Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6050

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
C/13/685476 / HA RK 20-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Aanleiding: Eerder vonnis rechtbank tussen dezelfde partijen met afwijzing vorderingen eiser (=verzoeker). Verzoek in deelgeschil: VVR dat aan dat vonnis geen gezag van gewijsde toekomt voor wat betreft de urologische problematiek van eiser. Verzoeker ontvankelijk. Afwijzing verzoek. De rechtbank heeft in haar vonnis op basis van gevoerd partijdebat een inhoudelijke beslissing genomen over de in geschil zijnde rechtsbetrekking. Op grond van artikel 236 lid 1 Rv heeft die beslissing tussen partijen bindende kracht. Begroting kosten. Nadere specificatie ontbreekt, evident dat kosten zijn gemaakt, matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0005
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/685476 / HA RK 20-177

Beschikking van 5 november 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. O. Arslan te 's-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. M.F. Hulsebosch te Amsterdam.

Partijen worden hierna [verzoeker] en NN genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 17 juni 2020 ter griffie binnengekomen verzoekschrift, met producties,

  • -

    de tussenbeschikking van 23 juli 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast en

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 oktober 2020 met de daarin genoemde stukken, waaronder het verweerschrift met producties.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 27 september 2014, toen hij reed op zijn scooter, betrokken geraakt bij een ongeval met een auto. De rechtsvoorgangster van NN, Delta Lloyd als verzekeraar van de bestuurder van de auto, heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval voor [verzoeker] erkend.

2.2.

Partijen zijn op enig moment na het ongeval in overleg getreden over de afwikkeling van de schade. Zij zijn toen niet gekomen tot een gezamenlijke oplossing voor hun geschil.

2.3.

[verzoeker] heeft op 12 februari 2018 een dagvaarding uitgebracht en onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat Delta Lloyd aansprakelijk is voor de schade ten bedrage van € 80.000,-, begroot en vastgesteld door Laumen Expertise, met veroordeling van Delta Lloyd in de proceskosten, waaronder de kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden.

2.4.

Deze rechtbank heeft bij vonnis van 21 november 2018 de vordering tot betaling van € 80.000,- afgewezen. De rechtbank heeft onder meer overwogen:

“(…)

4.1. (…)

Het is daarbij aan [verzoeker] om aan te tonen wat die schade is en dat die schade het gevolg van de aanrijding is. (…)

4.5. (…)

De rechtbank ziet niet in hoe hieruit kan worden afgeleid dat [verzoeker] bij de aanrijding in september 2014 (en net bijvoorbeeld bij het ongeval van enkele weken eerder, of op een heel ander moment in zijn leven) de in juni 2015 geconstateerde doorgemaakte bekkenbreuken heeft opgelopen. (…)

4.7. (…)

Tot wat voor beperkingen en vervolgens tot wat voor schadeposten of welk bedrag aan schade de angstklachten hebben geleid, heeft [verzoeker] niet gesteld of verklaard.

4.8.

In de dagvaarding is ook niet vermeld tot welke beperkingen in zijn dagelijks leven en het arbeidsproces de door [verzoeker] en zijn familie gemelde lichamelijke en geestelijke klachten precies voor hem leiden. (…) Dat dit niet goed functioneren allemaal het gevolg is van de aanrijding, wordt door Delta Lloyd gemotiveerd betwist. De geneeskundig adviseur van Triage heeft gerapporteerd dat de blaasklachten het grootste probleem zijn. Volgens Delta Lloyd leiden die alleen tot ongemak (…) maar hoeven de blaasklachten hem niet in zijn functioneren te beperken. [verzoeker] heeft dat niet tegengesproken.

4.9.

