Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5872

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
13/183935-20 (A), 13/136285/20 (B), 13/204921-19 en 13/063153-19 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplegging ISD-maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/183935-20 (A), 13/136285/20 (B), 13/204921-19 en 13/063153-19 (TUL)

Datum uitspraak: 5 november 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1985

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, B en C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.S. Gerson, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen J. Versteeg, reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Zaak A:

hij op of omstreeks 14 juli 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, een pakje filet americain en/of 2 pakjes kipfilet, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf Albert Heijn ( [adres filiaal] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak B:

hij op of omstreeks 21 mei 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (voor)ruit (van een auto (merk Audi)), in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan (thans) onbekend gebleven persoon

toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Zaak C:

1

hij op of omstreeks 24 augustus 2019 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen "Kom naar buiten,

één tegen één, ik maak je dood met je (...) kop.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 24 augustus 2019 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

  • -

    die [aangever 2] en/of [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik maak jullie dood.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/ of

  • -

    met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te zwaaien en/of te richten en/of te rennen richting die [aangever 2] en/of die [aangever 3] .

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde in zaak B en in zaak C onder feit 1. Met betrekking tot het in zaak A ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte in het dossier acht de rechtbank bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstal in zaak A heeft gepleegd.

Ten aanzien van zaak B

De raadsvrouw heeft vrijspraak van dit feit bepleit en daartoe aangevoerd dat geen sprake was van opzet. Verdachte heeft immers verklaard dat hij is gevallen. De schade op de voorruit past bij de indruk van een arm en een hand, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank stelt vast dat een getuige tegenover de politie heeft verklaard dat hij verdachte met zijn onderarm tegen de voorruit heeft zien slaan. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met zijn arm op de voorruit is gevallen, maar ter zitting heeft hij verklaard dat hij niet meer weet wat er gebeurd is, omdat hij gedronken had en moe was. Gelet op de plaats en de aard van de schade ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de getuige. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte de voorruit opzettelijk heeft vernield en verwerpt het verweer.

Ten aanzien van zaak C, feit 1

De raadsvrouw heeft vrijspraak van dit feit bepleit vanwege gebrek aan bewijs. De beschuldiging is enkel gebaseerd op de aangifte van [aangever 1] en wordt niet door ander bewijs ondersteund, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank stelt vast dat er weliswaar geen getuigen zijn die hebben bevestigd welke woorden verdachte tegen de aangever heeft geuit, maar een verbalisant heeft uit de camerabeelden in de supermarkt afgeleid dat het geen fijn gesprek moet zijn geweest. Dat baseert hij op de hoofdbewegingen die hij op de beelden ziet. Getuige [aangever 2] , die onmiddellijk daarna door aangever [aangever 1] is gebeld, heeft verklaard dat aangever vertelde dat hij met de dood bedreigd was en dat hij behoorlijk ontdaan klonk. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de aangifte van [aangever 1] daarmee wel voldoende wordt ondersteund, zodat wordt voldaan aan het bewijsminimum. De rechtbank verwerpt het verweer. Het draagt bij aan de overtuiging dat verdachte vlak nadat hij de betreffende uitlatingen heeft gedaan tegen [aangever 1] ook (soortgelijke) dreigende uitlatingen heeft gedaan tegen andere medewerkers van de Albert Heyn, zoals hierna wordt beschreven.

Ten aanzien van zaak C, feit 2

Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij samen met aangever [aangever 3] naar buiten ging met het doel om verdachte een winkelverbod uit te reiken. Beiden hebben zij verklaard dat verdachte meteen begon te schreeuwen waarbij hij ook dreigementen uitte als: “Ik maak je/jullie dood” . Verdachte zwaaide vervolgens met zijn fiets om langs aangevers te komen. Aangevers zijn verdachte toen gevolgd. [aangever 3] pakte verdachte bij zijn rugzak. Omstanders riepen dat verdachte een mes had en [aangever 3] liet verdachte los. Vervolgens vervolgde verdachte zijn weg, liep daarbij echter een doodlopende weg in en kwam even later terugrennen in de richting van aangevers met het mes.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A:

op 14 juli 2020 te Amsterdam, een pakje filet americain en 2 pakjes kipfilet, die toebehoorden aan winkelbedrijf Albert Heijn ( [adres filiaal] ), heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak B:

op 21 mei 2020 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een voorruit van een auto (merk Audi), die aan een ander toebehoorde, heeft vernield;

Zaak C:

1

op 24 augustus 2019 te Amstelveen, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen "Kom naar buiten,

één tegen één, ik maak je dood.";

2

op 24 augustus 2019 te Amstelveen, [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 2] en [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik maak jullie dood” en met een mes, te rennen richting die [aangever 2] en die [aangever 3] .

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

Door de verdediging is met betrekking tot zaak C, feit 2, een beroep gedaan op (putatief) noodweer.

Daartoe heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd.

Verdachte handelde uit noodweer om zich te bevrijden uit de situatie waarin hij zich bevond. Een getuige heeft bevestigd dat verdachte niet weg kon komen. Verdachte kon de situatie niet overzien. Hij begreep niet waarom mensen achter hem aanzaten. Hij werd van zijn fiets afgetrokken en er werd aan zijn tas getrokken. Verdachte voelde zich daardoor bedreigd en handelde om zich uit die situatie te bevrijden.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op (putatief) noodweer rechtvaardigen.

