Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5744

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
13/993093-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur, bij niet uitvoeren te vervangen door 30 dagen hechtenis, voor het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen waarvoor medeverdachte vandaag wordt veroordeeld.

Bij vonnis van vandaag is de medeverdachte, die onder meer voor het ministerie van Justitie en Veiligheid buitenlandse reizen verzorgde door de rechtbank veroordeeld voor het verzenden van een aantal valse facturen of specificaties aan het ministerie en een andere klant van het reisbureau. De facturen waren vals, omdat daarop hogere prijzen waren vermeld dan waarvoor medeverdachte de diensten had ingekocht, terwijl met deze afnemers was afgesproken dat medeverdachte behoudens de overeengekomen transactiefee geen andere kosten of bedragen in rekening mocht brengen. Ten aanzien van twee andere klanten en met betrekking tot een eerder contract met het ministerie wordt medeverdachte vrijgesproken. De rechtbank vindt niet bewezen dat in die contracten een zelfde afspraak was gemaakt. Van oplichting wordt medeverdachte eveneens vrijgesproken. In de tenlastelegging is slechts als oplichtingsmiddel opgenomen dat medeverdachte tegen het Ministerie de extra winst heeft verzwegen. Een enkele verzwijging kan niet worden aangemerkt als een oplichtingsmiddel als in de wet bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993093-18

Datum uitspraak: 23 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek op de zittingen

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 en 6 oktober 2020 (inhoudelijke behandeling) en 23 november 2020 (sluiting). Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.O. van Driel, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.I.M.G. Jahae, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling heeft een schriftelijke standpuntwisseling plaatsgevonden.

2 Waar gaat de zaak over?

Deze strafzaak is het resultaat van het onderzoek ‘Ben Loyal’ en gaat over mogelijke fraude bij [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ), een reisorganisatie voor zakelijke reizen. Verdachte [verdachte] is samen met een ander [medeverdachte] begonnen. Sinds de zomer van 2010 was hij managing director Nederland en België van [medeverdachte] , daarvoor chief operating officer. Aanleiding voor het onderzoek Ben Loyal is de verklaring van 26 februari 2015 van klokkenluider [naam klokkenluider] , oud werknemer van [medeverdachte] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] zich bij de aankoop van vliegtickets voor het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna het Ministerie)1 niet heeft gehouden aan de met het Ministerie overeengekomen voorwaarden. [medeverdachte] heeft opzettelijk onjuiste ticketprijzen doorberekend aan het Ministerie. [medeverdachte] heeft op verschillende manieren de prijzen kunstmatig verhoogd, waarbij die extra inkomsten in de zak van [medeverdachte] terecht zijn gekomen. Het verschil tussen het eigenlijke tarief en het opgehoogde tarief werd extra marge genoemd. Die extra marge werd bijgehouden in een excel document, aldus [naam klokkenluider] .

Op 16 juli 2015 heeft het Ministerie aangifte gedaan van valsheid in geschrift en oplichting tussen december 2010 en december 2012. [medeverdachte] heeft in die periode vluchten, hotelaccommodaties en autohuur voor medewerkers van het Ministerie geregeld en geboekt. Daarbij heeft [medeverdachte] in die periode een hogere vergoeding in rekening gebracht dan tussen hen is afgesproken, zoals beschreven in de raamovereenkomst van december 2010 (hierna Raamovereenkomst 2010). Het Ministerie heeft daarnaast een civiele procedure tegen [medeverdachte] aangespannen.

In februari 2016 is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar [medeverdachte] , verdachte en andere mogelijke betrokkenen. De periode is vervolgens uitgebreid omdat werd vermoed dat [medeverdachte] zich bij het Ministerie ook niet aan de eerdere raamovereenkomst van 2004 (hierna Raamovereenkomst 2004) heeft gehouden door op dezelfde manieren de prijzen kunstmatig te verhogen. Op 10 mei 2016 heeft de FIOD een doorzoeking gedaan bij [medeverdachte] . Gaandeweg het onderzoek is de verdenking uitgebreid naar andere opdrachtgevers van [medeverdachte] .

[medeverdachte] is op 4 september 2019 door de civiele rechter veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 759.070. [medeverdachte] is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst (Raamovereenkomst 2010) door een hogere verkoopprijs dan de inkoopprijs te factureren en door geen restituties af te dragen.

Uiteindelijk zijn twee verdachten gedagvaard. Naast verdachte is de rechtspersoon [medeverdachte] gedagvaard. De zaken zijn gelijktijdig op zitting behandeld en vandaag wijst de rechtbank in beide zaken vonnis.

3 Beschuldigingen

Verdachte wordt onder 1 tot en met 4 kort gezegd beschuldigd van het feitelijke leidinggeven aan en/of opdracht geven tot het door [medeverdachte] plegen van valsheid in geschrift, door op facturen/specificaties aan (1) het Ministerie, (2) TU Delft, (3) KPMG en (4) de Nederlandse Bank steeds te vermelden dat [medeverdachte] een boeking tegen een bepaald bedrag heeft verricht, terwijl die boeking in werkelijkheid tegen een lager bedrag was verricht. Onder 5 wordt verdachte verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan en/of opdracht heeft gegeven tot het door [medeverdachte] oplichten van het Ministerie door te verzwijgen dat [medeverdachte] voordelen heeft behaald. Op deze manier zou [medeverdachte] meer dan € 250.000,- van het Ministerie afhandig hebben gemaakt.

