Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5862

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
13/751511-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB / Frankrijk / vervolging / genoegzaamheid / detentieomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751511-20

RK nummer: 20/3072

Datum uitspraak: 3 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 3 juni 2020 door de Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag 1] 1985,

alias [alias opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag 2] 1989

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de het Justitieel Complex [locatie] te [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda en door een tolk in de Franse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van de Rechtbank van Lille (Frankrijk) van 29 mei 2020 (parketnummer 19116000209 – onderzoeknummer JICABJI319000004).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en het e-mailbericht van de uitvaardigende justitiële autoriteiten van 20 juli 2017. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van deze stukken zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

De raadsman heeft bepleit dat de overlevering ten aanzien van het in het EAB met nummer 5 aangeduide feit wordt geweigerd omdat dit niet genoegzaam is omschreven. Dit feit betreft deelname aan een criminele organisatie maar daarbij is niet de plaats genoemd waar de organisatie zich zou hebben bevonden of de feiten zou hebben gepleegd. Daarmee is het feit niet duidelijk omschreven en is het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. Verder is het van belang voor de vraag of de weigeringsgrond van artikel 13 OLW van toepassing is. In het EAB wordt immers ook vermeld dat de opgeëiste persoon in Nederland na zijn aanhouding leek door te gaan met het leiden van de organisatie, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de in het EAB genoemde offences niet alleen zien op afzonderlijke feiten, maar ook op diverse kwalificaties van overtredingen van de Franse wetgeving inzake verdovende middelen. Bij e-mail van 20 juli 2020 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit desgevraagd bevestigd dat de onder 1 tot en met 4 en 8 genoemde overtredingen betrekking hebben op één feitencomplex, dat- kort gezegd – betrekking heeft op handel in heroïne en cocaïne in de periode van 1 januari 2018 tot 2 december 2019 in Corbeny, Le Creusot en andere plaatsen in Frankrijk. Daarnaast heeft de uitvaardigende autoriteit meegedeeld dat de onder 5 genoemde deelneming aan een criminele organisatie betrekking heeft op dezelfde pleegperiode en dat het doel van de organisatie handel in heroïne en cocaïne was. De rechtbank leidt daaruit af dat deze overtreding ook samenhangt met het onder 1 tot en met 4 en 8 bedoelde feitencomplex en dat uit de feitsomschrijving daarmee ook genoegzaam blijkt op welke pleegplaats(en) dit betrekking heeft. De rechtbank acht het feit dan ook genoegzaam omschreven en verwerpt het verweer.

4 Strafbaarheid

4.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten, genummerd 1 tot en met 5 en 8 heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:

Deelneming aan een criminele organisatie

en

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Frans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2.

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 6 en 7 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Overtreding van artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

Overtreding van artikel 12 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Franse autoriteiten plaats te vinden.

De Officier van Justitie heeft de volgende argumenten aangevoerd: het onderzoek is in Frankrijk aangevangen, de bewijsmiddelen bevinden zich in Frankrijk, de verdovende middelen waren kennelijk bestemd voor de Franse markt, er is schade toegebracht aan auto’s in Frankrijk en mogelijk zal schadevergoeding worden geclaimd door personen in Frankrijk.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

6 Detentieomstandigheden in Frankrijk

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken - kort gezegd - geoordeeld dat ten aanzien van de detentie-instelling in Nîmes sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die daar worden gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

Ten aanzien van de detentie-instelling in Bordeaux-Gradignan heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment geen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, maar dat - gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing - nadere gegevens van de Franse uitvaardigende autoriteit nodig zijn om de vraag naar het bestaan van een algemeen gevaar te kunnen beantwoorden.

In een uitspraak van 21 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:1102) heeft de rechtbank ten aanzien van de detentie-instelling in Fresnes geoordeeld dat sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 30 januari 2020 (ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD000967115).

Op verzoek van de officier van justitie is namens de uitvaardigende justitiële autoriteit bij

e-mail van 20 juli 2020 het volgende verklaard:

“I, the undersigned, hereby state that in case of surrender pursuant to Council Framework Decision of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States and in case of incarceration upon arrival in France, Mr. [alias opgeëiste persoon] would be under no circumstances be incarcerated in Nîmes, Bordeaux-Gradignan or Fresnes.”

De rechtbank is van oordeel dat uit deze informatie kan worden afgeleid dat er voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling in de detentie-instellingen in Nîmes en Fresnes. Verder volgt uit deze informatie dat in deze zaak de vraag of in de detentie-instelling in Bordeaux-Gradignan gedetineerden in het algemeen een reëel gevaar lopen om te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende detentie-omstandigheden geen beantwoording meer behoeft. De detentieomstandigheden vormen geen beletsel voor de overlevering.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 7, 12, 176, 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 13 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille (Frankrijk).

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C.W.M. Giesen en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.