Conclusie moet zijn dat de rechtbank in deze procedure alleen met betrekking tot de gebroken teen en het moeizame en niet complete herstel daarvan kan oordelen dat de schade die [verzoeker] daardoor heeft geleden door Delta Lloyd moet worden vergoed. Uit welke posten die schade bestaat, heeft [verzoeker] niet gesteld. De enkele verwijzing naar de berekening van Laumen (…) is volstrekt onvoldoende. Het is niet uit te sluiten dat er schadeposten zijn die nog moeten worden vergoed, maar die had [verzoeker] dan anders moeten presenteren aan de rechtbank en aan Delta Lloyd. Door te procederen zoals (de advocaat van) [verzoeker] heeft geprocedeerd, kan Delta Lloyd haar recht om er verweer tegen te voeren niet uitoefenen, en daardoor kan de rechtbank er niet over oordelen. Omdat [verzoeker] , tot slot, ook niet heeft tegengesproken dat de materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de gebroken teen heeft geleden al is vergoed door de voorschotbetalingen, moet de rechtbank ervan uitgaan dat Delta Lloyd alle schade inderdaad heeft vergoed.

4.10.

Dit betekent dat de vordering tot betaling van € 80.000,00 moet worden afgewezen. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek, met instemming van NN, gewijzigd. [verzoeker] verzoekt om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

I. voor recht te verklaren dat aan het vonnis van 21 november 2018 geen gezag van gewijsde toekomt met betrekking tot de urologische problematiek en

II. de kosten ex artikel 1019aa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te begroten op € 6.344,03, te vermeerderen met griffierecht, en NN te veroordelen in die kosten.

3.2.

Aan het verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat de rechtbank in haar vonnis van 21 november 2018 geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de urologische problemen die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft. Aan de beslissing uit het vonnis komt, voor wat betreft de urologische problematiek, geen gezag van gewijsde toe. [verzoeker] heeft belang bij een beslissing op het geschil tussen partijen. Bij toewijzing van het verzoek dienen partijen de buitengerechtelijke onderhandelingen op te pakken en kunnen partijen tot een vaststellingsovereenkomst komen.

3.3.

NN voert verweer. Volgens NN heeft de rechtbank in het vonnis van 21 november 2018 een algehele inhoudelijke beoordeling gegeven. Aan de beslissing komt gezag van gewijsde toe.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dat artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen op te pakken en mogelijk af te ronden.

4.2.

Volgens NN is [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Met het vonnis van 21 november 2018 (hierna: het vonnis) is de zaak definitief afgedaan. Alle schade van [verzoeker] is vergoed. Tussen partijen zullen dan ook geen buitengerechtelijke onderhandelingen worden opgestart, aldus NN.

4.3.

Het verzoek strekt ertoe dat voor recht wordt verklaard dat aan het vonnis geen gezag van gewijsde toekomt. Dit verzoek valt binnen de beschrijving van artikel 1019w Rv. De beantwoording van de vraag naar het gezag van gewijsde kan partijen verder helpen. Indien de rechtbank in het kader van dit deelgeschil oordeelt dat het verzoek toewijsbaar is, zullen partijen in overleg kunnen treden over de urologische problemen van [verzoeker] en de vraag of de klachten en eventuele beperkingen kunnen worden gerelateerd aan het ongeval. De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] daarom inhoudelijk beoordelen.

Gezag van gewijsde

4.4.

Op grond van artikel 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen partijen bindende kracht. Een van de achterliggende gedachten achter de rechtsfiguur gezag van gewijsde is dat aan al het procederen eens een einde moet komen en dat het tot rechtsonzekerheid leidt als partijen over hetzelfde geschil eindeloos door kunnen blijven procederen.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat het geschil ten aanzien van de gebroken grote teen en de schade ten gevolge daarvan definitief is beslecht. In dit geschil gaat het om de urologische problematiek en de vraag of de rechtbank daarover heeft beslist in haar vonnis. Niet is in geschil dat het gaat om dezelfde rechtsbetrekking. Tegen het vonnis staat geen gewoon rechtsmiddel meer open. Aan het vonnis komt dan ook kracht van gewijsde toe.

4.6.

