Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5854

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
C/13/693137 / KG ZA 20-1048 AB/JD
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Beroep op verplichte sluiting in verband met het coronavirus, als een nieuw feit waardoor tenuitvoerlegging van een vonnis waarin eiseres is veroordeeld om over de maanden oktober tot en met december 2020 meer te betalen dan 50% van de overeengekomen huur wordt aangemerkt als misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/693137 / KG ZA 20-1048 AB/JD

Vonnis in kort geding van 27 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RHONE EVENTS & CONGRESCENTER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 19 november 2020,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B. Coskun te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A. Glijnis te Alkmaar.

Partijen zullen hierna Rhone en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 26 november 2011 heeft Rhone de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd en heeft de ingediende akte eis in reconventie toegelicht. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.

Ter zitting waren aanwezig:

[naam 1] met mr. Coskun,
[gedaagde] en [naam 2] .

mr. Glijnis heeft deelgenomen via Skype.


Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Rhone huurt van [gedaagde] de (artikel 7:290 BW) bedrijfsruimte aan de [adres] , ingaande 1 mei 2015 voor de duur van vijf jaar, tot en met 30 april 2020, met een optie voor nog eens vijf jaar. De aanvangshuurprijs bedraagt € 330.000,- per jaar.

2.2.

In artikel 3.2 van de huurovereenkomst staat dat deze na 30 april 2020 wordt voortgezet, behoudens opzegging door de huurder.

2.3.

Rhone exploiteert in het gehuurde een evenementen- en congrescentrum, waarin vooral feesten en partijen worden gehouden. De onderneming van Rhone is verplicht gesloten geweest in verband met het coronavirus, van 15 maart 2020 tot 1 juni 2020. Met ingang van 14 oktober 2020 is Rhone opnieuw verplicht gesloten.

2.4.

Rhone maakt voor zover mogelijk, gebruik van de financiële mogelijkheden die de overheid aan ondernemingen biedt om de schade als gevolg van het coronavirus deels te compenseren, zoals de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten mkb (TVL).

2.5.

[gedaagde] heeft in mei 2020 het faillissement van Rhone aangevraagd vanwege een achterstand in de huurbetalingen. Bij beschikking van 24 juni 2020 van deze rechtbank is dit verzoek afgewezen.

2.6.

Bij dagvaarding van 23 juni 2020 heeft [gedaagde] in kort geding bij de kantonrechter van deze rechtbank onder meer ontruiming van het gehuurde door Rhone en betaling van de huurpenningen voor april tot en met juni 2020 gevorderd.

2.7.

Op 21 juli 2020 heeft Rhone in een bodemprocedure bij de kantonrechter van deze rechtbank vermindering van de huurprijs gevorderd. Bij wijze van provisionele vordering heeft zij onder meer gevorderd dat zij gedurende de bodemprocedure een omzetafhankelijke huurprijs voldoet van 20%, vanaf 1 maart 2020.

2.8.

Bij vonnis in kort geding van 1 september 2020 van deze rechtbank is Rhone onder meer veroordeeld om (i) uiterlijk op 15 september 2020 een bedrag van € 81.972,33 aan huurachterstand te betalen aan [gedaagde] , en (ii) uiterlijk op 1 december 2020 een bedrag van € 100.335,40 aan huurpenningen over de periode van 1 september 2020 tot en met 31 december 2020. Rhone is verder veroordeeld om het gehuurde te ontruimen voor het geval zij niet aan de veroordelingen onder i en ii voldoet. Rhone en [gedaagde] zijn beide in hoger beroep gegaan van dit vonnis.

2.9.

Bij arrest van 14 september 2020 heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis van 1 september 2020 bekrachtigd.

2.10.

Bij vonnis in incident van 29 oktober 2020 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de provisionele vordering van Rhone in de bodemprocedure, om een omzetafhankelijke huurprijs van 20% met als maximum een maandelijks bedrag van € 28.781,- toe te kennen, afgewezen.

3
3. Het geschil in conventie

3.1.

