Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5824

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
13/241963-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

handel in harddrugs, geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/241963-19

Datum uitspraak: 27 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. E. Stam, naar voren heeft gebracht.

Verdachte is niet verschenen op de terechtzitting. De dagvaarding is hem wel op de juiste wijze betekend. Hij wist ook van de terechtzitting, aldus de raadsman.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juli 2019 tot en met 06 oktober 2019 te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of vervoerd of verstrekt aan een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende GHB, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )

2.
hij op of omstreeks 6 oktober 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5996 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3 Bewijsvraag

Bewezenverklaring

De rechtbank acht, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, bewezen dat verdachte

1.
in de periode van 30 juli 2019 tot en met 06 oktober 2019 te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of vervoerd of verstrekt aan onbekend gebleven personen hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en hoeveelheden van een materiaal bevattende GHB, in elk geval telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
op 6 oktober 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 5996 tabletten van een materiaal bevattende MDMA.

Geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs

Op 6 oktober 2019 zijn politieagenten naar de woning aan de [adres 2] gegaan, omdat daar mogelijk een als vermist opgegeven meisje zou verblijven.

Na aanbellen bij de woning doet verdachte de deur open. Een agent zegt tegen verdachte dat ze onderzoek instellen in de woning om te controleren of er een vermist meisje in de woning aanwezig is. Verdachte zegt te weten om wie het gaat, maar dat zij niet in de woning is. Hij geeft vervolgens toestemming om het meisje te zoeken in de woning. Hij zegt: “Kijk maar.”.

De politie treft vervolgens het meisje in de woning aan. De politie gaat verder met het onderzoek in de woning. In dat kader opent een agent een deur van een opbergruimte in de woning en ziet daar een open schoenendoos met daarin, naar later wordt vastgesteld, 5.996 MDMA-tabletten.

De raadsman betwist niet dat het zoeken naar het vermiste meisje in de woning met toestemming van verdachte is gebeurd. Hij vindt echter dat de politie nadat het meisje gevonden was, de woning onrechtmatig heeft doorzocht. Daarmee doelt hij op het openen van de deur van de opbergruimte. Volgens de raadsman is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering. Het aantreffen van de schoenendoos met MDMA-pillen en de daarvan het direct gevolg zijnde aanhouding van verdachte, en de inbeslagname en doorzoeking van zijn telefoon moeten van het bewijs worden uitgesloten, aldus de raadsman.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat van de door de raadsman gestelde onrechtmatigheid geen sprake is. Van belang is dat de politie verdachte meegedeeld heeft dat de politie op zoek was naar een vermist meisje waarna hij toestemming gaf om in de woning te zoeken. Daarmee moet hij zich ervan bewust zijn geweest dat de politie in alle ruimtes van de woning zou gaan zoeken waar zich het vermiste meisje zou kunnen bevinden. Ook de opbergruimte was zo’n ruimte. In die zin heeft verdachte de politie toestemming gegeven om ook in de opbergruimte te kijken. Dat de politie na het aantreffen van het vermiste meisje nog verder is gegaan met het onderzoek in de woning, door te kijken in de andere ruimtes waaronder de opbergruimte, vindt de rechtbank passen binnen het onderzoek naar aanleiding van de melding van het vermiste meisje. De melding zou aanvankelijk immers zien op twee meisjes die door een instelling voor minderjarige slachtoffers vanuit het loverboycircuit als vermist zijn opgegeven. Een van de meisjes was terecht, maar nu het andere meisje werd aangetroffen terwijl zij zich aan het aankleden was in een slaapkamer, is het openen van de deuren naar de overige ruimtes in de woning begrijpelijk en passend binnen het onderzoek. Uit het proces-verbaal blijkt dat de agent eerst vaststelt dat er geen personen in de bergruimte zijn. Kennelijk was het doel van het kijken in de ruimte of er eventueel nog andere (vermiste) personen in de woning waren. Vervolgens wordt door de politie het aantreffen van een schoenendoos met zakken met pillen vastgesteld. De politie is zich er dan van bewust dat dit de situatie verandert. Na het aantreffen van de pillen is de situatie namelijk bevroren en is de komst van de hulpofficier van justitie afgewacht. De hulpofficier van justitie heeft vervolgens verdachte meegedeeld dat hij verdachte is van het feit dat er harddrugs zijn aangetroffen in de woning waar hij verblijft. Aan verdachte is gevraagd of de opsporingsambtenaren de woning mochten doorzoeken. Hierop antwoordde verdachte: "Ja, ik ben verantwoordelijk. Doe je ding". De verdere doorzoeking van de woning is dus ook met toestemming van verdachte gedaan. Na zijn aanhouding is zijn telefoon in beslag genomen door de politie.