In de eerste procedure, die heeft geleid tot het vonnis, heeft [verzoeker] een verklaring voor recht gevorderd inhoudende dat de rechtsvoorgangster van NN aansprakelijk is voor de schade ten bedrage van € 80.000,-. Daaronder viel tevens de schadepost met betrekking tot de urologische problematiek. [verzoeker] heeft daarover een oordeel van de rechter gevraagd. De rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat het aan [verzoeker] is om te stellen en zo nodig te bewijzen welk letsel [verzoeker] heeft opgelopen, tot welke beperkingen dit heeft geleid en welke schadeposten zijn veroorzaakt door die beperkingen. De rechtbank heeft vervolgens onder meer geoordeeld dat de schade die [verzoeker] heeft geleden door de gebroken grote teen moet worden vergoed en beslist over de door [verzoeker] gevorderde kosten ter vaststelling en verhaal van schade. Tegenover de betwisting door Delta Lloyd, kon de rechtbank niet vaststellen dat de andere door [verzoeker] gestelde klachten het gevolg zijn van het ongeval. In r.o. 4.8 heeft de rechtbank een inhoudelijk oordeel gegeven over de gestelde beperkingen, ook met betrekking tot de urologische problemen.

Het betoog van [verzoeker] dat de rechtbank niet heeft geoordeeld over andere schadeposten, gaat dan ook niet op. [verzoeker] heeft, zo kan uit het vonnis van de rechtbank worden afgeleid, niet aan de stelplicht voldaan. Daarmee heeft de rechtbank op het voorliggende geschilpunt een inhoudelijke beslissing genomen. Van de situatie waarin de rechtbank niet aan een beoordeling van het geschilpunt is toegekomen, bijvoorbeeld wegens een gebrek in de dagvaarding of niet-ontvankelijkheid van de eisende partij in zijn verzoek, is geen sprake. Aan de beslissing komt bindende kracht toe tussen partijen, zodat daarop niet meer kan worden teruggekomen.

4.7.

Het beroep van NN op het gezag van gewijsde slaagt, zodat het verzoek onder I wordt afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.8.

Ter zake van de verzochte kostenbegroting en- veroordeling overweegt de rechtbank het volgende. Een kostenveroordeling zal worden afgewezen nu niet is komen vast te staan dat NN aansprakelijk is voor de schade als gevolg van urologische problematiek. Dat staat niet in de weg aan begroting van de kosten. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt, dient te begroten. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

4.9.

Volgens NN is sprake van strijd met de goede procesorde en is het deelgeschil volstrekt ten onrechte ingesteld. Over de rechtsvraag heeft de rechtbank reeds eerder beslist en aan het geschil van partijen is definitief een einde gekomen. Een kostenbegroting dient daarom achterwege te blijven, aldus NN.

4.10.

Bij de begroting van de kosten dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de

hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. Mr. Arslan heeft verklaard dat hij 20 uren aan de zaak heeft besteed. Hij heeft echter geen urenspecificatie in het geding gebracht, ook niet nadat NN in haar verweerschrift, dat op 7 oktober 2020 en aldus geruime tijd vóór de mondelinge behandeling van het verzoek is ingediend, al kenbaar had gemaakt dat zij zich bij gebreke van een onderbouwing van de kosten daartegen niet kan verweren. Het had op de weg van mr. Arslan gelegen om zijn kosten nader te specificeren. Dat heeft hij niet gedaan. Het is echter evident dat mr. Arslan tijd heeft besteed aan het opstellen van het verzoekschrift, het lezen van het verweerschrift en het voorbereiden en bijwonen van de mondelinge behandeling. De rechtbank zal de kosten van het deelgeschil daarom begroten op € 1.482,25 (5 uren × € 245,-, te vermeerderen met 21% btw), te vermeerderen met het griffierecht van € 83,- en aldus op € 1.565,25. De verzochte kantoorkosten worden afgewezen nu deze geacht worden te zijn inbegrepen in het uurtarief van de advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

begroot de kosten van het deelgeschil op € 1.565,25 en

5.2.

wijst de overige verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2020.1

1 type: CEPH coll: