Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5909

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
13/051671-20 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man is veroordeeld tot 100 uur voorwaardelijke taakstraf omdat hij op 26 februari 2020 in Amsterdam een straatcoach met een schroevendraaier in zijn bovenlichaam stak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/051671-20 (Promis)

Datum uitspraak: 1 december 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]

inschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] [woonplaats] ,

verblijvende op het adres [verblijfadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 september 2020 en 17 november 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.N. de Jager naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van wat de deskundigen R. Moamedi, verbonden aan stichting Care & Coaching en van wat [naam 4] , verbonden aan ’ [verblijfadres] , dagbesteding in oprichting, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 26 februari 2020 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. poging tot zware mishandeling van straatcoach [slachtoffer 1] door hem met een schroevendraaier in het bovenlichaam te steken. Indien dat niet bewezen kan worden, mishandeling van [slachtoffer 1] ;

2.
mishandeling van straatcoach [slachtoffer 2] door hem met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen;

3. bedreiging van straatcoaches [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door (naar zijn binnenzak waarin een nepvuurwapen zat te grijpen en) te zeggen: "Kom dan, ik mik op je, ik schiet op je, kom dan" en "Ik ga je schieten! Ik ga je trappen! Ik ga jullie steken! Ik bluf niet bro";

4.
belediging van politieambtenaar [naam 1] door te zeggen: "Kankerleijer", "Flikker", "Lik mijn balzak", "Je bent een echte politieagent zonder gevoel" en "Je bent een monster zonder gevoel";

5. voorhanden hebben van een veerdrukwapen dat sprekende gelijkenis vertoonde met een (echt) vuurwapen.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 26 februari 2020 zijn straatcoaches [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afgegaan op een melding met betrekking tot een overlastgevende groep jongeren in het Erasmuspark te Amsterdam. Zij hebben aldaar ook de groep waarbij verdachte zich bevond aangesproken. Dit heeft geleid tot een confrontatie tussen verdachte en de twee straatcoaches, die dusdanig is geëscaleerd dat de politie ter plaatse is gekomen en verdachte is aangehouden.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] met de daarbij gevoegde foto’s van de jas en de verklaring van [slachtoffer 2] .

De onder 2 ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] . Die aangifte wordt ondersteund door de verklaring van verdachte dat het goed zou kunnen dat hij, in zijn poging om los te komen, [slachtoffer 2] heeft getrapt alsook door de verklaring van verbalisant [naam 2]

Ten aanzien van feiten 3, 4 en 5 heeft de officier van justitie zich tevens op het standpunt gesteld dat die feiten kunnen worden bewezen.

3.3

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1: (poging tot zware) mishandeling van [slachtoffer 1]

Verdachte moet primair worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, voor het steken met de schroevendraaier. Ook kan op basis van het dossier, waarin zich geen letselverklaring bevindt, niet worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

De raadsvrouw heeft subsidiair een beroep op gedaan op noodweer. Verdachte moest zich verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de straatcoach [slachtoffer 1] , die dreigend op hem afkwam. Verdachte heeft pas stekende bewegingen gemaakt met de schroevendraaier, toen hij door [slachtoffer 1] op de grond was gegooid en meerdere stoten van hem in zijn gezicht zou hebben gekregen. Nu de wederrechtelijkheid aan verdachtes handelen ontbreekt, moet dat naar het oordeel van de raadsvrouw leiden tot vrijspraak. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweerexces. Doordat verdachte hevig geëmotioneerd was, heeft hij de grenzen van proportionaliteit overschreden.

Ten aanzien van feit 2: mishandeling van [slachtoffer 2]

Verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2] , omdat er geen andere bewijsmiddelen zijn die de aangifte van [slachtoffer 2] op dit punt ondersteunen. De raadsvrouw heeft subsidiair een beroep op gedaan op noodweer(exces).

Ten aanzien van feit 3: bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat verdachte de bedreigingen heeft geuit op het moment dat zij neus aan neus stonden. [slachtoffer 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat verdachte de bedreigingen heeft geuit op het moment dat hij gefixeerd op de grond lag. Voor beide momenten is daarom sprake van onvoldoende wettig bewijs. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van bedreiging van beide straatcoaches. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte de bewoordingen heeft gedaan in een emotionele ontlading en dat zij daarom niet de vrees hebben kunnen opwekken dat verdachte zijn bedreigingen zou uitvoeren. Dit zou ook moeten leiden tot vrijspraak.