Al met al vindt de rechtbank dat geen sprake is van enig vormverzuim bij het optreden door de politie. Alle onderzoeksresultaten kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Bewijsmiddelen en redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte de beide bewezen geachte feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals hieronder weergegeven.

Een proces-verbaal met nummer PL1300-2019210846-4 van 6 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , met drie foto’s als bijlagen (doorgenummerde pag. 010 t/m 014).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

  • -

    Op 6 oktober 2019 omstreeks 17.00 uur heb ik samen met de collega's [opsporingsambtenaar 3] (AML42413) en [opsporingsambtenaar 4] (AML35111) een onderzoek in gesteld in de woning aan het [adres 2] .

  • -

    Ik, verbalisant [opsporingsambtenaar 1] , heb bij de genoemde woning aangebeld. De deur van de woning werd geopend door een man welke later opgaf te zijn genaamd;

[verdachte] , geboren op [geboortedag] 1987

  • -

    In een bergruimte werd door collega [opsporingsambtenaar 4] een geopende schoenendoos aangetroffen met daarin meerdere zakken met grote hoeveelheid met vermoedelijk XTC tabletten.

  • -

    Ik, [opsporingsambtenaar 2] heb aan de verdachte, [verdachte] , gevraagd of wij de woning mochten doorzoeken. Wij hoorden dat de verdachte [verdachte] zei; "Ja ik ben verantwoordelijk. Doe je ding".

  • -

    Op 6 oktober 2019 te 18.10 uur hebben wij de woning doorzocht. Wij verbalisanten zagen dat er op de tafel een doosje stond. Wij zagen dat er goederen in het doosje waren om verdovende middelen in te verpakken. Wij zagen dat er kleine doorzichtige plastic zakjes, witte papiertjes aanwezig waren in de doos. Het is ons ambtshalve bekend dat in de plastic zakjes XTC pillen worden verpakt. Ook is het ons ambtshalve bekend dat van de witte papiertje wikkels worden gemaakt om cocaïne te verpakken (foto 1) In het doosje zat ook een zwart mesje met sporen van wit poeder (foto 2) en twee weegschalen. Naast het doosje stond een vijzel (foto 3). Het is ons ambtshalve bekend dat deze goederen worden gebruikt voor het verpakken en bewerken van verdovende middelen.

Een proces-verbaal met nummer PL1300-2019210846-8 van 6 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] (doorgenummerde pag. 017 t/m 020).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

  • -

    Op 6 oktober 2019 bevonden wij, verbalisanten [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 3] , ons op de [adres 3] te Amsterdam.

  • -

    Ik, [opsporingsambtenaar 4] , hoorde dat wij het verzoek kregen om te gaan naar het [adres 2] .

  • -

    Omstreeks 17:00 uur belden wij. [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 3] , samen met collega [opsporingsambtenaar 1] aan bij [adres 2] . Wij, [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 3] , zagen dat deur van de woning werd geopend door een man welke later bleek te zijn genaamd:

[verdachte] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] .

  • -

    Ik, [opsporingsambtenaar 4] , opende de deur links naast de slaapkamer. Ik zag dat dit een kleine ruimte was. Ik zag dit een opbergruimte was. Direct links naast deur opening van deze ruimte zag ik een open schoenendoos. Ik zag dat er in deze schoenendoos meerdere zakken zaten. Ik zag in deze zakken een grote hoeveelheid aan pillen zaten. Ik, [opsporingsambtenaar 4] , zag dat deze pillen diverse vormen hadden. Ik herkende deze pillen als XTC tabletten. Deze schoenendoos inclusief plastic zakken en pillen zijn in beslag genomen.

  • -

    Tijdens het onderzoek in de woning zagen wij, [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 3] , dat [verdachte] diverse malen whats-app contact had. Na het aantreffen van de XTC gaven wij bij [verdachte] aan dat hij zijn telefoon niet meer mocht gebruiken. In de auto onderweg naar het politiebureau zag ik, [opsporingsambtenaar 4] , dat [verdachte] gebeld werd door ene [persoon] . Ik hoorde [verdachte] mij vroeg of hij mocht opnemen aangezien [persoon] ook op [adres 2] woont. Ik, [opsporingsambtenaar 4] , zei dat hij niet mocht opnemen en ik deelde [verdachte] mee dat zijn telefoon in beslag werd genomen.