De precieze tekst van de verdenking, de tenlastelegging, is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

In de tenlastelegging onder 4 staat bij de derde specificatie de datum 24 mei 2010. De rechtbank leest dit verbeterd als 24 mei 2011 omdat gezien de verwijzing naar onderliggende documenten, duidelijk sprake is van een verschrijving. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

In de tenlastelegging onder 1 tot en met 4 leest de rechtbank telkens waar “(verzamel)factu(u)r(en) en/of specificatie(s)” staat “valse (verzamel)factu(u)r(en) en/of specificatie(s)”.

De tenlastelegging ziet bij deze feiten steeds op het gebruikmaken of afleveren van valse geschriften, zoals duidelijk is door het gebruik van de woorden “bestaande die valsheid hierin” telkens verderop in de tenlastelegging. Er is hier sprake van een kennelijke en kenbare misslag. Door de verbetering wordt verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De beschuldigingen kunnen worden bewezen. Op alle tenlastegelegde specificaties of facturen staat een hoger bedrag dan dat [medeverdachte] in werkelijkheid heeft betaald, waardoor [medeverdachte] steeds in strijd met de overeenkomsten heeft gehandeld en de facturen of specificaties vals zijn. [medeverdachte] heeft verzwegen dat zij steeds goedkopere mogelijkheden had voor de reizen waardoor zij het Ministerie heeft bewogen tot het betalen van in totaal € 254.514,83. [medeverdachte] heeft opzettelijk in strijd met de overeenkomsten gehandeld en verdachte heeft als feitelijke leidinggever zijn organisatie daartoe aangestuurd en opdracht gegeven.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte moet worden vrijgesproken van alle beschuldigingen. De facturen en specificaties zijn niet vals omdat zij weergeven wat er werkelijk is gebeurd: de bedragen op de facturen zijn de bedragen die in rekening zijn gebracht. Als de rechtbank vindt dat de facturen wel vals zijn, dan heeft verdachte daar geen opzet op gehad. Hij wist niet beter dan dat binnen de overeenkomsten extra marge mocht worden gemaakt. Hij vertrouwde op zijn organisatie die dat uitdroeg en hij mocht daar in redelijkheid ook op vertrouwen. Het is nooit in hem opgekomen dat het niet zou mogen. Het Ministerie is niet bewogen tot het afgeven van het geldbedrag, omdat eventuele voordelen per creditnota zouden worden verrekend, waardoor ook niet kan worden gesproken van oplichting.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Beschuldigingen 1 tot en met 4:

het opzettelijk gebruiken en afleveren van valse facturen/ specificaties

Om tot een veroordeling voor het opzettelijk gebruiken/afleveren van een valse factuur/specificatie te komen zoals hier ten laste gelegd, moet de rechtbank het volgende kunnen vaststellen:

- de facturen/specificaties zijn vals;

  • -

    de valse facturen/specificaties zijn gebruikt/afgeleverd door [medeverdachte] ;

  • -

    [medeverdachte] had (voorwaardelijk) opzet op zowel de valsheid als op het gebruik/ het afleveren van de valse facturen/specificaties;

  • -

    verdachte heeft aan de gedragingen van [medeverdachte] feitelijke leiding gegeven en/of daartoe opdracht gegeven.

De valsheid van de facturen/specificaties zoals ten laste gelegd, ziet er specifiek op dat [medeverdachte] voor een lager bedrag geboekt heeft dan in rekening is gebracht. De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat de voor de reizen in rekening gebrachte bedragen niet gelijk zijn aan de bedragen die [medeverdachte] daarvoor zelf heeft betaald. [medeverdachte] en verdachte hebben dat ook niet betwist. Op zichzelf houdt het factureren van een hoger bedrag dan het aankoopbedrag nog geen valsheid in. Er staat bijvoorbeeld niet op de factuur dat het om de aankoopprijs gaat. In het zakelijk verkeer is het zeer gebruikelijk om een product of dienst duurder te verkopen dan waarvoor het is aangekocht. Bij veel bedrijven is dat een belangrijk onderdeel van het verdienmodel. Pas als voor beide partijen duidelijk moet zijn geweest dat ze met elkaar hebben afgesproken dat de prijs waarvoor de boeking is verricht ook de prijs is die gefactureerd moet worden, kan sprake zijn van valse facturen zoals hier bedoeld. [medeverdachte] zou in dat geval haar geld op een andere manier moeten verdienen, bijvoorbeeld door een transactiefee. De opdrachtgever is dan terecht in de veronderstelling dat het bedrag op de factuur voor de reis ook daadwerkelijk het bedrag is dat [medeverdachte] voor de reis heeft betaald.

Om te beoordelen of de facturen vals zijn, moet de rechtbank dus kijken naar wat [medeverdachte] en de opdrachtgevers hebben afgesproken dat gefactureerd zou worden en op welke manier.

4.3.1.

