft de overeenkomst echter niet willen ondertekenen, aldus Stadgenoot.

Verweer

4. De curator voert aan dat [naam 1] vanuit goedgelovigheid en zijn behoefte de helpende hand te bieden een persoon met kwade intenties in zijn woning heeft toegelaten. Deze heeft misbruik van de geestesziekte van [naam 1] gemaakt. De curator wist hier niets van en toen hij erachter kwam heeft hij deze persoon direct gesommeerd de woning te verlaten. Dat de curator en [naam 1] op 18 maart 2020 de verklaringen hebben afgelegd die Stadgenoot stelt (zie onder 1.4) wordt betwist.

Beoordeling

5. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Stadgenoot in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

6. Indien vast zou komen te staan dat de curator de woning van [naam 1] in gebruik heeft gegeven aan derden zoals gesteld door Stadgenoot levert dat een dusdanige tekortkoming op die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Dat de woning in gebruik is gegeven is op grond van de bevindingen van de politie voldoende aannemelijk geworden. De curator betwist evenwel de woning in gebruik te hebben gegeven. Hij zegt dat [naam 1] een van de aangetroffen personen zonder zijn medeweten heeft toegelaten. Dit is in tegenspraak met de samenvatting die [naam 2] heeft gegeven van de op 18 maart 2020 gevoerde telefoongesprekken tussen hem en de curator en [naam 1] . De curator heeft niet gesteld dat hij tijdens dat gesprek reeds heeft verklaard dat het [naam 1] is geweest die buiten zijn medeweten een derde onderdak in de woning heeft verschaft. Hij heeft ter zitting over dat gesprek alleen verklaard dat hij door zijn gebrekkige kennis van het Nederlands niet goed heeft begrepen waar het over ging. Dat komt ongeloofwaardig over. Bovendien heeft de curator gesteld dat hij dagelijks in de woning kwam. Als dat zo zou zijn is het onwaarschijnlijk is dat hij de persoon niet direct heeft opgemerkt. Bovendien zijn er bij de inval door de politie twee personen aangetroffen en geen documenten van [naam 1] in de woning zelf, maar alleen in de berging. Dat duidt erop dat [naam 1] op dat moment van de woning helemaal geen gebruik maakte.

7. Gelet op het bovenstaande wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van Stadgenoot dat de curator en niet [naam 1] de woning van zijn zoon in gebruik heeft gegeven aan derden. Ook al zou dit anders zijn, dan nog is er sprake van een ernstige tekortkoming, daar er dan sprake is geweest van het houden van onvoldoende toezicht door de curator ten aanzien van het woongedrag van [naam 1] . In beide gevallen levert dat omstandigheden op die het niet verantwoord maken om [naam 1] nog langer in de woning te laten wonen.

8. Gelet op het bovenstaande is het dermate waarschijnlijk dat een bodemrechter een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal toewijzen dat daarop vooruitlopend een ontruiming kan worden toegewezen.

9. Geoordeeld wordt dus dat de tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst aan de curator in persoon en niet aan [naam 1] is toe te rekenen. Dat geldt ook voor het feit dat partijen de kwestie niet in der minne hebben geregeld door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Het zou niet juist zijn om [naam 1] van het handelen van de curator de dupe te laten worden. Daarom zal niet de primaire vordering, maar de subsidiaire vordering worden toegewezen.

10. De gevorderde boete richt zich tegen het vermogen van [naam 1] . Gelet op het feit dat de tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst niet aan hem wordt toegerekend, wordt deze vordering afgewezen.

11. Gelet op de overwegingen onder 9 en 10 worden de proceskosten gecompenseerd.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt de curator om de onder 1.1 genoemde woning te ontruimen en ter beschikking van Stadgenoot te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;

bepaalt dat Stadgenoot van de onder I gegeven veroordeling alleen gebruik kan maken in het geval Stadgenoot aan [naam 1] een woning heeft aangeboden binnen een begeleid wonen traject (een woning op naam van de begeleidende instantie) met een bijbehorende zorgovereenkomst ten behoeve van [naam 1] .

compenseert de proceskosten aldus, dat ieder der partijen de eigen tot heden gevallen kosten draagt.

verklaart de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. von Meyenfeld als kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2020 door mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.