Ten aanzien van feit 4: belediging van verbalisant [naam 1]

Belediging is een klachtdelict. Op grond van artikel 164 Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn deze delicten alleen op klacht vervolgbaar. In het dossier ontbreken een aangifte en klacht van verbalisant [naam 1] . Om die reden stelt de raadsvrouw zich primair op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging.

Subsidiair betoogt de raadsvrouw dat verdachte al zichtbaar gewond was toen hij plaatsnam in de politieauto. Het daarna door de verbalisant toegepaste geweld kan niet worden aangemerkt als gepleegd in de rechtmatige uitoefening van zijn functie. De beledigingen die hem daarna zijn aangedaan, dienen daarom niet te worden gezien als belediging van een ambtenaar in functie, maar als een belediging in de zin van artikel 266 Wetboek van Strafrecht (Sr).

Ten aanzien van feit 5: vuurwapenbezit

Verbalisant [naam 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] uit de binnenzak van verdachte een vuurwapen heeft gehaald. Artikel 52 Wet wapens en munitie (WWM) kent de fouilleringsbevoegdheid alleen toe aan een opsporingsambtenaar. De voornoemde straatcoach was om die reden dus niet bevoegd tot fouillering. Dit betreft een onherstelbaar vormverzuim, waardoor het proces-verbaal van verbalisant [naam 2] en het ten gevolge daarvan aangetroffen bewijs met betrekking tot het aangetroffen wapen dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

3.4

Oordeel van de rechtbank

3.4.1

Vrijspraak van feit 2: mishandeling van [slachtoffer 2]

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij met zijn collega straatcoach [slachtoffer 1] verdachte naar de grond heeft gewerkt. Zij hebben zijn handen en voeten vastgehouden, zodat verdachte zich niet meer kon bewegen en hen niet meer kon verwonden. Aangever wilde de politie inschakelen en heeft om te bellen één van verdachtes voeten los gelaten. Direct daarop voelde hij dat verdachte hem een harde schop tegen de rechterkant van zijn hoofd gaf. Bij de aangifte zijn foto’s gevoegd.

De rechtbank stelt vast dat de aangifte van [slachtoffer 2] geen steun vindt in het dossier, nu in de aangifte van [slachtoffer 1] niet is gerelateerd dat verdachte [slachtoffer 2] zou hebben geschopt en verbalisant [naam 2] ‘slechts’ verklaart over een poging schoppen door verdachte nadat hij ter plaatse is gekomen Het schoppen door verdachte waar de aangever op doelt, zou zich echter voor de komst van de politie ter plaatse hebben afgespeeld. Bovendien kan de rechtbank op grond van de bij de aangifte gevoegde foto’s geen letsel aan het hoofd van aangever vaststellen.

Verdachte heeft hierover op de zitting van 17 november 2020 verklaard dat hij probeerde los te komen uit de greep van de straatcoaches en dat het zou kunnen dat hij aangever daarbij heeft geraakt. De rechtbank merkt deze verklaring, anders dan de officier van justitie, niet aan als een bekennende verklaring. De verklaring van verdachte kan de aangifte daarom niet ondersteunen. Het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, kan ingevolge artikel 342 Sv, niet worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Verdachte zal daarom van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs.

3.4.2

Vrijspraak van feit 3: bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 2] een praatje heeft gemaakt met de groep jongeren in verband met een overlastmelding in het park en één en ander vervolgens uitmondde in een discussie met verdachte. Toen zij weg wilden fietsen hoorde aangever een rochelend geluid. Toen hij zich omdraaide zag hij verdachte steeds dichterbij komen en hoorde hij hem roepen: "Kom dan, ik mik op je, ik schiet op je, kom dan!". Hierop volgden, kort gezegd, de stekende bewegingen, de worsteling en het op de grond fixeren van verdachte.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij zijn weggelopen om te voorkomen dat de situatie verder zou escaleren. Zij zijn omgedraaid toen zij verdachte hoorden spugen. Hierop zou verdachte naar [slachtoffer 1] zijn toegelopen en maakte daarbij stekende bewegingen met een schroevendraaier. Zij hebben verdachte naar de grond gewerkt. Toen verdachte op de grond was gefixeerd begon hij te dreigen door te zeggen: "Ik ga je schieten! Ik ga je trappen! Ik ga jullie steken! Ik bluf niet bro!".