Het Ministerie (feit 1) – gedeeltelijke vrijspraak

De facturen en specificaties onder 1 vallen deels onder Raamovereenkomst 2010 en deels onder Raamovereenkomst 2004. Verdachte wordt veroordeeld voor het feitelijke leidinggeven aan het door [medeverdachte] gebruiken en afleveren van vijf facturen/specificaties onder Raamovereenkomst 2010. Voor de andere facturen/specificaties onder 1 wordt hij vrijgesproken.

Veroordeling voor het gebruiken en afleveren van valse facturen/specificaties onder Raamovereenkomst 2010 2

Valse facturen en specificaties?

Raamovereenkomst 20103 is tot stand gekomen na het doorlopen van een Europese aanbestedingsprocedure. Uit artikel 1.2 van Raamovereenkomst 2010 blijkt dat het beschrijvend document4 en de Nota’s van Inlichtingen deel uit maken van de overeenkomst.

In Raamovereenkomst 2010 staat:

“Transactiefee”: de door Opdrachtnemer in rekening te brengen vergoeding voor het uitvoeren van Boekingen. Deze vergoeding is all-in waarbij in ieder geval de volgende kosten zijn inbegrepen: bureaukosten, werkgever en sociale lasten, administratiekosten, kosten voor gebruik van apparatuur en alle overige kosten. Er wordt onderscheid gemaakt in soort Transactiefee voor respectievelijk Full touch, Medium touch en No touch boekingen.5

Het programma van eisen maakt deel uit van het beschrijvend document.6 Daarin staat:

De eventuele voordelen en/of inkomsten voortkomend uit overeenkomsten met directe leveranciers van onderdelen van Dienstreizen komen altijd en volledig ten gunste aan de Deelnemers. Hiermee wordt onder andere maar niet uitsluitend bedoeld: commissies, overrides, bonussen en kortingen op overeenkomsten.

In de Nota van Inlichtingen van 29 september 2010, kenbaar uit de civiele dagvaarding7 staat:

“VRAAG:
2. Wij maken ons serieus zorgen over de rechtmatigheid van de aanbiedingen. Bij herhaling wordt gesuggereerd dat een transactie fee van € 0,01 haalbaar is, terwijl geen enkele opdrachtnemer met een dergelijke transactiefee de dienstverlening op een voor haar bedrijfsmatig verantwoorde wijze kan uitvoeren, er van uitgaand dat alle inkomsten aan de Deelnemers worden uitgekeerd (zoals u ook heeft geconstateerd).

De reden van onze zorg is het feit dat wij een trend zien in onze markt waarbij mark ups worden toegepast op de ticketprijzen. Kunt u vastleggen dat dergelijke mark ups frauduleus zijn en tevens borgen dat niet de situatie ontstaat dat Inschrijvers in de casussen een netto ticketprijs neerleggen en na gunning alsnog gaan werken met zogenaamde mark ups?

ANTWOORD:

Ten aanzien van de vermeende suggestie zij opgemerkt dat Opdrachtgever nooit heeft gesuggereerd of heeft willen suggereren dat een Transactiefee van € 0,01 haalbaar is. Voor zover die suggestie dus al is gewekt vloeit die voort uit de door inschrijver gestelde vragen. Deze vragen zijn op aanbestedingsrechtelijke gronden en conform de gelende procedures integraal en anoniem verspreid met de bijbehorende antwoorden U vreest verder dat onrechtmatige inschrijvingen gedaan worden. Deze onrechtmatigheid zou zijn gelegen in het feit dat Opdrachtnemer inschrijft in de wetenschap dat hij bij de contractuitvoering naast de Transactiefee en het all-in tarief van het ticket, andere posten (o.a. winstmarge) in rekening gaat brengen bij Opdrachtgever (door u aangeduid als ‘markup’). Deze markup zou het mogelijk maken om lage transactiefees aan te bieden.

Hoewel Opdrachtgever van oordeel is dat reeds uit het beschrijvend document blijkt dat dergelijke markups niet voor vergoeding in aanmerking komen, wordt dat hier nog eens uitdrukkelijk bevestigd.”

De transactiefee die in rekening kan worden gebracht als [medeverdachte] een boeking uitvoert bedraagt volgens artikel 12.6 van Raamovereenkomst 2010 € 0,01. Alle kosten worden geacht in die fee te zijn inbegrepen.8

In het licht van de hiervoor beschreven stukken kan deze contractsbepaling niet anders worden uitgelegd dan dat [medeverdachte] alleen de prijs die zij daadwerkelijk voor de boeking betaalt, mag doorberekenen aan het Ministerie.

De verdediging heeft aangevoerd dat de aankoopprijs van een ticket op het moment van factureren nog niet vaststaat en dat het daarom niet mogelijk is om de aankoopprijs op de factuur te vermelden. Als de gefactureerde bedragen achteraf te hoog blijken, moeten de bedragen via een creditfactuur worden terugbetaald aan het Ministerie.

De rechtbank begrijpt dit verweer zo dat de verdediging stelt dat de overeenkomst niet zo kan worden uitgelegd dat de inkoopprijs op de facturen zou moeten worden vermeld, omdat die uitleg zou betekenen dat [medeverdachte] gehouden zou zijn tot iets wat feitelijk onmogelijk is en zo’n uitleg niet voor de hand ligt.

