Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5972

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
13/751673-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB België, overlevering toegestaan, toestemming voor verderlevering, IND advies-artikel 6, lid 5, OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751673-20

RK nummer: 20/3814

Datum uitspraak: 26 november 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 augustus 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 4 augustus 2020 door het parket van de procureur des Konings Antwerpen – afdeling Turnhout (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

verblijfsadres: [adres] te [woonplaats] ,

uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 16 oktober 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 oktober 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman,

mr. G.J.P. Mooren, advocaat te Goirle.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst tot de zitting van 12 november 2020 om 09:45 uur, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen toestemming van de Italiaanse autoriteiten te verkrijgen voor de verderlevering van de opgeëiste persoon.

Zitting 12 november 2020

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 12 november 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,

mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.J.P. Mooren, advocaat te Goirle, die aanwezig was via een telefoonverbinding.

De rechtbank heeft de beslistermijn met 30 dagen en voor onbepaalde tijd verlengd.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst tot de zitting van 26 november 2020 om 12.00 uur, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om te zorgen voor een Nederlandse vertaling van een door de Italiaanse autoriteiten verstrekt document dat zou zien op toestemming voor de verderlevering van de opgeëiste persoon.

Zitting 26 november 2020

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 26 november 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officieren van justitie

mrs. J.J.M. Asbroek en K. van der Schaft. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.J.P. Mooren, advocaat te Goirle, die aanwezig was via een telefoonverbinding.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Servische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen – afdeling Antwerpen van 28 oktober 2016, vonnisnummer: 2016/4318.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 12 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel d) van het EAB het volgende vermeld:

“De beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar

- de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en

- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en

- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet (namelijk 15 dagen) of hoger beroep aan te tekenen (namelijk 30 dagen).”

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. Dit betekent dat ook de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, OLW niet van toepassing is.

5 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op:

- poging tot diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft doormiddel van inklimming.

6 Artikel 6, lid 5, OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling wordt ingevolge artikel 6, tweede lid, van de OLW niet toegestaan indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

  1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

  2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

  3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

De opgeëiste persoon heeft de Servische nationaliteit en beschikt over een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Ook heeft Nederland rechtsmacht over het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht. Er is dus voldaan aan de eerste twee vereisten van artikel 6, vijfde lid, van de OLW.

Met betrekking tot het derde vereiste overweegt de rechtbank het volgende. Het is niet aan de overleveringsrechter om ten gronde te beoordelen of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest als gevolg van een veroordeling voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. In het geval van de beoordeling van het verlies van het verblijfsrecht heeft de wetgever de overleveringsrechter opgedragen hierover een ‘voorlopig’ oordeel te geven. De overleveringsrechter kan, en moet zich beperken tot de vraag of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De IND heeft op verzoek van de officier van justitie het volgende bericht:

“In antwoord op uw adviesverzoek van 28 september 2020 bericht ik u dat de

strafrechtelijke feiten er naar mijn verwachting toe leiden dat de heer [opgeëiste persoon]

zijn verblijfsvergunning verliest.

Betrokkene is in Nederland geboren en heeft volgens uw gegevens de

Servische nationaliteit. Sinds 9 november 1999 is hij in het bezit van een

reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Voor zover nog kan worden

nagegaan, gaat het oorspronkelijk verblijfsrecht (ook van de ouders) terug tot

uiterlijk 1990. Van 5 januari 1990 tot 12 september 2007; van 8 april 2010 tot

19 mei 2011 en van 29 januari 2013 tot 11 september 2015 was hij in de

Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) ingeschreven op woonadressen.

Tussen 11 september 2015 en 1 augustus 2017 luidde de registratie

‘niet-ingezetene’; vervolgens was er weer een woonadres tot 2 augustus 2018

en sindsdien is de heer [opgeëiste persoon] weer ‘niet-ingezetene’. Kortelings is een

procedure gestart om de verblijfsvergunning in te trekken wegens verplaatsing

van het hoofdverblijf buiten Nederland.

Een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan op basis van

artikel 21, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet op grond van de

openbare orde worden ingetrokken indien de vreemdeling onherroepelijk is

veroordeeld wegens een misdrijf met een maximumstraf van drie jaar

gevangenis of meer. Getoetst wordt aan de zogenoemde glijdende schaal in

artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit. Die relateert de opgelegde

gevangenisstraf aan de verblijfsduur: hoe korter het verblijf, hoe korter de

toegelaten gevangenisstraf.

Aan uw brief ontleen ik dat de Belgische strafrechter in 2016 bij verstek een

gevangenisstraf van twaalf maanden heeft uitgesproken. Op 21 juli 2014 heeft

de heer [opgeëiste persoon] gepoogd een inbraak te plegen.