De rechtbank stelt vast dat de aangevers elk over een ander moment verklaren waar op de bedreiging hen is aangedaan. De aangiftes kunnen elkaar daarom niet ondersteunen.

Verdachte heeft de bedreiging van de straatcoaches ontkend. Nu ook in het overige bewijs geen steun kan worden gevonden voor de bedreiging van de straatcoaches, moet verdachte daarvan worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs.

3.4.3

Oordeel over feit 1: (poging tot zware) mishandeling van [slachtoffer 1]

Oordeel over het feit

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte op hem afkwam en dat zij bijna neus aan neus tegenover elkaar kwamen te staan. Hij heeft hierop verdachte van hem afgeduwd. Verdachte haalde uit met zijn rechterhand, maar raakte aangever daarbij niet. Daarna maakte verdachte zwaaiende bewegingen met een scherp voorwerp, dat later een schroevendraaier bleek te zijn. Er ontstond een worsteling en tijdens deze worsteling bleef verdachte stekende bewegingen maken. Aangever heeft, om verdachte van zich af te houden, hem geslagen in zijn gezicht. Aangever blijkt te zijn gestoken in zijn linker onderarm, linker schouder en linker kant van mijn romp. Bij de aangifte zijn foto’s gevoegd van de jas en het letsel van aangever.

De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] , die heeft verklaard dat verdachte op [slachtoffer 1] afliep en met een schroevendraaier in de hand steekbewegingen maakte in de richting van diens hoofd.

De verklaring van verdachte dat hij pas stekende bewegingen heeft gemaakt toen hij op de grond lag en dat deze enkel waren gericht op de benen van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank in het licht van de overige bewijsmiddelen niet aannemelijk. De lezing van de straatcoaches past bij het letsel van aangever en de verklaring van verdachte niet. De rechtbank schuift de verklaring van verdachte terzijde en acht bewezen dat verdachte met een schroevendraaier heeft gestoken in de richting van [slachtoffer 1] .

De rechtbank is van oordeel dat het op willekeurige wijze steken met een schroevendraaier naar en in het lichaam van aangever [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen opleveren. Verdachte heeft door met die wetenschap met een schroevendraaier meermalen te steken in het bovenlichaam van aangever, de aanmerkelijke kans aanvaard dat zulk letsel zou kunnen intreden. Daarmee acht de rechtbank de poging zware mishandeling bewezen.

Noodweer

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de verklaringen van de straatcoaches, de gedragingen van de aangever niet kunnen worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen. Uit de verklaringen volgt dat verdachte zelf de confrontatie met de straatcoaches heeft opgezocht. Kort daarvoor hebben de straatcoaches hem weliswaar aangesproken op zijn gedrag, maar dat is niet te kwalificeren als een aanranding en daarbij is ook geen onmiddellijk dreigend gevaar ontstaan. De rechtbank acht in dat licht mede van belang dat de straatcoaches bezig waren zich te onttrekken aan de situatie, om verdere escalatie te voorkomen. Verdachte heeft de straatcoaches op dat moment echter zelf opnieuw benaderd en fysiek aangevallen. Het verweer wordt verworpen. Nu geen sprake was van een noodweersituatie, komt verdachte ook geen beroep op noodweerexces toe.

De rechtbank overweegt in verband hiermee dat de straatcoaches, nadat verdachte hen opnieuw agressief benaderde, buitengewoon hard hebben aangepakt en op enig moment tijdens zijn aanhouding heeft verdachte onder meer een gebroken oogkas opgelopen, , hetgeen in strafverlagende zin tot uitdrukking zal worden gebracht in de strafmaat.

3.4.4

Oordeel over feit 4: belediging van [naam 1]

Klachtdelict

De rechtbank stelt voorop dat belediging alleen op klacht vervolgbaar is. Er bevindt zich geen proces-verbaal van aangifte of klacht in het strafdossier. Verbalisant [naam 1] heeft echter wel in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen de officier van justitie verzocht om over te gaan tot vervolging van de verdachte ter zake belediging. De rechtbank is van oordeel dat uit dit bewijsmiddel onmiskenbaar volgt dat hij wil dat verdachte wordt vervolgd. Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Oordeel over het feit

De rechtbank acht op grond van het proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [naam 1] en [naam 3] bewezen dat verdachte [naam 1] heeft beledigd. Verdachte heeft dit feit ook ter terechtzitting van 17 november 2020 bekend.