Uit het dossier blijkt dat het moment van ticketing (printen) en het moment van factureren hetzelfde is.9 De prijs is definitief op het moment van het printen van het ticket.10 Op het moment dat een ticket wordt geprint, wordt ook de factuur uitgestuurd naar de klant.11 Dit betekent dat op het moment van uitsturen van de factuur voor [medeverdachte] duidelijk is welke prijs zij voor het ticket moet betalen.

Als het bedrag op de factuur hoger is dan het bedrag dat voor de aankoop van het ticket is betaald, is dat gelet op het voorgaande in strijd met de afspraken. Op grond van die afspraken mocht het Ministerie er vanuit gaan dat het bedrag op de factuur het bedrag was dat voor de aankoop van het ticket is betaald. Een factuur of specificatie waar een ander bedrag op staat dan de aankoopprijs is daarom vals. Onder 1 staan vijf facturen en specificaties die zijn gebruikt en verstuurd nadat Raamovereenkomst 2010 op 1 december 2010 in werking is getreden en waar de prijs van aankoop lager was dan de prijs op de factuur. Het gaat dan om specificaties van 17 december 2010,12 6 januari 2011,13 21 januari 201114en facturen van 22 februari 201115 en 30 september 2011.16 Op al deze facturen en specificaties is een extra marge in rekening gebracht, in strijd met de afspraken.

Dit is af te leiden uit de omstandigheid dat de betreffende dossiernummers steeds met een bedrag aan extra marge voorkomen op de zogenoemde extramarge-lijsten en in de grootboekrekening inkoopverschillen (8811000) steeds een overeenkomstig bedrag is opgenomen.17 [medeverdachte] heeft deze facturen en specificaties ook gebruikt en afgeleverd door ze aan het Ministerie te verzenden.

Strafbaarheid van de rechtspersoon

De rechtbank vindt dat [medeverdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van de valse specificaties en facturen.

Het opmaken en verzenden van de valse facturen gebeurde binnen de normale bedrijfsvoering van [medeverdachte] . Het maken van extra marge was onderdeel van het commercieel proces van [medeverdachte] .18 Het voordeel dat het behalen van extra marges heeft opgeleverd, is ten goede gekomen aan [medeverdachte] .

Opzet en feitelijke leidinggeven verdachte
De rechtbank vindt dat verdachte opzet heeft gehad op het door [medeverdachte] gebruiken en versturen van de valse facturen en specificaties naar het Ministerie en daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Verdachte werkte vanaf de zomer van 2010 als managing director bij [medeverdachte] .19 Verdachte heeft op 28 juli 2010 Raamovereenkomst 2010 voor akkoord getekend en is zodoende akkoord gegaan met het bijbehorende programma van eisen. Hij was dus vanaf het begin van zijn functie als managing director betrokken bij de totstandkoming van Raamovereenkomst 2010.20

Verdachte heeft op 26 en 27 juli 2010 met de [naam 1] , toen chief strategic officer bij [medeverdachte] , gemaild over de overeenkomst en de transactiefee. Dit was vlak voor het tekenen van de offerte van de aanbesteding. In deze mailwisseling wordt de inhoud van het programma van eisen besproken. [naam 1] schrijft:

“Begrip Fee definitie: de in rekening te brengen vergoeding voor het uitvoeren van boekingen. Deze vergoeding is ALL-IN”

en:

“In het begrip Fee staat heel expliciet dat deze ALL-IN is (…) wij zijn er van uit gegaan dat alles hier in moet zitten, dus ook commissies etc. (…) In het programma van Eisen staat vermeld dat kortingen etc. moeten terugvloeien.”

en:

“Alle creatieve speelruimte voor ons is weggenomen.”

Verdachte schrijft terug:

“0,01 slaat nergens op als we ook overrides moeten gaan terugbetalen.”21

Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte wist van de inhoud van de afspraken met het Ministerie en wist dat door extra marge in de factuurbedragen op te nemen de facturen vals waren. Verdachte heeft dan ook opzet gehad op het gebruiken en verzenden van de valse facturen en specificaties.

De rechtbank vindt dat het opzet van verdachte ook aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Verdachte heeft de bedrijfsvoering vanuit zijn functie zo ingericht dat de doelstelling was om zoveel mogelijk extra marge te behalen. Verdachte heeft namens [medeverdachte] gehandeld vanuit zijn functie als managing director. Hij was eindverantwoordelijk voor de Nederlandse organisatie van het bedrijf en stuurde zijn afdelingen aan tot het creëren van extra inkomsten.22 Verdachte heeft vanuit zijn functie van managing director feitelijke leiding gegeven aan het handelen van [medeverdachte] .

Geen medeplegen

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte hierin samen heeft gewerkt met een ander. Van medeplegen wordt hij vrijgesproken.

Vrijspraak van facturen en specificaties die onder Raamovereenkomst 2004 vallen

Valse facturen en specificaties?

In de overeenkomst en de daaraan voorafgegane aanbestedingsprocedure is vastgelegd dat reizen op “de meest efficiënte en voordeligste wijze” plaats moeten vinden. Eventuele kortingen moeten terugvloeien naar het Ministerie. Volgens de overeenkomst moet op de factuur staan wat de totale vliegticketkosten zijn.

