Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:6017

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
AWS 20_5859 en 20_5860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De gemeente mocht een vergunning verlenen voor de kap van een es in een achtertuin van een woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/5859 (beroep) en AMS 20/5860 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. D.R. van Ee).

Als vergunninghouder heeft aan het geding deelgenomen: [adviesbureau], te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van een es in de achtertuin van de woning aan de [adres 1] in Amsterdam. Hiertegen heeft - onder andere - verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door de heer [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordiger door zijn gemachtigde. Namens verweerder is ook verschenen de aan verweerder verbonden boomdeskundige, de heer [boomdeskundige] ( [boomdeskundige] ). Namens vergunninghouder is verschenen de heer [naam 2] .

Overwegingen

Kortsluiten

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Aanleiding van deze procedure en besluitvorming

2.1.

Verzoekster woont in de woning aan de [adres 2] . Nabij het perceel [adres 1] staan drie monumentale Italiaanse populieren. Eén van deze drie populieren staat tegen de erfgrens van perceel nummer [adres 3] . Voor deze populier heeft de heer [eigenaar] (de eigenaar van het pand aan de [adres 1] ) een Bomen Effecten Analyse (BEA rapport) laten verrichten door EKootree om te onderzoeken of de vergunde bouwwerkzaamheden (de realisatie van de kelder onder zijn woning) gevolgen heeft voor het voortbestaan van die populier.

2.2.

In deze procedure gaat het om een es. Deze es bevindt zich op een afstand van minder dan 50 cm van het perceel van verzoekster, heeft een hoogte van ruim 12 meter of meer en een stamomtrek van meer dan 90 cm. Deze es staat in de kwetsbare boomzone van de populier. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om die es te kappen zodat de tuin heringericht kan worden. Naar aanleiding van die aanvraag heeft verweerder [boomdeskundige] onderzoek laten doen naar de es. Uit het advies van [boomdeskundige] van 29 juni 2020 volgt dat de es geen bijzondere waarde heeft en dat de es een matige conditie heeft. [boomdeskundige] heeft daarom geadviseerd dat voor de es een kapvergunning kan worden afgegeven, met inachtneming van een herplantplicht waaraan uiterlijk april 2022 moet zijn voldaan. Dit advies heeft [boomdeskundige] in verband met de coronarichtlijnen uitgebracht op basis van schriftelijke informatie en foto’s. In de bezwaarfase heeft [boomdeskundige] de es op locatie gezien en kwam op basis daarvan tot de conclusie dat de conditie van de boom voldoende tot goed is maar dat hij ondanks bij zijn eerder gegeven standpunt blijft dat de es gekapt kan worden. Verweerder heeft de aan de vergunninghouder verleende omgevingsvergunning en de aan die vergunning verbonden voorwaarde, dat een nieuwe boom van minimaal 3e grootte (5 tot 8 cm) in de aanplantmaat 14 tot 16 cm wordt herplant, ook na bezwaar in stand gelaten.

Standpunt verzoekster

3. Verzoekster voert – kort samengevat – aan dat de es gezond is en dat de es in de kwetsbare boomzone van de populier staat. Vellen kan dus schade toebrengen aan de populier. De es heeft op meerdere vlakken waarde en alle belangen samen bezien, waaronder ook het feit dat zij door de es meer privacy heeft, maken dat de belangenafweging in het voordeel van de es moet uitvallen. Verder kan vergunninghouder niet aan de herplantplicht voldoen omdat de nieuwe boom alleen op de plaats van een vlier geplant kan worden.

Beoordeling voorzieningenrechter

4.1.

Op het verlenen van de omgevingsvergunning is de Bomenverordening 2014 van toepassing. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de kapvergunning van de es zijn de volgende artikelen uit de Bomenverordening 2014 relevant:

Artikel 5 Weigeringsgronden

1. De vergunning of jaarvergunning kan worden geweigerd in verband met:

a. de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

b. de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap;

c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

d. de waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid.

Artikel 7 Herplantplicht

1. Het college verbindt aan de vergunning en de jaarvergunning het voorschrift dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten.