Rechtmatige uitoefening

Voor zover de raadsvrouw betoogt dat verbalisant [naam 1] niet handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, overweegt de rechtbank het volgende. Het door verbalisant [naam 1] toegepaste geweld vond plaats in een politievoertuig tijdens het transport van verdachte naar het politiebureau en betrof het vastpakken en wegdraaien van het gezicht van verdachte;. Het geweld was een reactie op het hevige verzet van verdachte dat met name bestond uit beledigen, spugen en bijten.

De rechtbank is van oordeel dat verbalisant [naam 1] fors geweld heeft toegepast als reactie op de emotionele staat van verdachte, met name nu verdachte al letsel had bekomen tijdens de confrontatie met de straatcoaches. De rechtbank is echter van oordeel dat dit geweld niet een dusdanig buitensporige reactie is geweest dat de verbalisant niet meer werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte de belediging heeft aangedaan aan een ambtenaar, te weten verbalisant [naam 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De rechtbank zal ook hier het agressieve optreden door de verbalisant tot uitdrukking brengen in de strafmaat.

3.4.5

Oordeel over feit 5: vuurwapenbezit

Uit het proces-verbaal van verbalisant [naam 2] volgt dat, terwijl hij verdachte boeide, één van de straatcoaches een vuurwapen uit de binnenzak van de jas van verdachte te voorschijn haalde. Dit bleek een imitatie vuurwapen, dat zeer goed gelijkend was op een echt vuurwapen.

Straatcoaches zijn geen opsporingsambtenaren, daarom komt hen op grond van artikel 52 WWM geen fouilleringsbevoegdheid toe. Nu de straatcoach het vuurwapen heeft afgepakt, terwijl de verbalisant verdachte boeide, is de rechtbank van oordeel dat het fouilleren heeft plaatsgevonden onder regie van een opsporingsambtenaar. Zo bezien is geen aanzienlijke inbreuk gemaakt op het wettelijk voorschrift en is het belang van het wettelijke voorschrift, te weten het beschermen van de lichamelijke integriteit, niet geschonden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarom door de fouillering door de straatcoach niet werkelijk in zijn verdediging is geschaad. Het verweer faalt. Er is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Voornoemd proces-verbaal dat is opgemaakt door [naam 2] zal dan ook niet van het bewijs worden uitgesloten.

De rechtbank acht op grond van het proces-verbaal van verbalisant [naam 2] en het ‘proces-verbaal van onderzoek wapen’ bewezen dat verdachte een wapen van categorie I voorhanden heeft gehad. Daarbij komt dat verdachte ten aanzien van dit feit ook een bekennende verklaring heeft afgelegd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 26 februari 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, meerdere malen, met een schroevendraaier, in de onderarm en schouder en romp van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

op 26 februari 2020 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 1] , hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Kankerleijer" en "Flikker" en "Lik mijn balzak" en "Je bent een echte politieagent zonder gevoel" en "Je bent een monster zonder gevoel";

5.

op 26 februari 2020 te Amsterdam, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een veerdrukwapen voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

Mede in het licht van de voorstaande verwerping van het beroep op noodweer, in verband met het onder feit 1 bewezen verklaarde, zijn de bewezen geachte feiten volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair, 2, 3, 4, en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uren met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarden zouden aan de proeftijd moeten worden verbonden dat verdachte zich laat begeleiden door stichting Care & Coaching en hij gedurende de proeftijd verblijft bij [verblijfadres] .

