Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5790

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
13/141236-20 (zaak A) en 13/079374-20 (zaak B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling (waarvoor volledig ontoerekeningsvatbaar) en bedreiging (waarvoor verminderd toerekeningsvatbaar). Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één week. Verlenen zorgmachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/141236-20 (zaak A) en 13/079374-20 (zaak B) (Promis)

Datum uitspraak: 11 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in “ [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2020.

De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de hierboven vermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A en zaak B genoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Vingerling naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij in Amsterdam:

Zaak A

op 26 mei 2020 [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

Zaak B

1. op 24 maart 2020 een ruit en/of algemene toegangsdeur van [slachtoffer 2] of

woningbouwvereniging [naam] heeft vernield/beschadigd.

2. op 23 maart 2020 zijn zus [slachtoffer 3] en/of zijn moeder [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

De tekst van de volledige tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage (bijlage I) die aan dit vonnis is gehecht en als hier ingevoegd geldt.

3 Voorvragen

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie voor de in zaak B als feit 2 tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 3] , niet-ontvankelijk is. [slachtoffer 3] heeft bij de politie aangegeven dat zij geen aangifte van dit feit wil doen tegen haar broer. Zij wil de bijzondere band die zij met hem heeft goed houden. Het Openbaar Ministerie had gelet op de kenbare keuze van [slachtoffer 3] onder deze omstandigheden niet tot vervolging van dit feit over kunnen gaan.

3.1.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging. Om tot vervolging van bedreiging over te kunnen gaan, is geen klacht vereist met daarin de wens van het slachtoffer dat het feit wordt vervolgd. Door de moeder van verdachte is aangifte gedaan van bedreiging van [slachtoffer 3] en van haarzelf. Het Openbaar Ministerie heeft kunnen besluiten om verdachte ook voor bedreiging van [slachtoffer 3] te vervolgen.

3.1.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het op grond van het opportuniteitsbeginsel aan het Openbaar Ministerie is om te beslissen of sprake is van een (mogelijk) strafbaar feit en zo ja, te bepalen onder welke strafbepaling(en) naar Nederlands recht het feitencomplex kan vallen en welke kwalificatie passend is, waarna een vervolgingsbeslissing kan worden genomen. Deze aan het Openbaar Ministerie toekomende zelfstandige beslissingsbevoegdheid kan door de rechter maar in beperkte mate worden getoetst. De rechtbank moet, gezien het gevoerde verweer, beoordelen of het Openbaar Ministerie na afweging van belangen in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

De rechtbank kan zich indenken dat bij de beoordeling of tot vervolging wordt overgegaan, kan meewegen dat het slachtoffer bewust geen aangifte heeft willen doen. Bedreiging is een delict dat kan worden vervolgd zonder dat het slachtoffer zelf uitdrukkelijk wenst dat tot vervolging wordt overgegaan. Ook is niet per se nodig dat het slachtoffer daarvan zelf aangifte heeft gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft bij het nemen van de vervolgingsbeslissing niet alleen rekening te houden met de belangen van de directe slachtoffers, maar ook met het belang van de maatschappij bij vervolging van strafbare feiten. De omstandigheid dat [slachtoffer 3] heeft aangegeven geen aangifte te willen doen tegen verdachte, is niet zo zwaarwegend dat het Openbaar Ministerie in dit geval niet tot vervolging had mogen overgaan. Het Openbaar Ministerie heeft bij het instellen van de vervolging niet gehandeld in strijd met de wet, een verdrag of enig beginsel van een goede procesorde. De rechtbank verwerpt het verweer. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

3.2

Overige voorvragen

De dagvaardingen van zaak A en zaak B zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt de in zaak A en zaak B tenlastegelegde feiten bewezen op basis van de stukken in het dossier.

4.2

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de tenlastegelegde mishandeling (zaak A) en vernieling (zaak B onder 1) bekend. De raadsman heeft ten aanzien van deze feiten geen bewijsverweren gevoerd.

Verdachte heeft de bedreiging van zijn zus (zaak B onder 2) bekend. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij tegen zijn moeder heeft geschreeuwd, maar kan zich niet herinneren of hij tegen haar de tenlastegelegde bewoordingen heeft geuit.