Rhone vordert samengevat –

I de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 september 2020 te schorsen, in dier voege dat de huurschuld van de periode september 2020 tot en met december 2020 niet meer kan en mag bedragen dan € 58.793,50 en dat dit bedrag uiterlijk op 15 januari 2021 zal moeten worden voldaan ter voorkoming van een ontruiming, totdat in de lopende bodemprocedure definitief eindvonnis zal worden gewezen inzake het verzoek tot huurprijsvermindering over het jaar 2020 en 2021,

II [gedaagde] te veroordelen om vanaf 1 september 2020 een huurprijs van 10% van de omzet van Rhone te accepteren, welke huurprijs nimmer meer dan de reguliere huur zal bedragen, althans [gedaagde] te veroordelen tot korting op de reguliere maandelijkse huurprijs van 35% over de periode september 2020 en 75% op de periode oktober tot en met mei 2021, en te bepalen dat de gereduceerde huurprijs van het gehuurde met ingang van 1 september 2020 totdat in de lopende bodemprocedure bij wijze van eindvonnis in conventie zal zijn beslist,

III [gedaagde] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat de huur (waarbij de korting is toegepast) voor de periode januari 2021 tot en met maart 2021 uiterlijk zal worden voldaan op 1 april 2021 en de huur over de periode april 2021 en mei 2021 uiterlijk zal worden voldaan op 1 juni 2021,

IV [gedaagde] te verbieden om volledige betaling te verlangen van de huur voor de periode september 2020 tot en met mei 2021, op straffe van een dwangsom, althans om voor deze maanden betaling te verlangen van Rhone voor zover die het bij dit vonnis toegewezen percentage, zoals onder II gevorderd, te boven gaat en voor zover door de Hoge Raad geen definitieve antwoorden zijn gegeven inzake te stellen prejudiciële vragen,

V [gedaagde] te verbieden om bezwarende rechtsmaatregelen te treffen voor door Rhone op grond van dit vonnis onbetaald gelaten huurpenningen over september 2020 tot en met mei 2021, op straffe van een dwangsom,

VI [gedaagde] te verbieden om een boete of rente in rekening te brengen voor door Rhone, op grond van dit vonnis onbetaald gelaten en toegewezen huurpenningen, op straffe van een dwangsom,

VII [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert samengevat –

I Rhone te veroordelen om aan [gedaagde] een bedrag van € 29.853,82 te betalen voor iedere maand (of gedeelte daarvan) dat zij het gehuurde vanaf 1 januari 2021 in gebruik houdt,

II Rhone te veroordelen om het gehuurde met het hare en de haren te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van [gedaagde] te stellen, met machtiging van [gedaagde] om die ontruiming zo nodig door de deurwaarder te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde,

III Rhone te veroordelen om, na aankondiging 24 uur van tevoren, toegang te verlenen tot het gehuurde teneinde het gehuurde te inspecteren, op straffe van een dwangsom,

IV Rhone te veroordelen om binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis een bedrag van € 6.000,- (incl. BTW) aan gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten te betalen aan [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente,

V Rhone te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Rhone voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Op 1 september 2020 heeft de kantonrechter Rhone in kort geding veroordeeld tot ontruiming van de door haar gehuurde bedrijfsruimte, omdat zij sinds het uitbreken van de coronacrisis in het geheel geen huur meer had betaald. Tegelijk heeft de kantonrechter Rhone in de gelegenheid gesteld om die ontruiming te voorkomen door alsnog tijdig een deel van de huur te voldoen. De kantonrechter overwoog dat de coronacrisis, gelet op haar omvang en de gevolgen voor de economie en de maatschappij, een onvoorziene omstandigheid is als bedoeld in artikel 6:258 BW en dat de pijn, dat wil zeggen het financiële nadeel, over de periode dat de onderneming moest sluiten en er helemaal geen omzet was gelijkelijk over partijen moest worden verdeeld. Over die periode was Rhone volgens de kantonrechter daarom 50% van de overeengekomen huur verschuldigd. Al met al moest Rhone over de periode van januari 2020 tot en met augustus 2020 uiterlijk op 15 september 2020 nog een bedrag van € 81.972,33 betalen. Dat bedrag heeft zij, na daartoe geld te hebben geleend, tijdig voldaan. Voor de rest van het jaar heeft de kantonrechter de verschuldigde huur bepaald op 70% over september, maandelijks met 10% oplopend tot 100% over december. Het totaalbedrag over deze maanden,

€ 100.335, moet uiterlijk 1 december 2020 worden betaald. Dit vonnis is op 14 september 2020 door het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd.

5.2.

De kantonrechter zag de getroffen voorzieningen voor de huur van de maanden oktober tot en met december 2020 als een ‘voorlopig handvat’ voor partijen. Daarbij is hij, en met hem het hof, uitgegaan van omzetprognoses van Rhone, die volgens het hof in september al weer in de buurt zouden komen van de normale omzet. Anderzijds is rekening gehouden met een mogelijke tweede golf, waardoor de omzet weer zou kunnen teruglopen en die zelfs tot een tijdelijke sluiting zou kunnen leiden. De kortingen zijn arbitrair, maar meer peil viel op dat moment eenvoudigweg niet te trekken op de omzetten voor de komende maanden.

5.3.