Hieruit volgt niet evident dat het [medeverdachte] niet was toegestaan om extra marge in rekening te brengen en er dus in strijd met de overeenkomst, vals, zou zijn gefactureerd. Uit de stukken blijkt niet dat de aankoopprijs van een ticket moet worden gefactureerd. “De meest efficiënte en voordeligste wijze” kan meer omvatten dan alleen de laagste prijs. Wat onder de kortingen moet worden verstaan die terug moeten vloeien naar het Ministerie blijkt niet. Ook wat onder de “totale vliegticketkosten” moet worden verstaan wordt uit de stukken onvoldoende duidelijk. Verdachte wordt vrijgesproken van de drie facturen en specificaties die onder Raamovereenkomst 2004 vallen (23 december 2009, 19 november 2010 en 24 november 2010).

4.3.2.

TU Delft (feit 2) – vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 2

Valse facturen en specificaties?

In de overeenkomst en het programma van wensen uit de aanbestedingsprocedure staat dat TU Delft kan profiteren van maximaal te behalen kortingspercentages, afhankelijk van bestemming, route, boekingsklasse en reisduur. [medeverdachte] garandeert daarmee de laagst beschikbare vliegtarieven in Nederland en doet die garantie door gebruik te maken van onder andere lokale inkooptarieven in Azië en Afrika. Over het boekingsproces wordt beschreven dat na het inboeken van een reismogelijkheid altijd een tweede kwaliteitscontrole plaatsvindt, zodat een ticket kan worden omgeboekt als er een “goedkoper tarief beschikbaar is.” [medeverdachte] geeft een garantie voor de laagste tarieven voor verblijven in hotels. [medeverdachte] zal meerdere bronnen raadplegen voor het boeken van een hotel zodat TU Delft gegarandeerd de laagst mogelijke verblijfskosten heeft.

Hieruit volgt niet evident dat het [medeverdachte] niet was toegestaan om een extra marge in rekening te brengen en er dus in strijd met de overeenkomst, vals, zou zijn gefactureerd. Uit de stukken blijkt niet dat de aankoopprijs van een ticket moet worden gefactureerd. Uit de beschrijving van de boekingsprocedure blijkt dat [medeverdachte] gebruik kan maken van smart ticketing door tickets in het buitenland in te kopen. Dat [medeverdachte] de laagste prijs in Nederland garandeert, betekent niet dat het [medeverdachte] niet is toegestaan om extra marge te maken door het boeken van goedkopere tickets in het buitenland. Dat bij een beschikbaar goedkoper tarief een ticket kan worden omgeboekt, betekent niet per definitie dat [medeverdachte] daarop geen marge mag maken. In de overeenkomst staat niet wat er op een factuur moet staan.

4.3.3.

KPMG (feit 3) – vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 3.

Valse facturen en specificaties?

[medeverdachte] is met KPMG overeengekomen dat vliegtarieven aangeboden aan KPMG “best value for money” bieden op basis van het reisbeleid van KPMG, waarbij [medeverdachte] gebruik maakt van smart ticketing. Er wordt een ‘handling fee’ gerekend voor de dienstverlening van [medeverdachte] , die onafhankelijk is van de hoogte van het vliegtarief. De fee wordt op de factuur verrekend. Commissies en “override” kortingen worden aan KPMG gecrediteerd.

Hieruit volgt niet evident dat het [medeverdachte] niet is toegestaan om een extra marge in rekening te brengen en er dus in strijd met de overeenkomst, vals, zou zijn gefactureerd. Uit de stukken blijkt niet dat de aankoopprijs van een ticket moet worden gefactureerd. Uit de beschrijving van de boekingsprocedure blijkt dat [medeverdachte] gebruik zal maken van smart ticketing. Wat op de factuur moet staan, wordt niet specifiek besproken in de overeenkomst.

4.3.4.

De Nederlandse Bank (DNB) (feit 4) – veroordeling

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte] opzettelijk gebruik maken van vijf valse specificaties en het afleveren daarvan door ze aan DNB te verzenden.

Valse facturen en specificaties?

Op de in de tenlastelegging genoemde specificaties van 8 januari 201023, 10 januari 201024, 3 juni 2011,25 24 mei 201126 en 26 mei 201127 is steeds een hoger bedrag opgegeven dan waarvoor de tickets daadwerkelijk zijn aangekocht.

Dit is af te leiden uit de omstandigheid dat de betreffende dossiernummers steeds met een bedrag aan extra marge voorkomen op de zogenoemde extramarge-lijsten en in de grootboekrekening inkoopverschillen (8811000) steeds een overeenkomstig bedrag is opgenomen.28

De overeenkomst tussen [medeverdachte] en KPMG heeft als ingangsdatum 1 januari 2010, en is ondertekend door verdachte. Daarin wordt het begrip transactiefee gedefinieerd als:

“de vergoeding exclusief BTW die [medeverdachte] vraagt aan KPMG voor het verzorgen van een transactie en waarin de dekking is opgenomen voor totale kosten en de marge van de [medeverdachte] .”29

Ook in het programma van eisen en wensen dat bij de overeenkomst hoort, wordt gevraagd om een eenduidig bedrag per transactie te berekenen, waarin de kosten en marge van [medeverdachte] zijn gedekt.30

De rechtbank vindt op basis hiervan dat er voor [medeverdachte] geen ruimte was om extra marge te maken. De totale kosten en de marge van [medeverdachte] worden geacht in de overeengekomen transactiefee te zitten. Een geboekte reis moet dus voor het bedrag waarvoor het geboekt is gefactureerd worden. Daarnaast maakt [medeverdachte] slechts aanspraak op de transactiefee. Door voor de kosten van de reis niet het boekingsbedrag op de factuur te zetten, maar een hoger bedrag (waarin voor [medeverdachte] extra marge zit) is de factuur vals.