De raadsman heeft bepleit dat vrijspraak moet volgen van bedreiging van [slachtoffer 3] (zaak B onder 2). Gezien de absurde inhoud van de uitlatingen en de omstandigheden waaronder verdachte de bewoordingen heeft geuit, was de bedreiging niet van dien aard dat bij [slachtoffer 3] de redelijke vrees kon worden opgewekt voor het misdrijf waarmee werd gedreigd.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Zaak A

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar eenmaal met kracht tegen haar gezicht te stompen, gelet op de aangifte en de verklaring van getuige [naam 2] . Verdachte heeft dit feit op de zitting bekend. Gezien de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is het niet nodig dit oordeel verder te motiveren. Omdat verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman hiervan geen vrijspraak heeft bepleit, kan worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een bijlage (bijlage II) die aan dit vonnis is gehecht.

4.3.2

Zaak B

4.3.2.1 Feit 1 (vernieling)

De rechtbank vindt beschadiging van een ruit en de algemene toegangsdeur toebehorende aan woningbouwvereniging [naam] bewezen op grond van de aangifte, de klacht en de verklaring van getuige [slachtoffer 3] . Verdachte heeft dit feit op de zitting bekend. Gezien de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is het niet nodig dit oordeel verder te motiveren. Omdat verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman hiervan geen vrijspraak heeft bepleit, kan worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een bijlage (bijlage II) die aan dit vonnis is gehecht.

4.3.2.2 Feit 2 (bedreiging [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] )

De rechtbank gaat op basis van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De avond van 23 maart 2020 was tussen verdachte en zijn broer ruzie ontstaan. [slachtoffer 2] , de moeder van verdachte, wilde dat daar een einde aan kwam en zei tegen verdachte dat hij rustig moest doen. Daarop schreeuwde verdachte tegen haar dat hij ‘haar handen eraf zou hakken’. Zijn zus [slachtoffer 3] reageerde hierop dat verdachte met respect tegen zijn moeder moest praten. Verdachte vond dat zijn zus zich er niet mee moest bemoeien en schreeuwde tegen haar dat als zij dat wel deed hij ‘een telefoon in haar keel zou stoppen’ en ‘haar hoofd eraf zou scheuren’.

De rechtbank stelt voorop dat de door verdachte in de richting van zijn moeder en zus geuite bewoordingen naar hun betekenis een onmiskenbaar bedreigende strekking hebben. De uitlatingen konden gezien de omstandigheden waaronder verdachte die heeft gedaan, tijdens een ruzie waarin verdachte geen bemoeienis van anderen zoals zijn moeder of zus duldde en gelet op het gegeven dat verdachte volgens de aangifte gewelddadig is, snel boos is als hij zijn zin niet krijgt en eerder geweld heeft gebruikt tegen gezinsleden, bij zowel zijn moeder als zijn zus de redelijke vrees opwekken dat zij door toedoen van verdachte het leven zouden verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. De omstandigheid dat die bedreigingen – zoals de raadsman stelt – absurd zouden zijn, doet daaraan geen afbreuk. Deze woorden zijn bovendien voldoende specifiek en op de persoon van zijn moeder respectievelijk zijn zus gericht. Uit de aangifte blijkt dat de moeder van verdachte zich daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld en bang is dat verdachte haar of haar kinderen echt iets gaat aandoen. Dat uit het dossier niet uitdrukkelijk blijkt dat deze vrees ook daadwerkelijk bij de zus van verdachte is ontstaan, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg omdat niet vereist is dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt. De rechtbank vindt het in zaak B onder 2 tenlastegelegde daarom bewezen en verwerpt het verweer van de raadsman.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in de bijlage (bijlage II) opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Zaak A:

op 26 mei 2020 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld bestaande die mishandeling uit het eenmaal met kracht stompen tegen het gezicht van [slachtoffer 1] ;

Zaak B:

1.

op 24 maart 2020 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit en de algemene toegangsdeur toebehorende aan woningbouwvereniging [naam] heeft beschadigd;

2.

op 23 maart 2020 te Amsterdam zijn zus [slachtoffer 3] en/of zijn moeder [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “ik hak je handen eraf” en/of “ik hak je hoofd eraf en stop de telefoon in je keel”, althans woorden van soortgelijke aard of strekking.

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging stonden, zijn verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

7.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard voor wat betreft het in zaak A bewezenverklaarde feit. Daarvoor dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. Voor wat betreft het in zaak B bewezenverklaarde is verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard voor zowel het feit in zaak A als de feiten in zaak B. Hiervoor dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

Als de rechtbank dat anders ziet, dient verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te worden verklaard ten aanzien van de feiten in zaak B.