De rechtbank gaat uit van de onder 3 volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangevers niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Immers, daargelaten dat het eerdere achtervolgen en vastpakken van verdachte bij zijn rugzak door de aangevers met het doel om een winkelverbod uit te vaardigen is geschied en die handelingen niet kunnen worden gekwalificeerd als wederrechtelijke aanranding, was er op het moment dat verdachte met het mes terug kwam rennen in het geheel geen sprake van een situatie waarin hij zich redelijkerwijs bedreigd kon voelen. Er was dan ook geen sprake van een situatie waarin hij abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat hij genoodzaakt was om zichzelf te verdedigen. Hij wilde wegkomen uit een voor hem onaangename situatie, waarin hij terecht was gekomen door eigen toedoen. Verdachte werd op dat moment ook niet meer door aangevers vastgehouden of gevolgd. Bovendien kan het aanvallen met een mes niet worden aangemerkt als proportionele reactie op het vastgrijpen van een rugzak, zodat verdachte ook om die reden geen geslaagd beroep op (putatief) noodweer kan doen.

Het verweer wordt verworpen.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 (twee) jaren zonder aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie afwijzing gevorderd van de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een lichter middel dan de ISD-maatregel om het doel, de behandeling van verdachte, te bereiken. Verdachte is bereid om aan een zorgmachtiging mee te werken en daarom verzoekt de raadsvrouw de wenselijkheid daarvan te laten onderzoeken. De omstandigheid dat hijtot nu toe in het huis van bewaring niet heeft meegewerkt aan een behandeling is omdat hij niet begrijpt waarom hij al zo lang in voorlopige hechtenis verblijft. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en meer subsidiair om een tussentijdse toetsing van de voortgang van de maatregel na 12 maanden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verbale en fysieke bedreiging, vernieling en winkeldiefstal. Verdachte heeft, waarschijnlijk als gevolg van zijn psychiatrische problematiek en middelengebruik, gezorgd voor overlast en financiële schade bij anderen. Ook heeft hij met zijn agressieve gedrag angstgevoelens veroorzaakt bij de slachtoffers van zijn bedreigingen en bij verschillende omstanders in de publieke ruimte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils van 2 oktober 2020, opgemaakt door J. Versteeg en M. Eelman. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Criminogene factoren betreffen de aanwezigheid van psychiatrische problematiek, het middelgebruik en de zorgmijdende houding van betrokkene. Betrokkene is gediagnosticeerd met schizofrenie, zwakbegaafdheid en multi-middelengebruik. Betrokkene zou vanuit zijn stoornis agressief gedrag kunnen vertonen en er bestaat een gevaar voor zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang (NIFP Consult Rechtspleging d.d. 27-8-2019). Het ontbreekt de heer [verdachte] tevens aan stabiele huisvesting, een structurele dagbesteding en er is sprake van een schuldenlast. Betrokkene heeft niet eerder een ambulant hulpverleningstraject gehad daar hij altijd zijn medewerking heeft geweigerd.

Gelet op de bovengenoemde factoren, achten wij een ambulant hulpverleningstraject in het kader van een voorwaardelijke veroordeling momenteel niet toereikend voor het bewerkstelligen van gedragsverandering, stabiliteit in de leefomstandigheden en daarmee een vermindering van recidive.

(…) bij de in het verleden ingezette Rechterlijke Machtiging (nu Zorgmachtiging) is geprobeerd om betrokkene te stabiliseren maar dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Ook een klinische behandeling binnen een regulier reclasseringstoezicht is niet mogelijk.

De ISD-maatregel is ons inziens bedoeld voor stelselmatige daders, die door het plegen van reeksen delicten veel criminaliteit en onveiligheid veroorzaken in onze samenleving. Ons inziens is deze maatregel ook bedoeld om de veelplegers adequate hulp te bieden. Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering ziet dan ook geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Binnen de ISD-maatregel kan structuur en zorg geboden worden waarbinnen betrokkene begeleid kan worden in de opbouw van een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan, rekening houdend met de aanwezigheid van de chronische psychiatrische problematiek bij de heer [verdachte] .”

Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 22 oktober 2020 reclasseringswerker J. Versteeg, verbonden aan het Leger des Heils te Amsterdam als deskundige gehoord.

Hij heeft het rapport nader toegelicht en blijft bij het advies. Het kader van een zorgmachtiging acht Versteeg ontoereikend.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 18 september 2020 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane feiten.

De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel niet op te leggen. De rechtbank heeft oog voor de problematiek van verdachte en voor zijn psychische kwetsbaarheid. Uit voornoemde rapportage blijkt echter dat een lichter middel, zoals voorgesteld door de raadsvrouw, geen realistisch alternatief is. Daarin speelt de afwerende houding van verdachte tegenover de geboden hulpverlening een rol. De rechtbank zal daarom de officier van justitie in de de vordering volgen. Het laten onderzoeken van de mogelijkheden voor een zorgmachtiging acht de rechtbank binnen deze strafzaak niet passend en niet aan de orde.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Tussentijdse beoordeling

De rechtbank ziet, anders dan de raadsvrouw, geen aanleiding om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds te toetsen, nu de verdediging daarvoor geen argumenten naar voren heeft gebracht en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die daartoe nopen.

8.4

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 2 oktober 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/063153-19, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 april 2019 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank is echter van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, gelet op haar oordeel onder rubriek 8.3 waardoor tenuitvoerlegging niet opportuun is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 57, 285, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

diefstal

Zaak B

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen

Zaak C

1

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

2.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van 12 april 2019,

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,

mrs. E. van den Brink en R. Godthelp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2020.