Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6056

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
13/751765-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB vervolging Italië. Tussenuitspraak. Verweer art. 2 OLW verworpen. Twee lijstfeiten in redelijkheid door UA voor één strafbaar feit aangekruist. OvJ in redelijkheid tot vordering ex art. 13 OLW gekomen. Aanhouding ogv detentieomstandigheden Italië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751765-20

RK nummer: 20/4406

Datum uitspraak: 3 december 2020

TUSSEN- UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 september 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 13 januari 2020 door de Rechtbank van Florence, Kantoor van de rechter van het gerechtelijk vooronderzoek (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats 1] (Albanië) op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 november 2020. Het verhoor heeft, via telehoren, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.Z. Loonstein, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Albanese taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij niet is geboren in [geboorteplaats 2] (Albanië), maar in [geboorteplaats 3] (Albanië). De opgeëiste persoon heeft verklaard dat de overige bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.

Er is hierdoor bij de rechtbank geen twijfel ontstaan dat de persoon die voor de rechtbank is verschenen, dezelfde persoon is als waar het EAB op ziet.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel of andere gelijkwaardige rechterlijke beslissing, te weten een bevel tot in voorlopige hechtenisneming, uitgevaardigd op 25 november 2019 door de rechter voor het gerechtelijk vooronderzoek te Florence, in het kader van de strafprocedure 9065/15 RGNR – nr. 5609 RG Gip.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Italiaans recht strafbaar feit.

Het feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu de feitsomschrijving in het EAB naar tijd en plaats niet genoegzaam is. Zo blijkt onder meer uit het verzoek tot internationale opsporing dat het slechts zou gaan om het transport van één kg cocaïne, wat conflicteert met de brede pleegperiode die is opgenomen in het EAB. Daarnaast is de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit in het EAB niet helder omschreven. Het specialiteitsbeginsel is daarmee niet gewaarborgd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitsomschrijving in het EAB, in samenhang met de omschrijving in Form A, genoegzaam is. Nu Frankrijk in het EAB niet wordt genoemd als pleegplaats en de opgeëiste persoon in de periode van 16 juni 2017 tot en met 11 juni 2018 gedetineerd zat in Frankrijk, dient deze periode van de pleegperiode te worden uitgesloten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman niet kan slagen. De opgeëiste persoon wordt - zo begrijpt de rechtbank uit het EAB - door de Italiaanse autoriteiten, kort gezegd, verdacht van deelneming aan een criminele organisatie die ziet op handel in verdovende middelen in verschillende Europese landen, waaronder te Florence (Italië), in de periode van 1 april 2015 tot het moment van uitvaardiging van het EAB op 13 januari 2020. Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om de pleegperiode waarvoor de overlevering door de Italiaanse autoriteiten wordt gevraagd te verkorten met de tijd dat de opgeëiste persoon in Frankrijk in detentie heeft doorgebracht. In het EAB staat immers vermeld dat het feit zou zijn gepleegd in verschillende Europese landen. Aldus is Frankrijk als pleegplaats niet uitgesloten in de feitsomschrijving.

Het is voor de opgeëiste persoon dan ook voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het verzoek voldoet aan de in artikel 2 van de Overleveringswet geformuleerde vereisten.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4 Strafbaarheid: Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet in beginsel achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel het lijstfeit ‘deelneming aan een criminele organisatie’ in redelijkheid is aangekruist. Uit de feitsomschrijving blijkt immers dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van één feit, te weten deelneming aan een criminele organisatie die handelt in verdovende middelen.

Oordeel van de rechtbank

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder de hiervoor genoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke evidente tegenstrijdigheid geen sprake is. De rechtbank is verder van oordeel dat het mogelijk is dat één strafbaar feit onder twee lijstfeiten kan worden begrepen.

Het feit valt op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie,

en:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Italiaans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet schuldig is aan het feit.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Voor toewijzing van een onschuldverweer is slechts plaats als de gestelde onschuld van de opgeëiste persoon tijdens het verhoor bij de rechtbank is aangetoond. Van een dergelijke situatie is geen sprake. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. De rechtbank verwerpt het verweer.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Standpunt van de officier van justitie


Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Italiaanse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:

- het opsporingsonderzoek is in Italië aangevangen;

- de bewijsmiddelen bevinden zich in Italië;

- de medeverdachten worden in Italië vervolgd,

- de verdovende middelen waren voornamelijk bestemd voor de Italiaanse markt, zodat de rechtsorde in Italië is geschokt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. De opgeëiste persoon wordt verdacht van feiten die voornamelijk in Nederland hebben plaatsgevonden. Het is daardoor wenselijk en efficiënt om het opsporingsonderzoek vanuit Nederland te laten plaatsvinden.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering gekomen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

