Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5877

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
13/196877-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier vermogensdelicten. De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht over de persoon van verdachte. De rechtbank beveelt een aanvullend adviesrapport door de reclassering op te laten maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

TUSSENVONNIS

Parketnummers: 13/196877-20 (zaak A); 13/055628-20 (zaak B) en 13/680125-19 (tul)

Datum uitspraak: 25 november 2020

Tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] in [woonplaats] ,

feitelijk verblijfadres: [verblijfsadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit tussenvonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 november 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. P. J. van der Meij, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlasteleggingen

Aan verdachte is in zaak A – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1. diefstal met geweld van een tas van [aangever 1] op 29 juni 2020 in Amsterdam;

Feit 2. diefstal van een rugtas en andere spullen van [aangever 2] op 14 mei 2020 in Abcoude;

Feit 3. diefstal van geldbedragen van [aangever 2] door middel van een valse sleutel op 14 mei 2020 in Amsterdam en/of Diemen.

Aan verdachte is in zaak B – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich op 20 mei 2019 in Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1. diefstal van een iPhone en pinpas van [aangever 3] ;

Feit 2. diefstal van een geldbedrag van in totaal 2.177,10 euro van [aangever 3] door middel van een valse sleutel;

Feit 3. medeplegen van witwassen van een geldbedrag van ongeveer 2.130,- euro.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

3.1.1

Ten aanzien van zaak A

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van feit 1, omdat de aangifte onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten 2 en 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, gelet op de aangifte, de camerabeelden, de herkenningen door verbalisanten en de belastende verklaring van verdachte [naam] . Hierbij heeft de officier van justitie benadrukt dat kort na het stelen van de pinpassen van aangever meerdere contactloze betalingen met deze pinpassen werden gedaan. De verklaring van verdachte, dat verdachte [naam] verantwoordelijk is voor het onder feit 2 ten laste gelegde, acht de officier van justitie niet geloofwaardig.

3.1.2

Ten aanzien van zaak B

Op grond van de aangifte, de camerabeelden en de (deels) bekennende verklaring van verdachte, acht de officier van justitie alle ten laste gelegde feiten bewezen. Verdachte heeft het ten laste gelegde onder feit 1 volledig en het ten laste gelegde onder de feiten 2 en 3 gedeeltelijk bekend.

3.2

Standpunt van de raadsman

3.2.1

Ten aanzien van zaak A

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Verdachte past niet in het door aangever opgegeven signalement van de mogelijke dader. Daarnaast is verdachte niet te zien op de camerabeelden.

3.2.2

Ten aanzien van zaak B

De raadsman heeft, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van feit 1. Dit geldt ook voor het onder feit 2 ten laste gelegde, voor zover dit feit ziet op het contactloos pinnen met de gestolen pinpas van aangeefster. Wel heeft de raadsman als verweer aangevoerd dat verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij het overschrijven van geldbedragen van de rekening van aangeefster naar een andere rekening, omdat verdachte daarvoor niet de benodigde technische kennis heeft.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Ten aanzien van zaak A

Vrijspraak feit 1 (diefstal met geweld)

Uit de aangifte van [aangever 1] van 29 juni 2020 volgt dat de tas van aangeefster vanaf de passagiersstoel van haar auto werd weggenomen door de bestuurder van een auto, welke auto later op naam van de zus van verdachte bleek te staan. Aangeefster heeft nog geprobeerd om te voorkomen dat de bestuurder met diens auto wegreed. Zij raakte daarbij gewond. Verdachte heeft verklaard dat hij vaker de auto van zijn zus gebruikte, maar hij had haar auto die dag aan iemand uitgeleend.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet als (volstrekt) onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Het dossier bevat geen bewijs dat dit scenario weerspreekt. Bovendien volgt niet uit het dossier dat verdachte degene is geweest die op de camerabeelden van de diefstal te zien is. Verdachte zal daarom van feit 1 worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 2 (diefstal)