Vervolgens werden op 29 september 2020 door de overheid verdere beperkingen aangekondigd, wat tot annulering van vrijwel alle bij Rhone geplande feesten heeft geleid, en werden op 14 oktober 2020 feestzalen zoals deze gesloten.
Sindsdien heeft Rhone geen omzet meer en er is nog geen enkel zicht op verbetering. Een zo drastische terugval op zo’n korte termijn en voor zo’n lange tijd is in de uitspraken van kantonrechter en hof duidelijk niet voorzien. Rhone heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van die terugval het per 1 december 2020 verschuldigde bedrag niet zal kunnen betalen en dus zal worden ontruimd. Dit zijn na het arrest van het hof aan het licht gekomen feiten waardoor klaarblijkelijk een noodtoestand zal ontstaan, als bedoeld in HR 22 april 1983, NJ 1984, 145, die meebrengen dat tenuitvoerlegging van vonnis en arrest misbruik van recht oplevert. Dat is de maatstaf die in een executiegeschil geldt voor de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan. Een en ander ziet op het laatste kwartaal van 2020. Over de maand september is van een dergelijk verschil met de uitgangspunten van kantonrechter en hof geen sprake. Voor alle duidelijkheid: dit ziet op het laatste kwartaal van 2020. Over de maand september is van een dergelijk verschil met de uitgangspunten van kantonrechter en hof geen sprake.

5.4.

Met dezelfde redenering als van de kantonrechter zal de pijn ook tijdens deze tweede sluiting gelijkelijk moeten worden verdeeld. Voor zover over de maanden oktober tot en met december meer dan 50% van de huur is toegewezen zal de tenuitvoerlegging van diens vonnis dan ook worden geschorst. [gedaagde] heeft erop gewezen dat Rhone tegemoetkomingen van de overheid ontvangt die voor de helft zien op de huur en dat de pijn op deze manier dus niet gelijkelijk wordt verdeeld, maar die tegemoetkomingen komen in eerste instantie toe aan een huurder die met nul omzet 50% van de huur moet betalen, wil hij niet worden ontruimd. Ze kunnen niet zijn bedoeld om die huurder in de mindere positie te brengen dat hij meer huur moet betalen dan zonder die tegemoetkomingen.

5.5.

Ook die lagere huur kan Rhone niet op 1 december betalen. Zij heeft daarvoor gelden nodig die haar eind december door de overheid zullen worden verstrekt. Om ontruiming te voorkomen zal de tenuitvoerlegging, zoals verzocht, worden geschorst voor zover de huur over september tot en met december 2020 eerder is verschuldigd dan 15 januari 2021. Rhone zegt uiterlijk op die datum zeker in staat te zijn om die achterstallige huur te betalen. Daar zal zij dan ook aan worden gehouden. Van [gedaagde] kan niet worden verlangd dat hij nog langer verhuurt zonder een cent huur te zien.

5.6.

Tot zover het executiegeschil. Rhone vordert daarnaast voorlopige maatregelen voor 2021. Uit de gang van zaken in september/oktober blijkt dat het onmogelijk is om in deze crisis ver vooruit te kijken. De maatregelen zullen dan ook worden beperkt tot het eerste kwartaal van 2021. Daarbij wordt aangesloten bij de overwegingen van de kantonrechter en het hof over de (gevolgen van de) coronacrisis als onvoorziene omstandigheid.

Alle maatregelen in kort geding zijn uiteraard voorlopig. In de bodemprocedure, die op 1 december 2020 voor antwoord staat, zal aan de hand van de door Rhone te verschaffen (jaar)cijfers definitief moeten worden beslist over uitstel en/of afstel van huurbetaling.

5.7.

Rhone wil in 2021 een huurkorting van 75% en wijst erop dat de exploitanten van feestzalen het zwaarst worden getroffen door de coronacrisis. [gedaagde] wil niet verder gaan dan een korting van 25%. Zijn vaste lasten voor het verhuurde zijn maandelijks € 25.000,00. Hij heeft verder aannemelijk gemaakt dat het water ook hem aan de lippen staat. Zo zit hij inmiddels bij bijzonder beheer van de bank en zijn hem meerdere dwangbevelen betekend. Op 3 december moet hij
€ 144.604,00 betalen aan de fiscus. Uitstel wordt niet verleend.

5.8.