2. Het college kan bepalen dat herplant geschiedt met een houtopstand die vergelijkbaar is met de gevelde houtopstand.

3. …

4. Bij voorgeschreven herplant wordt aangegeven binnen welke termijn en op welke wijze niet aangeslagen beplanting moet worden vervangen.

4.2.

Uit de Toelichting bij artikel 5 van de Bomenverordening blijkt onder andere dat bij een aanvraag tot vellen van een houtopstand een afweging zal moeten worden gemaakt van alle betrokken belangen, zowel de belangen die de aanleiding voor de aanvraag vormen als de belangen tot behoud van de houtopstand. De criteria die in artikel 5 worden genoemd zijn bedoeld om deze afweging zo goed mogelijk te kunnen maken. De weigeringsgronden zijn niet dwingend bepaald; als de houtopstand aan één of meer van de criteria voldoet betekent dat dus niet automatisch dat de vergunning of jaarvergunning moet worden geweigerd.

5.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig is genomen. Verweerder heeft het bestreden besluit namelijk gebaseerd op de adviezen van de boomdeskundige [boomdeskundige] . Niet is gebleken dat er gebreken kleven aan deze adviezen. Op de zitting heeft [boomdeskundige] duidelijk gemaakt dat hij het BEA rapport heeft gelezen. Wat daarin staat komt overeen met zijn eigen conclusies en bevindingen over de kwetsbare boomzone. Voorts is [boomdeskundige] ter plaatse geweest om de situatie te bekijken en heeft toen geconstateerd dat de es in een betere conditie verkeert dan hij op basis van de op schrift gestelde informatie en foto’s had aangenomen. Deze constatering heeft echter niet tot een andersluidend advies geleid. [boomdeskundige] handhaaft zijn conclusie dat de es geen waarde heeft zoals genoemd onder a tot en met d van het eerste lid van artikel 5 van de Bomenverordening 2014 en dus gekapt kan worden. Zowel verweerder als de voorzieningenrechter mogen afgaan op de deskundigheid van [boomdeskundige] . Omdat er geen weigeringsgronden van toepassing zijn op de es, heeft verweerder vergunninghouder de omgevingsvergunning voor het kappen van de es in de achtertuin van de woning aan de [adres 1] kunnen verlenen.

5.2.

Gelet op het advies van [boomdeskundige] en de toelichting van vergunninghouder en [boomdeskundige] op de zitting, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet onredelijk is dat verweerder het belang van vergunninghouder bij het kappen van de es zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoekster bij het behoud van de es. Dat het hier om een gezonde boom gaat en er nog geen concreet plan tot herinrichting van de tuin aanwezig is, maakt het voorgaande niet anders.

5.3.

De voorzieningenrechter ziet, anders dan verzoekster, geen reden om aan te nemen dat vergunninghouder niet zal en kan overgaan tot uitvoering van de herplant zoals is voorgeschreven in de kapvergunning. De vergunninghouder heeft op de zitting benadrukt dat hij aan de herplantplicht zal voldoen maar dat hij nog niet weet waar de herplant precies zal komen. De vergunninghouder gaat daarmee pas aan de slag zodra deze procedures zijn afgelopen. De vergunninghouder weerspreekt dat hij zou hebben gezegd dat de nieuwe boom alleen op de plaats van de vlier geplant kan worden. De voorzieningenrechter merkt op dat het dossier geen uitsluitsel biedt hoe invulling zal worden gegeven aan de herplantplicht. Als in de toekomst zou blijken dat de herplantplicht niet wordt nageleefd, dan kan verzoekster dit melden bij verweerder. Boomdeskundige [boomdeskundige] heeft op de zitting toegelicht dat de gemeente het voornemen heeft om er strenger op toe te zien dat de herplantplicht daadwerkelijk wordt nageleefd.

Conclusie

6.1.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

6.2.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

In de zaak AMS 20/5859:

- verklaart het beroep ongegrond.

In de zaak AMS 20/5860:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.H.M. Hussien, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.