Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5876

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5395. 20_5438, 20_5634
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor monumentaal pand in Amsterdam Centrum / omwonenden niet mee eens / verzoek om voorlopige voorziening afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/5395 (VVBA) en AMS 20/5438 ( [verzoekster] ) en

AMS 20/5634 ( [verzoeker] )

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad (VVAB), te Amsterdam, verzoekster 1,

(gemachtigde: W.M.J. Schoonenberg)

en

[verzoekster] , te Amsterdam, verzoekster 2,

en

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker 3,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. H. Hosper).

Als derde belanghebbende heeft deelgenomen: [vergunninghouder] (vergunninghouder),

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen).

Partijen worden hierna VVAB, [verzoekster] , [verzoeker] (tezamen verzoekers), [vergunninghouder] en de gemeente genoemd.

Procesverloop

Met het besluit van 14 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft de gemeente aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de omgevingsvergunning met kenmerk BWT 24289 waarbij de wijzigingen bestaan uit het gewijzigd uitvoeren van het funderingsherstel en de koekoek aan de voorzijde van het gebouw en het aanleggen van een sedumdak aan de achterzijde op de locatie

[adres 1] ) te Amsterdam.

De VVAB, [verzoekster] en [verzoeker] hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorziening te treffen in die zin dat wordt voorkomen dat uitvoering wordt gegeven aan het bestreden besluit.

Voor de zitting hebben zowel de VVAB als [verzoekster] de voorzieningenrechter gevraagd onmiddellijk te bepalen dat niet wordt gestart met de uitvoering van de verleende vergunning. Deze verzoeken zijn mondeling op 4 november 2020 en schriftelijk op

6 november 20201 door de voorzieningenrechter afgewezen, omdat [vergunninghouder] heeft aangegeven voorlopig nog niet met de sloop van de zijgevel te beginnen noch met de sloop van de fundering van [verzoekster] . Er zal volgens Hagenaar eerst onderzoek worden gedaan door deskundigen van de gemeente.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 17 november 2020. [verzoekster] , haar vader en

[verzoeker] zijn verschenen. Namens de VVAB is haar gemachtigde en [naam 1] verschenen. Verder zijn [vergunninghouder] en zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Hosper, [naam 2] , bouwinspecteur en mr. J. Jarmoc, juridisch medewerker.

Inleiding

1. [vergunninghouder] is eigenaar van het pand [adres 1] . Dit pand is een rijksmonument en verkeert in een slechte staat. De gemeente heeft Hagenaar aangeschreven om de fundering van [adres 1] te herstellen dan wel te vernieuwen. [verzoekster] is eigenaar van het pand aan de [adres 2] ( [adres 2] ). Dit pand grenst aan de zijgevel en aan de achtergevel van het achtererf van [adres 1] . [verzoeker] is eigenaar van het pand aan de [adres 3] dat aan de zijgevel grenst van het achtererf van [adres 1] . Ook [adres 2] en [adres 3] zijn rijksmonumenten. Daarnaast is de zeventiende-eeuwse grachtengordel, waar deze panden aan zijn gevestigd, geplaatst op de werelderfgoedlijst van UNESCO. De situatie is zoals aangegeven op deze situatietekening:

Voorgaande besluitvorming en procedures

2. Met het besluit van 2 februari 2012 met kenmerk BWT 24289 is door de gemeente

aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het herstellen van de fundering, het verdiepen van het souterrain met behoud van bestemming tot berging en het aanbrengen van een stabiliteitspoort achter de voorgevel van [adres 3] . De vergunde werkzaamheden zijn nog niet afgerond. Op de zitting is het de voorzieningenrechter gebleken dat dit besluit in rechte vaststaat.

3.1

Met het besluit van 25 februari 2015 met kenmerk BWT 1624942 heeft de gemeente

[vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het uitvoeren van renovatie- en herstelwerkzaamheden aan de gevels, een dakopbouw en het realiseren van een uitbouw met dakterras. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek in een uitspraak van 4 mei 2015 toegewezen.2 Vervolgens heeft de gemeente het besluit voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV).

3.2

Uiteindelijk heeft verweerder het besluit van 25 februari 2015 ingetrokken en op

18 juli 2016 onder hetzelfde kenmerk BWT 1624942 aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer renovatie- en herstelwerkzaamheden aan de gevels van [adres 1] , sloop en herbouw van de achtergevel, dakopbouw en het realiseren van een uitbouw met dakterras op de binnenplaats.

4. De civiele rechter van deze rechtbank heeft in het vonnis van 8 november 20173

- voor zover hier van belang - [vergunninghouder] verboden om een damwand in de fundering aan te brengen, de vergunde aanbouw te realiseren en een dakterras op de hem vergunde aanbouw te realiseren.4

5.1

Naar aanleiding van dit vonnis heeft [vergunninghouder] een gewijzigde aanvraag ingediend en daarbij de uitbouw met dakterras gewijzigd in een uitbouw zonder dakterras. Met het besluit van 9 februari 2018 heeft de gemeente op deze aanvraag beslist en hem opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van [adres 1] . Met het wijzigingsbesluit van 9 mei 2018 heeft de gemeente het besluit van 9 februari 2018 ingetrokken en het besluit van 18 juli 2016 gewijzigd.