Een proces-verbaal met nummer PL1300-2019210846-15 van 7 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 5] en [opsporingsambtenaar 6] (doorgenummerde pag. 31 t/m 33).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

  • -

    Ik ben aangehouden omdat er spullen zijn gevonden in mijn huis.

  • -

    Ik verbleef in Noord en dat was op [adres 2] .

  • -

    Ik kom vaker op dit adres. [persoon] de bewoner is een vriend van mij. [persoon] staat hier ook ingeschreven.

  • -

    Ik zou drie maanden op de [adres 2] gaan wonen. Ik had al mijn matras daar liggen, ik zou de huur betalen van 300 Euro per maand. Ik zou me daar ook gaan inschrijven.

Een proces-verbaal met nummer PL1300-2019210846-18 van 8 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 7] . [opsporingsambtenaar 8] en [opsporingsambtenaar 9] (doorgenummerde pag. 034 t/m 037).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

  • -

    Voorafgaand aan het door ons ingestelde forensische onderzoek, verkregen wij de volgende informatie: Tijdens een huiszoeking werd een schoenendoos met vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen. In de schoenendoos werden meerdere plastic zakjes aangetroffen met tabletten. Dit werd in verschillende verschijningsvormen voor nader onderzoek aan ons, verbalisanten, overgedragen door twee rechercheurs van de Districtsrecherche Centrum/Noord.

  • -

    Bij het openen van de schoenendoos zagen wij meerdere plastic zakjes met tabletten. Wij zagen dat het tabletten in drie verschillende verschijningsvormen betroffen. De drie verschijningsvormen werden door ons gewogen (bruto), indicatief getest en er werden monsternames veiliggesteld voor nader drugsonderzoek.

  • -

    SIN monstername:

AAMS2678NL

AAMS2679NL

- Het totaal aantal tabletten bedroeg: 5996 stuks.

Een verslag van 15 oktober 2019, laboratoriumnummer 1329N19 van ing. L.I. Stuyver, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte NN (doorgenummerde pag. 198, van nazending ‘zaaksdossier bezit van/handel in harddrugs’).

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

Item SIN Omschrijving M Bevat
63767 AAMS2678NL 1 plastic zakje met oranje tabletten, indruk: speelkaart 1, 2 MDMA
(monster uit item 5817257)
63768 AAMS2679NL 1 plastic zakje met tweelaagse, blauw-oranje tabletten, 1,2 MDMA
indruk: Koekiemonster (monster uit item 5817261)

Een proces-verbaal met nummer PL1300-2019210846-24 van 18 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] , met bijlagen (doorgenummerde pag. 004 t/m 094 van nazending ‘zaaksdossier bezit van/handel in harddrugs’).

In het proces-verbaal zijn de bevindingen van het onderzoek aan de onder verdachte in beslaggenomen telefoon weergegeven. De verbalisant heeft onder meer het aantal contacten en aantal gesprekken onderzocht en sms- en chatgesprekken weergegeven in het proces-verbaal. Ook heeft de verbalisant uitleg gegeven van woorden die zijn gebruikt in de gesprekken. De rechtbank onderschrijft de uitleg van de verbalisant van de woorden (straattaal) en concludeert dat de gesprekken gaan over handel in harddrugs. De gesprekken zijn als bijlagen bij het proces-verbaal gevoegd. De rechtbank acht de inhoud van het proces-verbaal en de gesprekken integraal redengevend voor de bewezenverklaring.

Bewijsoverwegingen

Feit 1

De gegevens die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek aan de onder verdachte in beslag genomen telefoon, in het bijzonder de sms- en chatgesprekken, duiden op handel in harddrugs. Dat verdachte ook degene was die gebruik heeft gemaakt van de telefoon bij deze gesprekken, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de telefoon onder hem in beslag is genomen. Ook volgt het uit sms- en chatgesprekken. Zo wordt bijvoorbeeld gerefereerd aan de woning aan de [adres 2] in Amsterdam Noord, waar verdachte verbleef. Dat verdachte de telefoon heeft uitgeleend, zoals hij bij de politie heeft verklaard, is niet aannemelijk geworden. Verdachte verklaart niet aan wie hij de telefoon dan zou hebben uitgeleend. Hiermee is zijn verklaring niet te verifiëren. Hij geeft de politie geen aanknopingspunten voor nader onderzoek. De rechtbank kan dan ook niet anders concluderen dan dat verdachte heeft getracht te verhullen dat hij de gebruiker was van de telefoon.