Aangenomen dat de feestzalen nog het hele eerste kwartaal dicht blijven, komt ook hier een verdeling van 50/50 het meest redelijk voor. Omdat Rhone ook voor deze lagere huur afhankelijk zal zijn van tegemoetkomingen van de overheid, zal de huur over het eerste kwartaal uiterlijk 1 april 2021 moeten worden voldaan. Mocht blijken dat het meevalt met de sluiting, dan zal Rhone meer verschuldigd zijn. Dat moet dan in de bodemprocedure worden rechtgetrokken. Overigens kan er bij voortduring van de crisis een moment komen waarop moet worden geconstateerd dat een verantwoorde exploitatie van feestzalen niet langer mogelijk is. Als [gedaagde] dan bovendien een concrete andere huurder zou hebben, die wèl in staat is de huur van de bedrijfsruimte op te brengen, zou van hem niet langer kunnen worden verlangd dat hij in de verliezen van Rhone deelt. Ook dat is iets voor de bodemprocedure. Op dit moment zal aan de financiële nood van [gedaagde] in ieder geval niet worden tegemoet gekomen door ontruiming van het gehuurde.

5.9.

Rhone meent dat met een omzetafhankelijke huur nu het beste maatwerk kan worden geleverd, maar daarover heeft de bodemrechter bij vonnis in het incident van 26 oktober 2020 al geoordeeld en de situatie is sindsdien niet wezenlijk anders.

5.10.

Rhone wil prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld zien, maar noch dit kort geding, waarin snel moet worden beslist, noch de omstandigheden, die vragen om ad hoc oplossingen ‘naar bevind van zaken’ lenen zich daarvoor.

5.11.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen (i) tot en met (iii) gedeeltelijk toewijsbaar zijn zoals hierna is vermeld. Verboden als gevorderd onder (iv) en (v) zijn daarnaast niet nodig. [gedaagde] heeft geen rente of boetes aangezegd, dus de vordering onder (vi) wordt ook afgewezen.

5.12.

Partijen worden over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, dus de proceskosten worden tussen hen verrekend zoals hierna is vermeld.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de vordering om Rhone te veroordelen tot huurbetaling vanaf 1 januari 2021 gedeeltelijk toewijsbaar is, namelijk voor 50% over de maanden januari tot en met maart, uiterlijk op 1 april 2021 te voldoen.

Als Rhone er zelfs niet in slaagt om de aldus beperkte huur te betalen, heeft [gedaagde] alsnog een spoedeisend belang bij ontruiming, om verder te kunnen gaan met een wèl betalende huurder. In zoverre is ook de tweede vordering toewijsbaar.

6.2.

[gedaagde] klaagt dat Rhone weigert om zijn mensen toegang te verschaffen tot het gehuurde om het te kunnen inspecteren. Volgens Rhone zijn zij welkom. Partijen zouden hierover na afloop van de zitting afspraken maken, maar voor de zekerheid zal deze vordering toch worden toegewezen.

6.3.

Partijen worden over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, dus de proceskosten worden ook hier tussen hen verrekend zoals hierna is vermeld. Voor een veroordeling van Rhone in de werkelijke proceskosten is geen plaats. Van misbruik van recht door het aanspannen van deze procedure is geen sprake. Van buitengerechtelijke kosten is niet gebleken.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

7.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het op 1 september 2020 tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter, op 14 september 2020 bekrachtigd door het gerechtshof, voor zover Rhone daarin is veroordeeld om over de maanden oktober tot en met december 2020 meer te betalen dan 50% van de overeengekomen huur en voor zover de aldus over de periode september tot en met december 2020 verschuldigde huur eerder moet worden voldaan dan 15 januari 2021,

7.2.

veroordeelt [gedaagde] te gehengen en gedogen dat Rhone de huur over de maanden januari tot en met maart 2021 met 50% opschort, en de over die maanden verschuldigde huur uiterlijk 1 april 2021 betaalt, een en ander totdat een rechter anders beslist,

7.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.4.

veroordeelt Rhone om uiterlijk op 1 april 2021 aan [gedaagde] te voldoen de helft van de verschuldigde huur over de maanden januari tot en met maart 2021,

7.5.

veroordeelt Rhone om, indien zij niet aan deze betalingsveroordeling voldoet, het gehuurde met wie en al wat zich vanwege haar daarin bevindt te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van [gedaagde] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm volgens het bepaalde in de artikelen 555 en volgende jo. 444 Rv,

7.6.

veroordeelt Rhone om na een aankondiging die ten minste 24 uur tevoren door [gedaagde] moet worden gegeven, [gedaagde] en de door hem aan te wijzen derden toegang te verlenen tot het gehuurde om dat te inspecteren, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per of dagdeel dat Rhone geen medewerking verleent, met een maximum van € 20.000,00,

7.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en in reconventie

7.8.

verrekent de proceskosten telkens zo tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, bijgestaan door mr. J. Dekker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2020.1

1 type: AB coll: EB