Op 15 mei 2020 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van diefstal. Hij heeft verklaard dat hij op 14 mei 2020 ontdekte dat zijn rugtas, die op de passagiersstoel van zijn bestelauto lag, was weggenomen. In deze rugtas zaten onder andere twee pinpassen en verrekijkers. Aangever had die dag bij zijn bestelauto een man gezien van ongeveer 1.90 meter lang met een blanke huidskleur. Later herkende aangever zijn gestolen verrekijkers op Marktplaats. Deze werden te koop aangeboden door een buurjongen van verdachte, genaamd [naam] . Verdachte heeft op de zitting verklaard dat niet hij, maar [naam] verantwoordelijk moet zijn geweest voor het stelen van de rugtas.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het stelen van de rugtas van aangever, omdat wettig bewijs voor de ten laste gelegde diefstal ontbreekt. De verklaring van aangever vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Bovendien past de door aangever gegeven omschrijving van de man die hij bij zijn bestelbus heeft gezien, niet bij het signalement van verdachte. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 2.

Bewezenverklaring feit 3 (diefstal door middel van een valse sleutel)

Uit de genoemde aangifte van [aangever 2] blijkt verder dat aangever op 14 mei 2020 ontdekte dat met zijn gestolen bankpassen op verschillende locaties geldbedragen van zijn bankrekeningen werden afgeschreven. Op camerabeelden van winkelketens Albert Heijn en Deen, gelegen aan het [vestigingsadres] in Diemen, is te zien dat op 14 mei 2020 tussen 19:09 uur en 19:14 uur in totaal drie keer contactloos werd gepind. Dit bleek te gaan om bedragen van in totaal 87,20 euro. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij niet op deze beelden te zien is. De stills van de camerabeelden zijn naar aanleiding van een aandachtsvestiging bekeken door twee verbalisanten, die verdachte daarop hebben herkend.

Betrouwbaarheid van de herkenningen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op basis van de herkenningen van verbalisanten kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is op de camerabeelden van Albert Heijn en Deen. Zij stelt daarbij voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer als deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn waaruit de betrokkenheid van verdachte kan worden afgeleid, zoals in deze zaak het geval is.

Voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen aan de hand van stills van camerabeelden is onder meer van belang in hoeverre daarop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Eerst dient daarom te worden onderzocht wat de kwaliteit van de stills van de camerabeelden is en de mate waarin persoonskenmerken zichtbaar zijn. Verder is van belang op basis waarvan de herkenningen hebben plaatsgevonden. Daarbij geldt dat een herkenning betrouwbaarder is als deze is gebaseerd op een ontmoeting met de desbetreffende persoon in levenden lijve, dan wanneer deze is gebaseerd op een foto of op andere beelden van die persoon. In dat kader komt ook waarde toe aan de aard en de frequentie van de ontmoeting(en) en het tijdsverloop sinds die ontmoeting(en). Tot slot kan voor de betrouwbaarheid worden gekeken naar het aantal (onafhankelijke) herkenningen.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat uit wetenschappelijk onderzoek naar voren komt dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch, in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dat maakt het doorgaans lastig om een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent.

Beoordeling

De rechtbank acht de herkenningen, gelet op voorgaand beoordelingskader, betrouwbaar. Zij overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de stills van de camerabeelden van voldoende kwaliteit zijn om daarop een herkenning te baseren. Hierop zijn voldoende kenmerkende onderdelen van het gezicht van de afgebeelde persoon te zien. Elk van de verbalisanten heeft specifiek beschreven waaraan hij verdachte herkende, waaronder de vorm van zijn gezicht, zijn lichte baardgroei en zijn postuur. Met name verbalisant T-983 omschrijft nauwkeurig op basis van welke specifieke gezichtskenmerken hij verdachte heeft herkend. Beide verbalisanten kenden en herkenden verdachte ambtshalve van eerdere ontmoetingen.

De rechtbank acht, op grond van de aangifte, de camerabeelden en de herkenningen, bewezen dat verdachte zich op 14 mei 2020 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van geldbedragen van in totaal 87,20 euro door bij Albert Heijn en Deen aan het [vestigingsadres] in Diemen verschillende keren contactloos te pinnen. Niet kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die op de andere locaties heeft gepind. Voor zover in de tenlastelegging bedragen zijn genoemd die op andere locaties gepind zouden zijn, zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.