5.2

In de uitspraak van 9 november 20185 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het door VVAB en [verzoekster] ingestelde beroep gegrond verklaard. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank als volgt geoordeeld. Volgens [verzoekster] is bij het verlenen van de omgevingsvergunning onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke effecten van de verbouwing van [adres 1] op [adres 2] . De rechtbank heeft geoordeeld dat het verstoren of slopen van [adres 1] alleen betrekking heeft op [adres 1] en dat daarom niet de (monumentale) waarde van de [adres 2] meespeelt. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de beoordeling daarvan wel kan zien op het mandelige deel van de achtergevel van [adres 2] , omdat dit onderdeel is van [adres 1] . Gebleken is echter dat de mandelige muur niet zal worden afgebroken. [adres 2] zal op dit punt dan dus ook niet worden verstoord.

5.3

Ook op andere elementen van de omgevingsvergunning heeft de rechtbank zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken geconstateerd. De rechtbank heeft zowel het besluit van 9 mei 2018 als het besluit van 18 juni 2016 vernietigd en de gemeente opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de gemeente dat heeft gedaan.

Welke vergunningen bestaan nu nog?

6. De voorzieningenrechter stelt vast, mede gelet op wat op de zitting is besproken, dat de omgevingsvergunning van 2 februari 2012 in rechte vaststaat en nog steeds van toepassing is. Daarnaast bestaat het bestreden besluit, de omgevingsvergunning van

14 augustus 2020. Het bestreden besluit staat in deze zaak centraal; hiertegen hebben verzoekers bezwaar gemaakt en een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Oordeel voorzieningenrechter

7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Gelet op de aard van de procedure beperkt de voorzieningenrechter zich tot bespreking van de meest verstrekkende gronden.

Is [verzoeker] belanghebbende?

8. Hoewel [adres 3] niet direct grenst aan [adres 1] , is het wel via het achtererf met [adres 1] verbonden. De voorzieningenrechter merkt [verzoeker] dan ook vooralsnog aan als belanghebbende. Het is aan verweerder om in de beslissing op bezwaar te beoordelen of [verzoeker] daadwerkelijk belanghebbende is.

Funderingsherstel achtererf

9. Op de zitting is het de voorzieningenrechter duidelijk geworden dat partijen voornoemde uitspraak van de meervoudige kamer verschillend interpreteren. Verzoekers erkennen dat funderingsherstel aan [adres 1] noodzakelijk is voor het behoud van het monument. Het bezwaar van verzoekers ziet voorts niet op de wijziging van de koekoek aan de voorgevel. Het bezwaar van verzoekers ziet uitsluitend op de werkzaamheden op het achtererf en dan met name de funderingswerkzaamheden in de vorm van het plaatsen van de koekoek op het achtererf. Volgens verzoekers is het bestreden besluit deels verleend voor funderingsherstel aan de achterzijde en dat is in strijd met de uitspraak van de meervoudige kamer. Volgens verzoekers heeft de meervoudige kamer geoordeeld dat op het destijds leeg gemaakte achtererf geen kelder of betonnen kelderbak geplaatst mag worden. Het bestreden besluit is dan ook ten onrechte genomen.

10.1

Met verweerder en [vergunninghouder] oordeelt de voorzieningenrechter anders. De voorzieningenrechter stelt vast dat met het besluit van 2 februari 2012 een omgevingsvergunning is verleend voor onder meer funderingsherstel van [adres 1] . Aan de achterzijde van het pand wordt daarbij een betonnen kelderbak als fundering geplaatst die doorloopt onder een eerder aanwezige uitbouw op het achtererf die in 2012 is gesloopt. Met deze omgevingsvergunning is dus de fundering van het achtererf vergund en deze omgevingsvergunning staat onbetwist in rechte vast. De meervoudige kamer rept in zijn uitspraak niet van de funderingswerkzaamheden op het achtererf. Dat is ook logisch want de omgevingsvergunning die deze funderingswerkzaamheden betreft was in 2012 al onherroepelijk. Daar kon in 2018 niet meer bij de bestuursrechter tegen worden opgekomen.

10.2

Dat de meervoudige kamer heeft geoordeeld dat de gemeente geen vergunning had mogen verlenen voor het realiseren van een nieuwe uitbouw en het slopen van de achtergevel, omdat het bestemmingsplan expliciet geen uitbreiding in de diepte van gebouwen in hoeken van bouwblokken toestaat, doet hier niet aan af. Wat daar ook van zij, de uitspraak van de meervoudige kamer betreft de vergunningen van 18 juli 2016 en

9 mei 2018 en niet de eerder in 2012 onherroepelijk vergunde kelderbakconstructie die deels onder het achtererf loopt. Het betoog van verzoekers dat de kelderbak niet (meer) mag worden vergund omdat er geen uitbouw meer is, slaagt dus niet.

