Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5866

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
13/751229-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB / Duitsland / vervolging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751229-20

RK nummer: 20/3117

Datum uitspraak: 11 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 januari 2020 door het Amtsgericht Frankfurt am Main (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Justitieel Complex [detentieplaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 augustus 2020. Het verhoor heeft door middel van een telehoor-verbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C. van Oort, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Arabische taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het Amtsgericht Frankfurt am Main van 6 augustus 2018 (dossiernummer 916 Ls 3530 Js 225046/17).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

De raadsvrouw heeft bepleit dat de overlevering wordt geweigerd, omdat het feit in het EAB niet genoegzaam is omschreven. Het feit is niet, althans onvoldoende onderbouwd. Om die reden is het voor de opgeëiste persoon niet duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Niet is vereist dat het EAB gegevens bevat die inzicht geven in de grondslag van de verdenking, of - in het verlengde daarvan - het voor de opgeëiste persoon mogelijk maken een eventueel onschuldverweer te onderbouwen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van een diefstal met geweld gepleegd in Frankfurt am Main op 11 februari 2017. Daarmee is het feit genoegzaam omschreven. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Frankfurt am Main (Duitsland).
Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C.W.M. Giesen en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.