De verdediging heeft aangevoerd dat de aankoopprijs van een ticket op het moment van factureren nog niet vaststaat en dat het daarom niet mogelijk is om de aankoopprijs op de factuur te vermelden. De rechtbank verwerpt ook dit verweer en verwijst hierbij naar wat daarover bij feit 1 onder 4.3.1 over het boekingssysteem van [medeverdachte] is overwogen.

Strafbaarheid van de rechtspersoon

De rechtbank vindt dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van de valse specificaties en facturen op dezelfde grondslag als hiervoor onder 4.3.1 bij het Ministerie is overwogen.

Opzet en feitelijke leidinggeven verdachte

De rechtbank vindt dat verdachte opzet heeft gehad op leiding geven aan het opzettelijk gebruik maken en versturen van de valse specificaties door [medeverdachte] .

Verdachte moet zich als degene die het contract heeft ondertekend ten volle bewust zijn geweest dat [medeverdachte] ten onrechte extra marges in de facturen opnam en daarmee opzettelijk gebruik maakte van de in de tenlastelegging genoemde valse specificaties en deze ook heeft afgeleverd bij DNB. Het was de taak van verdachte, als degene die namens de rechtspersoon de overeenkomst heeft ondertekend, om de inhoud daarvan te kennen en te handelen in overeenstemming daarmee. Voor zover hij feitelijk niet op de hoogte zou zijn geweest van de inhoud ten tijde van het tekenen van het contract was het wel zijn taak om hiervan op de hoogte te zijn. Hij had zich over de inhoud van het contract moeten laten informeren. Dit leidt tot de conclusie dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad. Verdachte wist immers wel van het bestaan van dit soort netto contracten, zoals ook het geval was bij het Ministerie. Omdat hij hiervan wist, heeft hij willens en wetens het risico genomen niet op de hoogte te zijn van de contractsbepalingen en daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat niet in overeenstemming met het contract met DNB werd gehandeld. De rechtbank rekent verdachte daarom opzet in voorwaardelijke zin aan op feitelijke leiding geven aan het gebruiken en verzenden van de valse facturen en specificaties. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vindt de rechtbank dat het opzet van verdachte ook hier aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Verdachte heeft vanuit zijn functie feitelijke leiding gegeven aan het strafbare handelen van [medeverdachte] .

Geen medeplegen

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte hierin samen heeft gewerkt met een ander. Van medeplegen wordt hij vrijgesproken.

4.3.5.

Oplichting van het Ministerie (feit 5) – vrijspraak

Verdachte wordt vrijgesproken van de oplichting van het Ministerie.

Voor een bewezenverklaring van oplichting is vereist dat gebruik is gemaakt van een of meer oplichtingsmiddelen, zoals die specifiek genoemd staan in artikel 326, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. In dit geval is ten laste gelegd dat het Ministerie is bewogen tot afgifte van geldbedragen doordat in strijd met het contract is verzwegen dat [medeverdachte] extra voordelen heeft behaald, goedkopere inkoopmogelijkheden had of ten onrechte opslagen in rekening heeft gebracht. De opzettelijke verzwijging van iets, waarvan [medeverdachte] had moeten begrijpen dat dit wel vermeld moest worden, kan worden gezien als een ‘verdichtsel’: een opzettelijke leugenachtige mededeling. In de wet is een “samenweefsel van verdichtsels” als oplichtingsmiddel genoemd. Daarbij gaat het in de kern om een combinatie van uitingen die bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor een samenweefsel van verdichtsels sprake moet zijn van “meer dan een enkele leugenachtige mededeling.” De rechtbank vindt in het verlengde daarvan ook een enkele verzwijging, zoals hier ten laste gelegd, onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels. De tenlastelegging biedt geen aanknopingspunten voor een van de andere in de wet genoemde oplichtingsmiddelen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 4.3 bewezen dat

1.

[medeverdachte] in de periode van 17 december 2010 tot en met 30 september 2011 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en heeft afgeleverd

  • -

    een valse specificatie van [medeverdachte] gericht aan het Openbaar Ministerie DVOM/F Bureau Reizen van 17 december 2010 ter hoogte van 2351,74 euro (DOC-0062 2/2 en AMB-027A);

  • -

    een valse specificatie van [medeverdachte] gericht aan het Openbaar Ministerie DVOM/F Bureau Reizen van 6 januari 2011 ter hoogte van 1366,90 euro (DOC-0063 en AMB-027A);

  • -

    een valse specificatie van [medeverdachte] gericht aan het Openbaar Ministerie DVOM/F Bureau Reizen van 21 januari 2011 ter hoogte van 832,57 euro (DOC-0065 en AMB-027A);

  • -

    een valse factuur van [medeverdachte] gericht aan de Commissie Gelijke Behandeling Bedrijfsbureau van 22 februari 2011 ter hoogte van 165,04 euro (DOC-0060 en AMB-027);