Feit 2

Om verdachte verantwoordelijk te kunnen houden voor het aanwezig hebben van de MDMA-tabletten in de woning aan [adres 2] op 6 oktober 2019 is vereist dat hij wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid daarvan en daarnaast dat hij beschikkingsmacht daarover heeft gehad.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte die wetenschap en beschikkingsmacht niet had en dat hij daarom moet worden vrijgesproken van feit 2.

De rechtbank is, met de officier van justitie van oordeel, dat het betoog van de raadsman niet slaagt en dat verdachte wel degelijk die wetenschap en beschikkingsmacht had. Verdachte woonde op het moment dat de schoenendoos met MDMA-pillen in de woning werden aangetroffen immers feitelijk in de woning. Verder is uit het onderzoek aan de telefoon van verdachte gebleken dat hij zich op dat moment bezig hield met handel in harddrugs. Aan de overtuiging draagt bij dat bij het vermiste meisje pillen zijn aangetroffen met precies dezelfde opdruk (speelkaart) als de pillen uit de schoenendoos. Dit wekt sterk de indruk dat de pillen van het meisje afkomstig zijn uit de ‘voorraad’ waar verdachte over kon beschikken.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

Strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, met aftrek van voorarrest. De strafeis heeft zij gebaseerd op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Uit het reclasseringsadvies van Inforsa komt naar voren dat verdachte hulp nodig heeft om zijn leven op de rit te krijgen. Hij staat echter niet open voor hulpverlening. Het (mede) opleggen van een hulpverleningstraject behoort dus niet tot de mogelijkheden, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de raadsman

Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging zou komen, heeft de raadsman het volgende aangevoerd. De rechtbank dient uit te gaan van de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die zijn opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die oriëntatiepunten vermelden een gevangenisstraf van achttien maanden voor de ten laste gelegde feiten. Dat zou echter een veel te zware straf zijn voor verdachte. Hij is voor en na de ten laste gelegde feiten niet in aanraking gekomen met politie/justitie voor soortgelijke feiten. Wat zou het nut zijn van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte? Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van één jaar, en daarbij eventueel een forse werkstraf zou passend zijn.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt oplegging van een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan handel in harddrugs. Daartoe had hij de beschikking over een grote hoeveelheid MDMA-tabletten. Verder had hij veel handelscontacten. Algemeen bekend is dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Verder gaat de handel in harddrugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij hieraan heeft bijgedragen.

Zoals de raadsman ook al opmerkte, vermelden de oriëntatiepunten voor strafoplegging van het LOVS een gevangenisstraf van achttien maanden voor de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank heeft dit als uitgangspunt genomen. Verdachte heeft de rechtbank weinig handvatten gegeven om vanwege zijn persoonlijke omstandigheden naar beneden af te wijken van de oriëntatiepunten. Hij heeft ontkend de feiten te hebben gepleegd en is niet voor de rechtbank verschenen om zich te verantwoorden. Enig inzicht bij verdachte in het kwalijke van zijn handelen is de rechtbank niet gebleken. Hij heeft niet getracht de rechtbank ervan te overtuigen dat hij niet weer de fout in zal gaan. De rechtbank ziet aanleiding om een aanzienlijk deel van de achttien maanden gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Op grond van de reclasseringsrapportage is duidelijk dat verdachte problemen heeft op meerdere leefgebieden, zoals huisvesting, dagbesteding en financiën. Deze rapportage dateert van 7 oktober 2019 en is daarmee niet meer recent. De raadsman heeft op de terechtzitting echter opgemerkt dat er niet veel is veranderd in de situatie van verdachte. Die problemen op verschillende leefgebieden, die ook negatieve invloed hebben op de kans op recidive, geven de rechtbank aanleiding een flink voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Daarmee beoogt de rechtbank verdachte te weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

8 Beslag

De beslaglijst vermeldt een GSM-Samsung en een KMAR-jas. De raadsman heeft opgemerkt dat verdachte de GSM niet terug wil en dat hij geen aanspraak maakt op de jas. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over het beslag.

Verbeurdverklaring van GSM-Samsung

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een GSM-Samsung, dat aan verdachte toebehoort, dient – in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie – te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 2 bewezen geachte is begaan.

Bewaring ten behoeve ven rechthebbende van KMAR-jas

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen grond voor onttrekking aan het verkeer van de KMAR-jas. Nu verdachte afstand heeft gedaan van de jas zal de rechtbank beslissen dat de jas moet worden bewaard voor de rechthebbende.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

opzettelijk handelen in strijd met een artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart verbeurd:

- een GSM-Samsung.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- een KMAR-jas.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,

mrs. J. Thomas en C.M. Degenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2020.