7.3

Oordeel van de rechtbank

GZ-psycholoog J. Yntema heeft op 20 augustus 2020 en 21 oktober 2020 over verdachte gerapporteerd. Zij concludeert dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis in de zin van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis, een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag, een matige tot ernstige stoornis in cannabisgebruik en zwakbegaafdheid. Ook zijn er aanwijzingen voor een schizofrene ontwikkeling en/of in combinatie met onderliggend trauma. Deze stoornissen waren ook ten tijde van de feiten in zaak A en zaak B bij verdachte aanwezig. De psychotische stoornis en het daaruit voortvloeiende toestandsbeeld, met name het wantrouwen en de achterdocht, heeft het denken en handelen van verdachte tijdens de mishandeling van [slachtoffer 1] (zaak A), volledig bepaald. De psycholoog adviseert om verdachte daarvoor volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Ten tijde van het bewezenverklaarde in zaak B werd het gedrag van verdachte niet volledig gestuurd vanuit de psychotische beleving. Verdachte heeft daarbij ook vanuit gevoelens van frustratie, machteloosheid, boosheid en verdriet gehandeld. Wel heeft de psychotische stoornis het denken en handelen van verdachte tijdens de bedreigingen en vernielingen deels bepaald. Zij adviseert om verdachte de feiten in zaak B verminderd toe te rekenen.

Mede vanuit zijn zwakbegaafdheid en in combinatie met zijn sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand is verdachte moeilijk in staat om oorzaak-gevolgrelaties te overzien, kan hij impulsiever reageren en moeite hebben met het reguleren van zijn emoties. Daarnaast is verdachte vanuit de psychotische stoornis achterdochtig en wantrouwend, mogelijk versterkt door het gebruik van cannabis. Chronische stress heeft voor verdere psychotische ontregeling gezorgd. Het risico op soortgelijke feiten wordt door de psycholoog (met enige voorzichtigheid als het gaat om de feiten in zaak B) als hoog ingeschat. Gelet op de problematiek en het hoge recidiverisico is er een behandelnoodzaak. De psycholoog adviseert om aan verdachte een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, lid 1, Wet forensische zorg (Wfz) te verlenen.

De rechtbank volgt de conclusie van de psycholoog dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard voor het feit in zaak A en neemt deze over. Verdachte heeft [slachtoffer 1] volledig vanuit zijn stoornis mishandeld. Verdachte is niet strafbaar voor dit feit en zal hiervoor worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank vindt overeenkomstig de conclusies van de psycholoog en anders dan de raadsman aannemelijk dat verdachte ten tijde van de feiten in zaak B niet volledig door de geconstateerde psychische stoornissen werd beïnvloed in zijn gedragskeuzes en handelen. Op dat moment speelden ook bepaalde invoelbare emoties en gevoelens daarbij een rol. Verdachte was na een ruzie het huis uit gezet en heeft de hele nacht buiten doorgebracht. Op het moment van zijn aanhouding voor deze feiten leek er geen sprake te zijn van vergaande (psychotische) ontregeling. Verdachte maakte een redelijk coherente indruk. Dat was anders ten tijde van en na de mishandeling van [slachtoffer 1] enkele maanden later. De rechtbank volgt de conclusie van de psycholoog dat verdachte wel in enige mate werd beïnvloed in zijn gedragskeuzes ten tijde van de feiten in zaak B en zal de in zaak B bewezen verklaarde feiten daarom in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het in zaak B bewezen verklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven een zorgmachtiging te verlenen en heeft hiervoor een verzoekschrift ingediend.

8.2

Standpunt van de verdediging

In het geval de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar verklaart ten aanzien van de feiten in zaak B, heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. De duur van het voorarrest mag niet bepalend zijn voor de hoogte van de op te leggen straf. Gezien de persoon van verdachte, de verminderde toerekenbaarheid van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en het gegeven dat verdachte geen strafblad heeft, is een gevangenisstraf van een aantal dagen tot maximaal één week passend. Het belangrijkste is dat verdachte via een zorgmachtiging hulp krijgt in het civiele kader.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een toegangsdeur en een ruit beschadigd. Dat is vervelend gedrag waarmee verdachte schade heeft toegebracht aan woningbouwvereniging [naam] en zijn gezinsleden overlast heeft bezorgd. Naast de vernieling heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn moeder en zus. De bedreiging heeft met name bij de moeder van verdachte gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen omdat zij bang is dat verdachte haar of haar kinderen echt iets zal aandoen.