Waterput en archeologisch onderzoek

11. [vergunninghouder] is begonnen met graafwerkzaamheden in de kelder aan de achterzijde van [adres 1] . Tijdens deze werkzaamheden is in de kelder een waterput, een beerput en een doorgang naar een niet meer bestaand hofje aangetroffen. Uit een rapport van

30 oktober 2020 blijkt dat de gemeente archeologisch onderzoek heeft laten doen naar de waterput. Daaruit blijkt dat uit archeologisch oogpunt geen bezwaren bestaan tegen het slopen van de waterput. Daarnaast heeft de rapporteur vastgesteld dat de funderingswerkzaamheden in [adres 1] zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek, omdat de ontgravingsdiepte minder dan 50 cm zal zijn. Wel geldt een meldingsplicht voor het geval nog archeologische resten tevoorschijn komen. Anders dan door verzoekers naar voren is gebracht, heeft de gemeente naar het oordeel van de voorzieningenrechter hiermee voldoende gemotiveerd waarom de werkzaamheden zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

Verwevenheid

12.1

Uit een overgelegde memo van [naam 3] van 28 oktober 2020 die door de gemeente op de zitting nader is toegelicht blijkt dat niet met zekerheid kan worden gezegd of de fundering van [adres 1] en [adres 2] met elkaar zijn verweven. Volgens de gemeente heeft [vergunninghouder] ervoor gekozen om hier onderzoek naar te doen op het moment dat gestart wordt met de uitvoering van vergunde werkzaamheden. Dat mag, maar het risico dat een wand of fundering toch gedeeltelijk mandelig blijkt, ligt bij [vergunninghouder] , zijnde vergunninghouder. De bouwinspectie heeft toegezegd dat hier tijdens de werkzaamheden bijzondere aandacht aan wordt geschonken en dat volstaat, aldus de gemeente.

12.2.

Verzoekers zien dit anders. Verzoekers zijn bang dat het aanbrengen van de nieuwe fundering schadelijke gevolgen heeft voor [adres 1] en [adres 2] , die met dwarsbalkconstructies met elkaar zijn verbonden en indirect dus ook schadelijke gevolgen heeft [adres 3] . Uit het hiervoor genoemde rapport van [naam 3] blijkt daarnaast dat niet kan worden uitgesloten dat ook de fundering van [adres 1] en [adres 2] met elkaar zijn verweven. Volgens verzoekers moet monumentenzorg hier vooraf onderzoek naar doen en moet de verantwoordelijkheid daarvoor niet bij Hagenaar worden gelegd.

12.3

Uit het rapport van [bouwadviseur] van 12 oktober 2010, laatst gewijzigd op

19 juni 2020, blijkt dat [adres 1] rondom eigen bouwmuren krijgt en dat ter plaatse van de aansluiting van de eerdere aanbouw met de belendende percelen een nieuwe dragende muur op het funderingsherstel wordt geplaatst die niet wordt ingekast in de muren/gevels van de belendende percelen. Zoals ook de meervoudige kamer in 2018 heeft geoordeeld zal de [adres 2] op dit gebied dan ook niet worden verstoord.

12.4

Met de vondst van de waterput met daarin mogelijk een gezamenlijke fundering tussen [adres 1] en [adres 2] is een nieuwe situatie ontstaan. Niet kan worden uitgesloten dat bij de sloop van de waterput een gezamenlijke fundering tussen [adres 1] en de [adres 2] wordt aangetroffen. Mocht dit het geval zijn dat verzet het belang van monumentenzorg6 zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter ertegen dat de verantwoordelijkheid van de daarna te nemen stappen bij [vergunninghouder] wordt gelegd en dient CRK7 nader onderzoek te doen en advies uit te brengen voordat de werkzaamheden worden voortgezet.

12.5

Deze situatie dient zich echter nu nog niet voor. [vergunninghouder] heeft toegezegd nader onderzoek te laten doen bij het aantreffen van een gezamenlijke fundering en de bouwinspectie houdt hier toezicht op. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter nu geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie

13. Het verzoek wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door verzoekers betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op [uitspraakdatum].

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Beslissing voorzieningenrechter van 6 november 2020, AMS 20/5395.

2 Vindplaats onbekend.

3 C/13/618687 / HA ZA 16-1159.

4 In het vervolg zal de voorzieningenrechter spreken over uitbouw.

5 AMS 20/5521 en AMS 20/5564.

6 Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter strekt het vereiste van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder f, van de Wabo tot bescherming van de monumentale waarden van de als beschermd monument aangewezen panden. Dit vloeit voort uit artikel 2.15 van de Wabo waarin is bepaald dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

7 Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.