Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6088

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
Parketnummer 13-751563-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering toegestaan. verweer op genoegzaamheid verworpen. Vermelding van de gronden van de verdenking niet vereist. Geen aanwijzing dat het feit deels op Nederlands grondgebied is gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751563-20

RK nummer: 20/3237

Datum uitspraak: 24 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juni 2020 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

opgegeven woonadres: [woonadres] ,

uit anderen hoofde gedetineerd [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 september 2020. Het verhoor heeft door middel van een telehoorverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is door middel van een telefonische verbinding bijgestaan door zijn raadsman, mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd op 24 juni 2020 door een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, referentie OR Karel van Cauwenberghe 2019/082.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet genoegzaam omschreven is. Uit het EAB blijkt niet wat de rol of de betrokkenheid van de opgeëiste persoon is. Weliswaar staat in het EAB en op het A-formulier ‘mededader’ genoemd, maar onduidelijk is in welke zin. De overlevering moet daarom worden geweigerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitsomschrijving genoegzaam is. De opgeëiste persoon is mededader van een feit dat duidelijk is omschreven. Ook de datum en de pleegplaats zijn genoemd. Het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd.

De officier van justitie heeft gesteld dat de gronden van de verdenking niet in het EAB hoeven te worden vermeld.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht op 29 mei 2019 te Brecht tezamen met anderen een gewelddadige woningoverval te hebben gepleegd. Hij wordt gezien als mededader van dat feit. Mede omdat het een vervolging betreft en het onderzoek dus nog gaande is, voldoet deze beschrijving aan de eisen die de OLW daaraan stelt.

Hierbij merkt de rechtbank nog op dat – volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank – de uitvaardigende justitiële autoriteit alleen de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten duidelijk moet maken en dat vermelding van de gronden van de verdenking niet vereist is. Het is niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout heeft bij schrijven van 9 september 2020 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees

aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren onbekende onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende

straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of

maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft bepleit dat nu de rol van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit niet is gespecificeerd, het zo zou kunnen zijn dat hij bijvoorbeeld vanuit Nederland informatie heeft verstrekt. Behandeling van de strafzaak in Nederland zou dan aangewezen kunnen zijn, temeer nu de opgeëiste persoon reeds uit anderen hoofde in Nederland gedetineerd is.

De officier van justitie heeft – zekerheidshalve – gemotiveerd een vordering als bedoeld in artikel 13, tweede lid, OLW gedaan.

De rechtbank verwerpt het verweer omdat dit onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat het feit (deels) op Nederlands grondgebied zou zijn gepleegd.

7 Feitelijke overlevering

De raadsman heeft erop gewezen dat de Nederlandse strafzaak waarvoor de opgeëiste persoon gedetineerd is binnenkort zal worden behandeld. De opgeëiste persoon wil bij die behandeling aanwezig zijn. Ook om die reden moet de overlevering worden geweigerd.

De rechtbank verwerpt het verweer. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat dit een kwestie is die betrekking heeft op de feitelijke overlevering. Artikel 36 OLW voorziet in een regeling voor de feitelijke overlevering voor het geval er in Nederland nog strafrechtelijke vervolging gaande is. Dat staat aan het toestaan van de overlevering niet in de weg.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (België).

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 september 2020.

De jongste en de oudste rechter zijn buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.