De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de omstandigheid dat deze feiten verminderd aan verdachte worden toegerekend gezien de bij verdachte vastgestelde psychische stoornissen die aanwezig waren ten tijde van het plegen van deze feiten. GZ-psycholoog J. Yntema heeft in haar rapport van 21 oktober 2020 geconcludeerd dat het gedrag en handelen van verdachte hierdoor werden beïnvloed, zoals hiervoor uitvoerig is besproken. Ook het gegeven dat verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, weegt in zijn voordeel mee.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsadvies van 20 augustus 2020, opgemaakt door X. de Visser. Hieruit blijkt dat verdachte sinds twee jaar verward en agressief gedrag vertoont en cannabis rookt. De reclassering ziet geen beschermende factoren in het leven van verdachte. Hij is dakloos, rookt cannabis, heeft geen inkomen, geen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt en kampt met een ernstige psychiatrische aandoening. Deze problematiek behoeft langdurige behandeling binnen de GGZ. De reclassering sluit zich aan bij de visie dat een zorgmachtiging noodzakelijk is en de voorkeur verdient boven een traject in het forensische kader.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer 20-6890, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wfz is verleend.

Alles afwegende, vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van één week passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat is een veel lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank vindt de eis niet passend bij de ernst en aard van de feiten en de strafmatigende omstandigheden die daarbij moeten worden meegewogen.

9. Benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 400,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie vindt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente. Ook heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De raadsman verzoekt de vordering van de benadeelde partij te matigen. In soortgelijke zaken waarin sprake is van het geven van een enkele droge klap wordt doorgaans een lager bedrag aan schadevergoeding toegekend.

Ontvankelijkheid benadeelde partij

Op 1 januari 2020 is artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) komen te vervallen. Met ingang van diezelfde datum is de Wet forensische zorg (Wfz) in werking getreden. Met het afgeven van een zorgmachtiging door de strafrechter wordt hetzelfde doel nagestreefd als met de maatregel van opname in een psychiatrisch ziekenhuis zoals opgenomen in het vervallen artikel 37 Sr, namelijk ervoor zorgen dat verdachte verplichte zorg krijgt waardoor – kort gezegd – het risico voor gevaar voor de (algemene) veiligheid van personen of goederen wordt afgewend.

Omdat de rechtbank met het afgeven van de zorgmachtiging een equivalent van het vervallen artikel 37 Sr heeft verstrekt, is zij van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en de rechtbank ook een schadevergoedingsmaategel kan opleggen. De rechtbank gaat ervan uit dat de wetgever door de invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging aan te brengen in de positie van de benadeelde partij

Toewijzing vordering benadeelde partij

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft [slachtoffer 1] , die in haar auto voor het stoplicht stond te wachten maar zich uit het niets geconfronteerd zag met verdachte, via het open raam aan de bestuurderszijde een harde stomp in haar gezicht gegeven. Hieraan heeft zij letsel over gehouden, namelijk een bult aan de binnenkant van haar lip en een snee. Uit de stukken die ter onderbouwing van de vordering zijn ingebracht, volgt dat de zwelling aan de kaak als gevolg van de stomp de dagen na het misdrijf groter is geworden. De huisarts constateerde een abces aan de binnenzijde van de mond, waardoor [slachtoffer 1] enkele weken antibiotica heeft moeten gebruiken. Gelet op het letsel en de medische behandeling die [slachtoffer 1] heeft moeten ondergaan als gevolg van het handelen van verdachte, vindt de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 400,- redelijk en billijk. De rechtbank wijst de vordering toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag waarop de vordering is voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die haar door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag waarop de vordering is voldaan.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A:

mishandeling

Ten aanzien van zaak B feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van zaak B feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], voor het in zaak A bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Verklaart verdachte voor het in zaak B bewezene wel strafbaar.

Veroordeelt verdachte daarvoor tot een gevangenisstraf van 1 (één) week.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag waarop het bedrag is voldaan.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte op de verplichting ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 400,- (vierhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag waarop het bedrag volledig is voldaan. Wanneer verdachte niet of niet volledig betaalt kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst wordt in de kliniek van [naam kliniek] . Dit bevel zal apart worden opgemaakt en aan het vonnis worden gehecht.

De betreffende zorgmachtiging moet worden aangemerkt als een maatregel die vrijheidsbeneming met zich meebrengt of kan meebrengen, als bedoeld in artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en G.H. Marcus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2020.