7 Detentieomstandigheden

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Italiaanse detentieomstandigheden geen belemmering vormen voor de overlevering, gelet op de aanvullende informatie, te weten de brief van 2 maart 2020 van de Directorate General of Prisoners van het Italiaanse Ministry of Justice, Department of Penitentiary Administration en de aanvullende brief van 4 maart 2020 van het Italiaanse Ministerie van Justitie, Departement Juridische Zaken, Algemene Directie Internationale Zaken en Juridische Samenwerking.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken overwogen dat op basis van de algemene omstandigheden in zestien Italiaanse detentiecentra sprake is van een reëel gevaar dat gedetineerden daar onmenselijk of vernederend worden behandeld.1 Zoals ook in eerdere procedures is gebeurd, heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie in deze zaak twee brieven van de Italiaanse autoriteiten aan het dossier toegevoegd, op basis waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat het gevaar op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) strijdige situatie voor de opgeëiste persoon is weggenomen.2

In de brief van 2 maart 2020 van de Directorate General of Prisoners van het Italiaanse Ministry of Justice, Department of Penitentiary Administration is - kort gezegd - meegedeeld dat geen enkele gedetineerde minder dan 3 vierkante meter personal space zal hebben, omdat gebruik wordt gemaakt van een systeem waarmee de situatie in alle Italiaanse gevangenissen in real time kan worden gevolgd. Verder bevat deze brief de volgende informatie:

It is worth highlighting that as a consequence of the health emergency currently affecting some areas of Italy, are now suspended, until further notice, the transfers of prisoners to and from prisons falling within the jurisdiction of Turin, Padua, Bologna and Florence, and that this Directorate General shall take account of these restrictions when allocating prisoners to prisons.

In de aanvullende brief van 4 maart 2020 heeft het Italiaanse Ministerie van Justitie, Departement Juridische Zaken, Algemene Directie Internationale Zaken en Juridische Samenwerking het volgende verklaard:

(…) het Departement van de Penitentiaire Administratie beschikt tegenwoordig over een toepassingssysteem, dat aanwezig is op het hele nationale grondgebied, dat door het exact vaststellen van het aantal gedetineerden dat aanwezig is in iedere inrichting, het mogelijk maakt te garanderen dat de gedetineerden zullen worden ondergebracht in een vestiging waar de normen van art. 3 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens worden nageleefd.

Dit met name voor wat betreft de beschikbare persoonlijke ruimte per gedetineerde, berekend met uitsluiting van het volume van de sanitaire voorzieningen maar inclusief dat van het meubilair en met inachtneming in ieder geval, van de mogelijkheid van iedere gedetineerde om zich normaal te kunnen bewegen in de cel.

In ieder geval heeft het Departement van de Penitentiaire Administratie gegarandeerd en vandaag in de communicatie met dit Kantoor bevestigd, dat de door de Nederlandse Autoriteiten overgeleverde personen zullen worden ondergebracht, zijnde de eerste allocatie, in de penitentiaire inrichting van Rome-Rebibbia-Nieuw Complex en dat zij ook nadien niet zullen worden ondergebracht in een van de 16 instellingen (Bergamo, Milano San Vittore, Milano Opera, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Trani Femminile, Catanzaro, Catania Piazza Lanza, Nuoro, Napoli Poggioreale en Napoli Secondigliano, Turi) ten aanzien waarvan de rechtbank Amsterdam heeft aangegeven dat daar het risico aanwezig is van ontoereikende omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat deze brieven niet door de uitvaardigende justitiële autoriteit in onderhavige procedure zijn ingebracht. Gelet op het feit dat de brieven inmiddels ruim zeven maanden oud zijn, acht de rechtbank het onder verwijzing naar haar uitspraak van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5319) van belang dat bij de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt nagegaan of de inhoud van deze brieven nog steeds van toepassing is op alle opgeëiste personen die door Nederland aan Italië worden overgeleverd. Om deze reden zal het onderzoek worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd.

De rechtbank draagt de officier van justitie op om aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in Italië de volgende vraag te stellen:

“Geldt hetgeen is gesteld in de brieven van 2 en 4 maart 2020 nog steeds en ook in de voorliggende zaak?”.

Mocht deze vraag niet (kunnen) worden beantwoord door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, dan dient de officier van justitie deze vraag te stellen aan de autoriteiten die de brieven hebben geschreven en tevens de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de volgende vraag te stellen:

“Stemt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in met het antwoord dat de Italiaanse autoriteiten hebben gegeven op de door de rechtbank Amsterdam gestelde vraag?”.

8 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen zoals vermeld onder 7 aan de aldaar genoemde Italiaanse autoriteiten voor te leggen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Engelse taal tegen de nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 december 2020.

1 Zie o.a. Rechtbank Amsterdam 24 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:10053.

2 Zie o.a. Rechtbank Amsterdam 12 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2039.