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht het Adolescentenstrafrecht toe te passen en daarbij uit te gaan van de LOVS jeugdstrafrecht oriëntatiepunten. Verder dient bij het bepalen van de strafmaat rekening te worden houden met het letsel van verdachte door het toegepaste geweld van de straatcoaches en verbalisant [naam 1] . Ook de onrechtmatige fouillering van verdachte door een straatcoach, indien dit niet leidt tot bewijsuitsluiting, zou moeten worden meegenomen in de strafoplegging. Ten slotte is van belang dat de positieve ontwikkeling die verdachte de afgelopen maanden bij ’ [verblijfadres] heeft doorgemaakt niet door de strafoplegging wordt doorbroken.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft meermalen met een schroevendraaier gestoken naar en tegen het bovenlichaam van een straatcoach. Verdachte heeft daarbij in het geheel niet stilgestaan bij de mogelijk ernstige gevolgen die hadden kunnen plaatsvinden. De rechtbank weegt in strafverhogende zin mee dat die straatcoaches daar enkel aanwezig waren vanwege hun werkzaamheden, namelijk het bevorderen van de veiligheid op straat. Verdachte had op dat moment bovendien ook een nepvuurwapen bij zich. Uit de aangiftes blijkt dat de straatcoaches mede daarom zo erg zijn geschrokken. Vervolgens is politie ter plaatse gekomen en heeft verdachte zich ook agressief opgesteld tegen de dienstdoende verbalisanten en daarbij een van hen beledigd. Ook hier ging het om een ambtenaar die enkel afkwam op een melding om verdachte naar het politiebureau te vervoeren.

De rechtbank weegt in strafverlagende zin mee dat verdachte veel en ernstig letsel heeft overgehouden aan het toegepaste geweld door de straatcoaches en verbalisanten. Namelijk onder meer een gebroken oogkas, een hersenschudding en een gekneusde hand. Aldus hebben zij hebben niet de-escalerend opgetreden tegen verdachte die op dat moment in een zeer emotionele staat verkeerde. Ook het feit dat verdachte is gefouilleerd door een straatcoach, die daar geen bevoegdheid toe heeft, weegt de rechtbank in strafverlagende zin mee.

De rechtbank heeft gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 augustus 2020. Waaruit blijkt dat verdachte geen recente veroordelingen heeft.

De rechtbank heet kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 17 juni 2020, opgemaakt door mevrouw M. Hamels. In het rapport staat, kort gezegd, de voorgeschiedenis van verdachte omschreven waaronder zijn problematische opvoedsituatie, de verslaafde ouders, de uithuisplaatsing en het verblijf op teintallen plekken bij meerdere pleeggezinnen en instellingen. Verdachte ervaart naar eigen zeggen veel stress en heeft moeite met het vertrouwen van mensen.

Verder heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 3 november 2020, opgemaakt door mevrouw

A. Neslo. De reclassering adviseert hierin het adolescentenstrafrecht toepassen, omdat zij mogelijkheden ziet voor pedagogische beïnvloeding vanuit de betrokken instellingen.

Het schorsingstoezicht loopt, als sinds het begin op 28 februari 2020, moeizaam. Verdachte is slecht bereikbaar of hij raakt in paniek wanneer hij contact heeft met de toezichthouder. Verdachte blijkt erg veel moeite te hebben om mensen te vertrouwen. Aangezien het contact met betrokkene zeer moeizaam verloopt onderhoudt de toezichthouder voornamelijk contact met de betrokken hulpverlening. Stichting Care & Coaching kan verdachte de juiste hulp bieden, echter de zorg die verdachte momenteel ontvangt niet voldoende alsmede financieel niet haalbaar voor de Stichting. Middels een aanvraag van een IBO (individuele betaalovereenkomst specialistische Jeugdhulp) bij de gemeente Amsterdam zou de heer

[verdachte] de juiste zorg geboden kunnen worden. Stichting Care & Coaching is momenteel aan het

onderzoeken hoe de adequate hulp voor betrokkene gefinancierd kan worden. Verdachte verblijft ondertussen in [verblijfadres] , zodat hij nu wel dagelijks begeleiding ontvangt en dagbesteding heeft. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.