Naar Nederlands recht zou overtreding van artikel 311, lid 1, aanhef en onder

3 en 5 juncto artikel 311, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht aan de orde

zijn. De maximumstraf is negen jaar gevangenis. In een gelijk geval in

Nederland eist het openbaar ministerie zeven maanden cel.

Zoals u vermeldt, is er in Nederland een aanzienlijk strafblad. Er zijn meerdere

misdrijven en overtredingen. Er zijn gewelds- en vermogensdelicten en het

strafblad vermeldt onder meer een gevangenisstraf van vijf jaar en van

twaalf maanden. Ook is een ISD-maatregel opgelegd.

Op basis van deze gegevens acht ik intrekking van de verblijfsvergunning

mogelijk. Ten aanzien van de glijdende schaal ga ik uit van een verblijfsduur

van meer dan vijftien jaar. Volgens artikel 3.86, lid 4 en 5, van het

Vreemdelingenbesluit is bij deze verblijfsduur een (totale) gevangenisstraf van

veertien maanden toelaatbaar. Deze norm wordt ruim overschreden.

Artikel 3.86, lid 10, van het Vreemdelingenbesluit staat niet aan intrekking in

de weg. Dit artikellid stelt aanvullende eisen ten aanzien van de ernst van de

misdrijven als de vreemdeling langer dan tien jaar in Nederland verblijft. In het

onderhavige geval stel ik vast dat de heer [opgeëiste persoon] zich schuldig heeft gemaakt

aan misdrijven als bedoeld in artikel 22b, lid 1, aanhef en onder a, van het

Wetboek van Strafrecht. Blijkens het vonnis van de Meervoudige kamer

Zeeland/ West-Brabant van 22 juli 2016 perste hij het slachtoffer ‘tijdens de

nachtelijke uren’ af door ‘hem tweemaal op het hoofd te stompen’. Afgezien

van de angst ondervond de man ‘pijn en letsel (…) waarvoor hij zich heeft

moeten laten behandelen in het ziekenhuis’. Blijkens het vonnis van de

rechtbank Breda van 29 april 2002 is hij samen met een ander met geweld een

woning binnengedrongen. Betrokkene vroeg de bewoner om geld en heeft ‘zijn

eis kracht bijgezet door de man een vuurwapen tegen zijn hoofd te drukken en

zowel de man als zijn echtgenote te slaan’. Ook haalde hij ‘het zesjarig

dochtertje van het gezin, die in haar slaapkamer lag te slapen, naar beneden’.

Ook dit meisje kreeg het vuurwapen tegen het hoofd gedrukt, ‘duidelijk

zichtbaar voor haar ouders’. De psychische schade die het gezin heeft

opgelopen, mocht volgens de rechtbank niet onderschat worden.

Naar het arrest van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

van 17 juni 2020 (201905185/1/V1) verwijzend, vermeld ik nog dat intrekking

van het verblijfsrecht evenmin stuit op artikel 21, lid 4, van de

Vreemdelingenwet. Dit lid bepaalt dat een aanvraag om een

verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd alleen op grond van de openbare orde

wordt afgewezen (voor zover hier relevant) als aan de hier geboren

vreemdeling ten minste een veroordeling wegens drugshandel van meer dan

zestig maanden gevangenis is opgelegd. Maar als een aldus beschermde

tweede-generatie-vreemdeling na verkrijging van de verblijfsvergunning voor

onbepaalde tijd en als meerderjarige opnieuw een misdrijf pleegt, biedt het

artikellid geen bescherming meer en behoort intrekking alleszins tot de

mogelijkheden.

In de uiteindelijke besluitvorming over intrekking van de verblijfsvergunning

zullen de persoonlijke feiten en omstandigheden worden betrokken.

Beoordeeld moet worden of de duur van het verblijf, de leeftijd, de

gezondheidstoestand, de gezinssituatie, de economische situatie, de sociale en

culturele integratie en/of de binding met het land van herkomst wellicht tot

een andere uitkomst leiden. Vooralsnog zijn geen omstandigheden bekend die

zich tegen verblijfsbeëindiging verzetten.

De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat, gelet op dit bericht van de IND, ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Er is dus niet voldaan aan de derde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander, zodat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW.

7 Verderlevering van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon is vanuit Italië aan Nederland overgeleverd. Voor verderlevering aan België is op grond van artikel 28, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ, toestemming vereist van de Italiaanse autoriteiten. Deze toestemming is op 12 november 2020 gegeven door the Court of Appeal of Brescia.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toegepaste artikelen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 12 Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan het parket van de procureur des Konings Antwerpen – afdeling Turnhout (België).

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 november 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.