3.3.2

Ten aanzien van zaak B

Bewezenverklaring feit 1 (diefstal) en feit 2 (diefstal door middel van een valse sleutel)

Op 21 mei 2019 heeft [aangever 3] aangifte gedaan van diefstal. Uit haar aangifte volgt dat zij op 20 mei 2019 ontdekte dat haar iPhone en bankpas waren gestolen. Zij zag via internetbankieren dat bij winkelketens Hema en Bruna in Diemen tussen 16:40 uur en 16:41 uur geldbedragen van in totaal 47,10 euro van haar rekening waren afgeschreven en dat van haar bank- en spaarrekening geld was overgeboekt naar een ander, niet op haar naam staand, rekeningnummer. Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij de iPhone en pinpas heeft gestolen en dat hij met de gestolen pinpas contactloos heeft gepind bij de Hema en Bruna in Diemen.

Gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank bewezen dat verdachte een iPhone, een pinpas en een geldbedrag van 47,10 euro heeft gestolen. Onvoldoende is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij het overschrijven van geldbedragen naar een andere rekening. Verdachte zal van dit ten laste gelegde onderdeel in feit 2 partieel worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 3 (medeplegen van witwassen)

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat via de door hem op 20 mei 2019 buit gemaakte pinpas en iPhone door een ander geld werd overgeschreven naar een andere rekening, omdat hij niet technisch genoeg was om dit zelf te doen. Hij heeft bekend dat hij op 20 mei 2019 op drie verschillende plekken in totaal 2.000,- euro heeft gepind, welk geld van aangeefster [aangever 3] was. Hij heeft van dit bedrag één vierde deel, te weten 500,- euro, gekregen. Op camerabeelden van de ING pinautomaat aan de Rijnstraat en Casino City aan de Ceintuurbaan in Amsterdam is te zien dat verdachte samen met drie anderen was toen hij op deze plekken geld pinde.

Uit de verklaring van verdachte en het overige bewijs in het dossier komt naar voren dat een ander het geld - via de door verdachte buit gemaakte pinpas en iPhone - van de rekening van aangeefster [aangever 3] naar een andere rekening zou hebben overgemaakt, waarna verdachte het geld op drie verschillende plekken heeft gepind. Door deze handelingen is de werkelijke herkomst en de feitelijke rechthebbende van de geldbedragen verhuld. Gelet op de genoemde omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van 2.000,- euro. Verdachte zal voor zover het witwassen ziet op een hoger geldbedrag, daarvan worden vrijgesproken.

Gelet op de omstandigheden dat verdachte heeft bekend dat hij hulp heeft gehad bij het overschrijven, de buit is verdeeld tussen hem en anderen en op camerabeelden te zien is dat verdachte niet alleen handelde, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen. Het ten laste gelegde medeplegen is daarmee bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van zaak A:

Feit 3

op 14 mei 2020 te Diemen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. a) een geldbedrag van 40 euro en een geldbedrag van 40 euro en

b) een geldbedrag van 7,20 euro,

toebehorende aan [aangever 2] , waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met gestolen bankpassen contactloos te betalen bij

ad a) winkelbedrijf Albert Heijn (gelegen aan het [vestigingsadres] )

ad b) winkelbedrijf Deen (gelegen aan het [vestigingsadres] ),

in elk geval door middel van een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet is/was gerechtigd.

Ten aanzien van zaak B:

Feit 1

op 20 mei 2019 te Amsterdam, een telefoon (merk iPhone) en een pinpas op naam van [aangever 3] , die toebehoorden aan [aangever 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 2

op 20 mei 2019 in Nederland een geldbedrag van in totaal 47,10 euro, dat toebehoorde aan [aangever 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens contactloos te pinnen met een op naam van die [aangever 3] gestelde pinpas;

Feit 3

op 20 mei 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, van voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen (in totaal een bedrag van ongeveer 2.000,- euro), de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op die geldbedragen was, terwijl hij wist dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 170 uren zal worden opgelegd. Hij heeft aangegeven zich niet te zullen verzetten tegen het laten voortduren van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis tot de dag van de einduitspraak.

5.2

Strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om, bij een bewezenverklaring, aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen die lager is dan de officier van justitie heeft gevorderd. Hij heeft benadrukt dat het nu goed gaat met verdachte. Verdachte wil zijn leven kunnen oppakken.

