Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5771

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
13/846032-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor het voorhanden hebben en verkopen van professioneel vuurwerk, het voorhanden hebben van elf busjes pepperspray, het voorhanden hebben en overdragen van een vuurwapen en de handel in hasj.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/846032-20 en 13/994011-20 (ter berechting gevoegd)

Datum uitspraak: 20 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2020. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H.M. Beune en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N. Hendriksen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich (al dan niet opzettelijk) heeft schuldig gemaakt aan het:

1. als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis opslaan/voorhanden hebben van professioneel vuurwerk;

2. ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk aan [naam 1] ;

3. voorhanden hebben van elf busjes pepperspray;

4. voorhanden hebben en/of overdragen aan [naam 2] van twee alarmpistolen;

5. handelen in hasjiesj.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen verweer gevoerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen uit het dossier en de bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

Oordeel van de rechtbank over de onderlinge verhouding tussen het eerste, tweede en derde lid van artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit (Vwb)

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde in het bijzonder het volgende.

Sinds een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8857) is in de feitenrechtspraak meermalen geoordeeld dat het derde lid van artikel 1.2.2 Vwb als een systematische specialis moet worden beschouwd van het eerste lid. Uit de rechtspraak die sindsdien op dit punt is gewezen, komt echter (tot nu toe) geen eenduidig beeld naar voren.

De rechtbank heeft zich naar aanleiding van de ontwikkelingen in de rechtspraak de vraag gesteld hoe de eerste drie leden van artikel 1.2.2 Vwb zich tot elkaar verhouden en komt tot de volgende conclusies.

Het besluit en de wetsgeschiedenis

De eerste drie leden van artikel 1.2.2 Vwb luiden sinds 4 juli 2010 als volgt:

“1 Het is verboden professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, indien bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.

2 Het is verboden aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ter beschikking te stellen.

3 Het is verboden als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan, voorhanden te hebben of tot ontbranding te brengen.”

In de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Vwb van 4 juli 20101 zijn onder meerde volgende passages opgenomen over artikel 1.2.2:

“Het verbodsartikel voorziet erin handhavend te kunnen optreden tegen degenen die professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in strijd met het besluit hebben bestemd voor gebruik door particulieren. Aangezien aan het gebruik van deze artikelen meer gevaren kleven dan aan het gebruik van consumentenvuurwerk behoren dergelijke artikelen om veiligheidsredenen niet in handen van particulieren te komen. Om hieraan daadwerkelijk de hand te kunnen houden is in artikel 1.2.2., eerste lid, het verbod om professioneel vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik te bestemmen voor particulier gebruik, gericht tot de hele vuurwerkketen, zijnde de fabrikant, de importeur en distributeur. Alleen door de handhaving te richten op de hele keten kan het bovengenoemde doel bereikt worden. Zouden fabrikanten en importeurs hiervan gevrijwaard zijn, dan is de kans zeer groot dat dit gevaarlijke vuurwerk particulieren zal bereiken. Dit is uitermate onwenselijk.”

En

“De drie leden van het artikel volgen in grote lijnen de gehele keten. Het eerste lid richt zich op de fabrikant, importeur en distributeur. Het heeft op de detailhandelaar betrekking ten aanzien van het voorhanden hebben. Het tweede lid richt zich op de transactie tussen de detailhandelaar en de particulier. Het derde lid betreft de particulier zelf. (…)

Er zijn kleine verschillen in formulering tussen de leden van artikel 1.2.2. In het eerste lid is de term «toepassen» niet opgenomen, omdat de toepassing in de daar bedoelde schakels van de keten niet speelt.”

Conclusie: de verschillende leden bevatten kwaliteitsdelicten

Uit de toelichting volgt dat de eerste drie leden van artikel 1.2.2 Vwb gezamenlijk zich richten tot de gehele keten van het professionele vuurwerk, met als doel te voorkomen dat professioneel vuurwerk in handen komt van niet-professionals. Elk van de leden richt zich tot een eigen doelgroep en stelt gedragingen strafbaar die voor die doelgroep relevant zijn.

De rechtbank leidt hieruit af dat de fabrikant, de importeur en de distributeur de normadressaat zijn van de verboden van lid 1. Voor wat betreft het voorhanden hebben geldt dat ook de detailhandelaar een normadressaat is. De detailhandelaar is daarnaast de normadressaat van het verbod van lid 2. De particulieren (de personen zonder gespecialiseerde kennis) zijn de normadressaten van de verboden van het derde lid. Dit betekent dat de leden 1 en 2 impliciete kwaliteitsdelicten zijn. Het derde lid is een expliciet kwaliteitsdelict, nu de kwaliteit ‘als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis’ in de strafbepaling is opgenomen.