De rechtbank heeft ook het e-mailbericht van 12 november 2020 van [naam 4] van ’ [verblijfadres] , dagbesteding in oprichting gelezen. Hieruit volgt, kort gezegd, dat verdachte sinds 31 juli 2020 verblijft bij [verblijfadres] . Daaraan voorafgaand was hij een week eerder te voet vertrokken vanuit Amsterdam en was hij daar zowel mentaal als fysiek in slechte conditie aangekomen. ’ [verblijfadres] zorgt voor opvang, dagactiviteiten en een slaapplek. Verdachte is onderdeel gaan uitmaken van het gezin. Verdachte is zeer getraumatiseerd en vertrouwen in de mensheid, met name in hulpverlening, ontbreekt volledig. Verdachte vlucht op dit moment in alcohol, softdrugs en gamen. Door de maanden heen is er een proces gestart waardoor er positieve ontwikkelingen op het gebied van vertrouwen en zelfzorg te melden zijn. Hij heeft de kans nodig om zijn trauma’s te verwerken in een stabiele en liefdevolle omgeving. ’ [verblijfadres] adviseert dan ook dat verdachte bij hen blijft wonen.

R. Moamedi, verbonden aan Care & Coaching, heeft op de terechtzitting van 17 november 2020, kort gezegd, verklaart dat verdachte bij het [verblijfadres] een vrije en rustige plek heeft in de natuur. Dat pas goed bij verdachte. In Amsterdam zijn er voor hem teveel prikkels. Sinds verdachte in [verblijfadres] verblijft is hij minder onzeker en is zijn zelfvertrouwen gegroeid. De verblijfsvergoeding loopt momenteel via Persoonsgebonden Budget (PGB, maar die vergoeding is niet afdoende voor de begeleiding die verdachte nodig heeft. De Ibo-aanvraag bij de gemeente Amsterdam loopt nog. Vanuit een financieel perspectief zou het prettig zijn, dat indien verdachte wordt veroordeeld, het verblijf bij [verblijfadres] wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde en dat toezicht wordt gehouden door de reclassering.

[naam 4] , verbonden aan ’ [verblijfadres] , dagbesteding in oprichting, is ook op de terechtzitting van 17 november 2020, gehoord en persisteerde bij zijn e-mailbericht van 12 november 2020. Ter terechtzitting heeft hij verder benoemd dat verdachte, als uitzondering, zo bij het gezin hoort dat hij buiten de dagbesteding bij hen op het campingterrein kan verblijven. In verband hiermee werkt verdachte, naast de verschillende werkzaamheden voor de camping, ook aan een eigen houten huisje op het terrein. Verder benadrukt [naam 4] dat verdachte ondanks al zijn persoonlijke problematiek altijd open en eerlijk tegen hen is en zich in geen geval fysiek of verbaal agressief heeft opgesteld. Sterker, verdachte zou andere cliënten van de dagbesteding adviseren hoe zij zich verre kunnen houden van agressief gedrag naar anderen. Voor de financiering voor een langer verblijf van verdachte kan men eventueel ook terecht bij de gemeente [plaats] .

De rechtbank zal, gelet op voornoemde reclasseringsrapporten, het adolescentenstrafrecht toepassen en rekening houden met de oriëntatiepunten die het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor jeugd heeft opgesteld.

De rechtbank houdt verder in de strafoplegging rekening met de persoonlijke situatie van verdachte. De positieve weg die verdachte door middel van hulp van ’ [verblijfadres] is ingeslagen, wil de rechtbank niet doorkruisen. De rechtbank acht daarom een geheel voorwaardelijke taakstraf van 100 uren passend en geboden. Als bijzondere voorwaarde geldt dat verdachte gedurende de proeftijd van twee jaren moet verblijven bij ’ [verblijfadres] . Dit traject is reeds in gang gezet en de situatie zal voor verdachte in de praktijk dan ook niet wijzigen. De rechtbank zal geen reclasseringstoezicht opleggen, nu zowel de reclassering daar geen mogelijkheden toe ziet en verdachte niet gemotiveerd is om aan een dergelijk toezicht mee te werken.

8 Beslag

Onder verdachte zijn een schroevendraaier en een veerdrukpistool in beslag genomen.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen het onder 1 en 5 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 77c, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 266, 267 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en 13 en 55 Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling;

Ten aanzien van feit 4:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; en

Ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde verblijft bij ’ [verblijfadres] , dagbesteding in oprichting, aan de [verblijfadres] . Het verblijf duurt de gehele proeftijd. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling voor hem opstelt.

Voorwaarde daarbij is dat de veroordeelde gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 2020042237 – schroevendraaier, omschrijving: 5888918

- 20200422372 – wapen, omschrijving: 5888916, Merk: Dummy Launcher

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en R. Godthelp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2020.