5.3

Heropening van het onderzoek

Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank bij de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat het onderzoek ten aanzien van de persoon van verdachte onvolledig is geweest. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door mevrouw J. Versteeg opgestelde adviesrapport van reclassering Leger des Heils van 12 oktober 2020. De reclassering heeft, zakelijk weergegeven, gerapporteerd dat verdachte in 2009 gediagnostiseerd is met een verstandelijke beperking en een gedragsstoornis. Nu is sprake van problemen van praktische aard. Stabiele huisvesting binnen een begeleid of beschermd woontraject en dagbesteding ontbreken. Sinds 2012 valt verdachte onder de Top600 aanpak. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Verdachte heeft zich vaak schuldig gemaakt aan het plegen van vermogensdelicten, al dan niet met een geweldscomponent.

Verdachte staat momenteel onder het tul-parketnummer 13/680125-19 onder toezicht van de reclassering. In het verleden heeft hij geen medewerking verleend aan hulpverleningstrajecten, omdat zijn vertrouwen meermalen beschadigd zou zijn. Verdachte lijkt een positieve gedragsverandering door te maken. Hij komt zijn meldplichtafspraken na, heeft een open houding en maakt een gemotiveerde indruk. Hij heeft een goede vertrouwensband met zijn toezichthouder. Verdachte krijgt begeleiding en er worden stappen gezet zodat hij uiteindelijk geplaatst kan worden binnen een geschikte woonvoorziening.

Gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen heeft de reclassering in het kader van een strafoplegging geadviseerd om het huidige reclasseringstoezicht te handhaven. Geadviseerd wordt om, bij een bewezenverklaring, aan verdachte een taakstraf op te leggen en om in de zaak met het tul-parketnummer 13/680125-19 de proeftijd te verlengen met één jaar.

Op de zitting van 11 november 2020 zijn reclasseringswerker, mevrouw J. Versteeg, en de toezichthouder van verdachte, mevrouw S. Greefhorst, als deskundigen gehoord. Mevrouw Greefhorst onderschrijft het door mevrouw Versteeg opgestelde advies van de reclassering.

De raadsman heeft op 11 november 2020, na sluiting van het onderzoek, een e-mail gestuurd aan de officier van justitie en de rechtbank. Hieruit blijkt, zakelijk weergegeven, dat deskundige S. Greefhorst, na sluiting van het onderzoek, tegen de raadsman heeft gezegd dat zij advies had willen uitbrengen over de mogelijkheid om aan verdachte een leerstraf in de vorm van een training Cognitieve Vaardigheden (CoVa-Plus training) op te leggen.

De officier van justitie heeft per e-mail van 12 november 2020 hierover zijn standpunt kenbaar gemaakt. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangegeven dat een gedragstraining zoals een CoVa-Plus training, gelet op de problematiek van verdachte, recidive in de toekomst zou kunnen voorkomen. De officier van justitie zou bij het bepalen van zijn strafeis de mogelijkheid om een dergelijke gedragstraining aan verdachte op te leggen hebben overwogen, indien de deskundige hierover ter terechtzitting een advies zou hebben uitgebracht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht over de persoon van verdachte. De rechtbank acht het nodig dat de reclassering een aanvullend advies zal uitbrengen, zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij het bepalen van een eventuele op te leggen straf en/of maatregel en bij de te nemen beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met het tul-parketnummer 13/680125-19.

Het onderzoek op de zitting zal daarom moeten worden heropend.

6 Beslissing

Heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting.

Beveelt dat de zaak zal worden aangehouden tot een nader te bepalen datum, waarna het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat en er beslissingen zullen worden genomen in het kader van een eventueel op te leggen straf en/of maatregel, de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 13/680125-19 en de andere beslissingen die de rechtbank moet nemen.

Beveelt de officier van justitie de reclassering binnen twee weken een aanvullend adviesrapport door de reclassering Leger des Heils op te laten stellen.

Stelt de stukken in handen van de officier van justitie, teneinde de voortgang van het onderzoek te bewaken.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Deze beslissing is in een apart bevel opgemaakt.

Beveelt de oproeping van verdachte tegen het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de raadsman van verdachte.

Beveelt dat de benadeelde partijen [aangever 3] en [aangever 2] de dag en het tijdstip van de volgende zitting schriftelijk wordt meegedeeld.

Beveelt de zaak op een zitting met dezelfde zittingscombinatie aan te brengen.

Dit tussenvonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. L.R. Wisse en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 november 2020.

[...]