  • -

    een valse factuur van [medeverdachte] gericht aan de Commissie Gelijke Behandeling Bedrijfsbureau van 30 september 2011 ter hoogte van 463,78 euro (DOC-0061 en AMB-027),

geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl [medeverdachte] wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware die geschriften echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken en afleveren hierin dat [medeverdachte] die facturen en specificaties met het oog op het verkrijgen van extra marges heeft ingediend bij onderdelen of departementen van het Ministerie van Justitie, het Ministerie van Veiligheid en Justitie of de Commissie Gelijke Behandeling,

en bestaande die valsheid hierin dat op die facturen en specificaties is vermeld dat [medeverdachte] een boeking tegen een bepaald bedrag heeft verricht, terwijl die boeking in werkelijkheid tegen een lager bedrag is verricht,

aan welke vorenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

[medeverdachte] in de periode van 24 mei 2011 tot en met 3 juni 2011 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en heeft afgeleverd

  • -

    specificaties van [medeverdachte] gericht aan De Nederlandse Bank N.V. van 8 januari en 15 januari 2010 ter hoogte van in totaal 3.918,23 euro (DOC-2061 5/15 en AMB-027A);

  • -

    een valse specificatie van [medeverdachte] gericht aan De Nederlandse Bank N.V. van 3 juni 2011 ter hoogte van 943,98 euro (DOC-2062 15/34 en AMB-027A);

  • -

    een valse specificatie van [medeverdachte] gericht aan De Nederlandse Bank N.V. van 24 mei 2011 ter hoogte van in totaal 2.462,42 euro (DOC-2062 6/34 en AMB-027A);

  • -

    een valse specificatie van [medeverdachte] gericht aan De Nederlandse Bank N.V. van 26 mei 2011 ter hoogte van 2913,95 euro (DOC-2062 9/34 en AMB-027A),

geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl [medeverdachte] wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware die geschriften echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken en afleveren hierin dat [medeverdachte] die specificaties met het oog op het verkrijgen van extra marges heeft ingediend bij onderdelen en afdelingen van De Nederlandse Bank N.V.,

en bestaande die valsheid hierin dat op die specificaties is vermeld dat [medeverdachte] een boeking tegen een bepaald bedrag heeft verricht, terwijl die boeking in werkelijkheid tegen een lager bedrag is verricht,

aan welke vorenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

In de tenlastelegging heeft de officier van justitie de verschillende valse facturen in types ingedeeld, al naar gelang de aard van de daarin verzwegen extra marge. De rechtbank heeft die indeling niet in de bewezenverklaring overgenomen, omdat daaraan geen strafrechtelijk relevante betekenis toekomt.

6. Motivering van de straf

6.1.

Eis van de officier van justitie

Verdachte moet voor alle tenlastegelegde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De officier van justitie gaat er bij zijn eis vanuit dat [medeverdachte] ten onrechte ongeveer 17,6 miljoen euro aan extra marge heeft gepakt. Bij een fraudebedrag van 1 miljoen euro of meer geven de oriëntatiepunten een gevangenisstraf aan tussen de 24 maanden en het strafmaximum. De officier van justitie weegt daarnaast mee

enerzijds:

  • -

    de ernst en omvang van het feit, het gaat om miljoenen;

  • -

    de lange duur, het gaat om 9 jaar;

  • -

    het structurele karakter van de gedragingen: bij alle klanten, alle filialen, front to back;

  • -

    de druk die op het personeel werd uitgeoefend om medewerking te verlenen aan de strafbare gedragingen;

  • -

    het niet uit eigen beweging eindigen van de gedraging, maar door de civiele zaak en uiteindelijk het optreden van het Openbaar Ministerie;

  • -

    de ernstige marktverstoring die dit tot gevolg had;

  • -

    het gedrag heeft bijgedragen aan de carrière van verdachte tot 2015, hij een goed salaris heeft ontvangen en bonus heeft gekregen,

en anderzijds dat

- verdachte het niet voor eigen gewin heeft gedaan, maar voor de onderneming en (deels) voor het behoud van banen;

- het in de markt van zakelijke reisorganisaties een jungle was en dat iedereen probeerde te profiteren van de ondoorzichtige prijsstelling: leveranciers, bemiddelaars en afnemers, zoals ook blijkt uit een interventie van de ACM in 2013;

- verdachte als enige van het management terechtstaat, maar hij was wel de baas.

Alhoewel de zaak niet binnen twee jaar is afgerond, is naar het oordeel van de officier van justitie de redelijke termijn niet overschreden gelet op de ingewikkeldheid van de zaak.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uur.

Verdachte heeft zich gedurende een jaar schuldig gemaakt aan het feitelijke leiddinggeven aan het gebruiken van valse facturen/specificaties door [medeverdachte] . Daarmee heeft [medeverdachte] extra inkomsten voor zichzelf verwezenlijkt ten koste van de opdrachtgevers, zonder dat zij dit wisten. Verdachte heeft langere periode zijn medewerkers gepusht om maar meer extra marge te maken, zodat [medeverdachte] meer inkomsten kon genereren. Hij deed dit naar eigen zeggen vanwege de veranderingen binnen de reisbranche en het daarop aanpassen van het verdienmodel. De rechtbank concludeert dat verdachte hierin is doorgeslagen. Met zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen dat opdrachtgevers in [medeverdachte] stelden geschonden en de reputatie van de zakelijke reisbranche schade toegebracht.