Wat betekent dit voor de bewezenverklaring?

Om tot een bewezenverklaring te komen van een kwaliteitsdelict, is vereist dat de aanwezigheid van de relevante hoedanigheid bewezen kan worden. Voor de begrippen ‘fabrikant’, ‘importeur’ en ‘distributeur’ dient aansluiting gezocht te worden bij de definities uit artikel 1.1.1 Vwb. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat fabrikanten, importeurs en distributeurs professionals zijn. Het gaat om (rechts)personen die op zichzelf genomen gedragingen mogen verrichten met betrekking tot professioneel vuurwerk, maar niet als dit vuurwerk bestemd is voor particulier gebruik.

Het begrip ‘detailhandelaar’ is niet gedefinieerd in het Vwb. Dit maakt dat de inhoud van dit begrip naar normaal spraakgebruik moet worden uitgelegd. In de eerste plaats is een detailhandelaar een professionele verkoper van professioneel vuurwerk. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook een niet-professional als detailhandelaar optreden, maar impliceert het begrip detailhandelaar wel dat sprake is van gedragingen die gericht zijn op structureel en/of systematisch handeldrijven met professioneel vuurwerk, doorgaans ook met onbekenden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in deze zaak kan worden gekwalificeerd als een detailhandelaar. Verdachte is geen officiële verkoper, maar heeft wel via het internetplatform “Telegram” structureel en systematisch handel gedreven in professioneel vuurwerk. Het professionele vuurwerk werd daarbij in algemene zin aangeboden en vervolgens verkocht aan particulieren. De (impliciet) vereiste aanwezigheid van de hoedanigheid van detailhandelaar is daarmee bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op 14 augustus 2020, te Middenbeemster (gemeente Beemster), als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, opzettelijk, professioneel vuurwerk, te weten

-30 stuks Cobra's 6 (lijst III) op de [adres 1] en

-177 stuks Cobra's 6 (lijst III) en

-3 stuks Gigant Maroons (lijst III) en

- 45,72 kg Mad Bulldog nitraten en TP2 nitraten (lijst II);

heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad.

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 12 augustus 2020 te Middenbeemster (gemeente Beemster), opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten

-ongeveer 2,28 kilogram Lijst II vuurwerk (nitraten) en/of

-3, althans een of meer, stuks Cobra 6

aan [naam 1] , zijnde een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, ter beschikking heeft gesteld.

3.

op 14 augustus 2020 te Middenbeemster (gemeente Beemster), in een woning aan de [adres 2] , 11 busjes pepperspray, wapens van Categorie II onder 6, voorhanden heeft gehad.

4.

in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 juni 2020 te Middenbeemster (gemeente Beemster),

- een alarmpistool van het merk Ekol, type Special 99, kaliber 9mm. Wapennummer EV13-20020047 en;

- een alarmpistool van het merk GAP, kaliber 9mm. Wapennummer 2020 N083388,

telkens een wapen van Categorie III,

voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen aan [naam 2] .

5. (13/994011-20, ter berechting gevoegd)

