Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5863

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
13/751530-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB / België/ vervolging / detentieomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751530-19

RK nummer: 19/6497

Datum uitspraak: 11 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 31 mei 2019 door de Rechtbank van Eerste Aanleg van Liège, afdeling Liège (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. A.M. Timorason, waarnemend voor haar kantoorgenoot mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB, aangevuld bij e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 28 november 2019, wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek van 31 mei 2019 van de Rechtbank van Eerste Aanleg Liège (België).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

4.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De procureur des Konings te Luik (België) heeft op 29 november 2019 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstige artikel 5 § 3 van het kaderbesluit d.d. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] .

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A en/of B en/of C, van de Opiumwet gegeven verbod

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:
Het onderzoek is in België aangevangen, het bewijs bevindt zich in België, de verdovende middelen waren voor de Belgische markt bestemd en medeverdachten worden in België vervolgd.

Gelet op de aangevoerde argumenten, heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Daarom wordt van bedoelde weigeringsgrond afgezien.

7 Detentieomstandigheden in België

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd gelet op de omstandigheden in de Belgische detentie-instellingen, waaronder ook het verhoogde risico op besmetting met het coronavirus. Zij heeft verzocht om de zaak aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een garantie te vragen dat de opgeëiste persoon in een zogeheten monocel wordt geplaatst.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er volgens vaste rechtspraak van deze rechtbank geen algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De verdediging heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens naar voren gebracht waaruit anders blijkt. Nu niet is gebleken van een algemeen reëel gevaar als hiervoor bedoeld, is het evenmin noodzakelijk om een garantie te vragen dat verdachte in een monocel wordt geplaatst. De overlevering kan worden toegestaan en er bestaat geen aanleiding om de zaak aan te houden, aldus de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Belgische detentie-instellingen, waaronder een eventueel verhoogd risico op besmetting met het coronavirus. De raadsvrouw heeft haar standpunt hieromtrent ook niet met (objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte) stukken onderbouwd.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor overlevering. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om de zaak aan te houden om garanties te vragen aan de Belgische autoriteiten.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg van Liège, afdeling Liège (België).

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C.W.M. Giesen en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.