De officier van justitie heeft bij zijn strafeis rekening gehouden met de grote omvang van de fraude, zoals die volgens hem uit het dossier blijkt. De rechtbank volgt die lijn niet en dat is ook de belangrijkste reden dat de rechtbank tot een (veel) lagere straf komt. De rechtbank heeft van tien specificaties of facturen vastgesteld dat ze vals zijn. Van drie van de vijf tenlastegelegde feiten wordt verdachte geheel vrijgesproken. De rechtbank heeft in die gevallen geoordeeld dat geen sprake is van valsheid in geschrift of oplichting. Het dossier bevat daarnaast onvoldoende concrete aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat naast wat bewezen is verklaard op grote schaal sprake is geweest van fraude met hoge benadelingsbedragen en veel gedupeerden, waar verdachte leiding aan heeft gegeven. Bij het bepalen van de strafmaat beperkt de rechtbank zich daarom tot de tien bewezenverklaarde specificaties of facturen.

De rechtbank houdt rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging die de rechtbanken hebben vastgesteld voor fraudezaken. Bij een fraude bedrag tot € 10.000 geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van een week tot twee maanden of een vergelijkbare taakstraf.

Daarnaast weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat het strafrechtelijk onderzoek zowel zakelijk als privé een grote impact op verdachte heeft gehad. Hij is afgetreden vanuit zijn functie bij [medeverdachte] en heeft mede door de grote media aandacht voor de zaak, zich moeten laten omscholen om in een andere branche te kunnen werken.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn, zodat hij niet onnodig lang in onzekerheid blijft over de uitkomst daarvan. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak. De redelijke termijn begint als verdachte redelijkerwijs kan verwachten dat hij vervolgd zal worden. De rechtbank stelt dat moment in deze zaak vast op de dag van de doorzoeking door de FIOD bij [medeverdachte] , te weten op 10 mei 2016. De rechtbank vindt dat deze zaak groter en ingewikkelder is dan de gemiddelde strafzaak en dat het onderzoek, de vervolging en de berechting in eerste aanleg in plaats van twee jaar, drie jaar mocht duren. Dit betekent dat de zaak in principe op 10 mei 2019 afgerond had moeten zijn. De rechtbank doet pas op 23 november 2020 uitspraak. De redelijke termijn is dus met 1,5 jaar overschreden. Verdachte wordt voor die te lange periode dat hij in onzekerheid heeft gezeten gecompenseerd door een verlaging van zijn straf. In plaats van 70 uur legt de rechtbank hem 60 uur taakstraf op.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2, 3 en 5 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feiten 1 en 4 telkens:

feitelijke leidinggeven aan opzettelijk gebruikmaken en afleveren van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uur. Als verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, wordt vervangende hechtenis toegepast van 30 (dertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. J. Knol en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 november 2020.

1 De beschuldiging ziet op een periode waarin de naam van het Ministerie is veranderd van Justitie en Veiligheid naar Veiligheid en Justitie. Om onduidelijkheid te voorkomen wordt het Ministerie steeds aangeduid met ‘het Ministerie.’

2 De bewijsmiddelen in de voetnoten zijn, tenzij anders vermeld, processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn geschriften. De bewijsmiddelen komen uit het FIOD dossier met nummer 58113.

3 DOC 002

4 DOC 009

5 DOC-002 4/14

6 DOC-009 bijlage 9

7 DOC-005 8/26

8 DOC-002.

9 AMB-016, G20-02, p. 5, G32-01, p. 3, G26-01, p. 3 en G30-01, p. 3.

10 AMB-016 en G32-01, p. 3.

11 AMB-016, G16-01, p. 3, G26-01, p. 3 en G30-01, p. 3.

12 DOC-0062, p. 2 en AMB-027A, p. 5.

13 DOC-0063, p. 2 en AMB-027A, p. 5 en 6.

14 DOC-0065, p. 2 en AMB-027A, p. 6.

15 DOC-0060 en AMB-027, p 15 en 16.

16 DOC-0061 en AMB-027, p. 17 en 18.

17 ABM-027 en 027A

18 Verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 31 oktober 2019, p. 2 en V02-02, p. 4.

19 V02-01, p. 33.

20 Verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 31 oktober 2019, p. 5 en DOC-010, p. 3.

21 Emailcorrespondentie tussen [naam 1] en verdachte op 26 en 27 juli 2010, bijlage bij het verhoor van
bij de rechter-commissaris op 19 december 2019, p. 18 en 19.

22 Verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 31 oktober 2019, p. 2 en V02-02, p. 4.

23 DOC-2061 p. 2 en AMB-27A, p. 25-26.

24 DOC-2016, p 5 en AMB-27A, p 25-26.

25 DOC-2062, p. 15 en AMB-027A, p. 28-29.

26 DOC-2062, p. 6 en AMB-027A, p. 26.

27 DOC-2062, p. 9 en AMB-027A, p. 26-27.

28 AMB-027A

29 DOC-2025, definitie 1.14, p. 4.

30 DOC-2025, bijlage 9, onderdeel 4.1, p. 112.