in de periode van 22 maart 2019 tot en met 3 juli 2019, te Middenbeemster (gemeente Beemster), meermalen, opzettelijk hasjiesj heeft verkocht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezengeachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, meewerken aan dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Als de rechtbank komt tot een strafoplegging die de tijd van het voorarrest niet overstijgt, dan vordert de officier van justitie een proeftijd van drie jaar.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een strafoplegging waarbij verdachte terug moet naar de gevangenis zou de positieve ontwikkelingen die met de reclassering zijn bereikt tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis doorkruisen. Verzocht is daarom om geen onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt. Rekening houdend met het voorarrest, moet worden volstaan met een resterend voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De verdediging heeft geen bezwaar tegen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en vindt dat een proeftijd van drie jaar nodig is om de problematiek van verdachte te kunnen aanpakken.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen. Daarnaast heeft hij professioneel vuurwerk verkocht aan een minderjarige. Het voorhanden hebben en onjuist opslaan van professioneel vuurwerk is bijzonder gevaarzettend. Afgezien van de brandgevaarlijkheid bij de opslag, brengt het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk grote risico’s met zich mee, niet slechts voor degene die het vuurwerk tot ontbranding brengt, maar ook voor eventuele omstanders. Te denken valt aan gehoorbeschadiging, oogletsel, verminking van ledematen of erger. Niet gebleken is dat verdachte zich op enige manier bekommerd heeft om deze in potentie levensgevaarlijke risico’s. Dit is uitermate onverantwoordelijk gedrag.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van busjes pepperspray, het voorhanden hebben en verkopen van alarmpistolen en het handelen in hasjiesj. Deze feiten zijn schadelijk voor de volksgezondheid en tasten het gevoel van veiligheid in de maatschappij ernstig aan. De alarmpistolen zijn bijvoorbeeld niet van echt te onderscheiden en daarmee geschikt voor afdreiging en het plegen van andere strafbare feiten.
Ten aanzien van de handel in hasjiesj geldt eveneens dat verdachte heeft verkocht aan minderjarigen. Verdachte heeft gehandeld met een financieel motief en heeft verder niet stilgestaan bij de gevolgen en gevaren die zijn handelen met zich mee hebben gebracht. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel van het strafblad van verdachte van 8 september 2020. Hieruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Bij de straftoemeting neemt de rechtbank verder in aanmerking de rapportages van Reclassering Nederland van 10 september 2020 en 26 oktober 2020. De reclassering adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan het realiseren en behouden van een dagbesteding.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen geachte feiten op zichzelf een forse vrijheidsbenemende straf zouden rechtvaardigen. Gelet op zijn persoonlijke omstandigheden (waaronder een diagnose van PPD-NOS in het verleden en de inmiddels positief ingeslagen weg), vindt de rechtbank voor verdachte thans evenwel een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een taakstraf, passend. Het is belangrijk dat verdachte goed begrijpt dat hij niet nog een keer de fout in moet gaan en dat hij onder toezicht van de reclassering komt. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte met hulp van de reclassering al positieve ontwikkelingen ingezet. Van belang is dat die lijn wordt voorgezet. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 180 dagen, waarvan 139 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank volgt daarbij het standpunt van de raadsman dat een langere proeftijd is geboden. Verdachte hoeft dus niet terug naar de gevangenis, maar heeft gedurende een proeftijd van drie jaren een forse voorwaardelijke straf boven zijn hoofd hangen. Aan het voorwaardelijk strafdeel verbindt de rechtbank de drie bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten de meldplicht, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan een dagbesteding. Naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank oplegging van een taakstraf van 240 uren passend.

Beslag

Onder verdachte zijn een auto, drie telefoons en geldbedragen in beslag genomen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de telefoons en de geldbedragen verbeurd worden verklaard en dat de auto wordt teruggegeven aan verdachte.

De raadsman verzoekt om de auto en de telefoons terug te geven aan de verdachte. Ten aanzien van de geldbedragen kan de verdediging het standpunt van de officier van justitie volgen en wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat alle inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd moeten worden verklaard. De bewezenverklaarde feiten zijn met behulp van de auto en de telefoons begaan en de geldbedragen zijn geheel of grotendeels door middel van de handel in drugs verkregen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

26, 31 en 55 Wet wapens en munitie;

3 en 11 Opiumwet;

1a, 2, 6 Wet op de economische delicten;

9.2.2.1 Wet milieubeheer;
1.2.2 Vuurwerkbesluit.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 2:

telkens, overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 26 en 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 5:


opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 139 (honderdnegenendertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres: [adres 3] en zich blijft melden zolang en zo vaak de reclassering dit nodig acht;

- dat veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- dat veroordeelde meewerkt aan een traject gericht op een dagbesteding in de vorm van opleiding en/of werk, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Verklaart verbeurd:

-. 1.00 STK Zaktelefoon, Iphone, G1176310;

-. 1.00 STK Personenauto [kenteken] , Ford Fiesta, Kl:blauw, G641123;

-. 1.00 STK Zaktelefoon, Apple Iphone 6s a1688, G1038502;

-. Geld Euro, EUR 140 (2x50;1x20;2x10 euro), G1038508;

-. 1.00 STK Zaktelefoon, Apple Iphone 5s a1457, G1038513

-. Geld Euro, EUR 2540 (47x50;5x20;9x10 euro), G10385.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. E.G.C. Groenendaal en F. Dekkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 november 2020.

1 Staatsblad 2009, 605.