Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5737

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
RK 20/3318
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beleidssepot. Verzoek 530-533 Sv toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/064783-20

RK: 20/3318

Beschikking op de verzoeken ex artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. P.C. Tuinenburg.

[adres] ,

verzoeker.

De procesgang

Het verzoekschrift is op 10 juli 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Op 4 augustus 2020 heeft het Openbaar Ministerie (OM) zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

Bij e-mailbericht van 19 oktober 2020 heeft de raadsman gereageerd op het standpunt van het OM en ingestemd met schriftelijke afdoening.

Vanwege het Coronavirus is buiten raadkamer op het verzoek beslist.

De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 1.331,00 voor de kosten van de raadsman en € 280,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

De raadsman heeft naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het OM aangevoerd dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd vanwege de gezondheidstoestand van verzoeker, te weten ernstig niet-aangeboren hersenletsel als gevolg van een verkeersongeval. Verzoeker functioneert cognitief op het niveau van een 10- jarig kind, performaal een stuk hoger. Hij woont begeleid en opereert verstandelijk op een laag niveau. In deze zaak is bepalend, zoals dat in andere zaken ook bepalend was, dat verzoeker last heeft van kortdurend bewustzijns- en geheugenverlies. Dit heeft tot gevolg dat hij in gesprekken plotseling niet meer weet met wie hij spreekt of wat het onderwerp was. Dit heeft ook tot gevolg dat hij gedurende een van zijn bezigheden, zoals boodschappen doen, vaak niet meer weet wat hij aan het doen was. Dit heeft er een aantal keer toe geleid dat hij soms vergeet dat hij boodschappen in zijn tas heeft, niet weet of hij moet betalen, zich niet goed realiseert waar hij is en instinctief naar huis loopt, ongeacht wat hij aan het doen was. In die situaties pleegt hij dus soms per ongeluk een diefstal, door gewoon langs de kassa te lopen of spullen niet af te rekenen en andere boodschappen wel. Hij is het overzicht dan tijdelijk volledig kwijt. Daarnaast is het zo dat verzoeker ook fysiek gewoon volwassen is en zijn behoeftes heeft. Dit resulteert in (ongeremd) bezoek aan datingsites waar hij een doelwit is voor vrouwen die niet gedreven worden door liefde, anders dan de liefde voor geld. Hij trapt er steeds weer in en denkt dat de liefde echt is en spendeert grote sommen geld aan de dames. In onderhavige zaak is hij kennelijk gaan ‘winkelen’ met een van die dames, waarbij hij – waarschijnlijk door haar toedoen – onbetaalde spullen in een tas heeft gehad. Ik heb het voorval meermaals met hem doorgenomen, maar wat er precies gebeurd is weet hij zelf gewoon niet. Hij is zich niet bewust geweest van wat er is gebeurd.

Strafrechtelijk betekent dit dat de opzet op wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt, waardoor vrijspraak moet volgen. Dit is ook de uitspraak geweest in een van de vorige zaken waarbij de officier van justitie het toch op een zitting wilde laten aankomen. De andere zaken zijn geseponeerd, steeds in verband met zijn gezondheidstoestand. Het betreft dan ook geen bewijsbare zaak. Mijn bijstand aan verzoeker is in de loop der jaren steeds gratis geweest, juist omdat ik vind dat mensen zoals hij die nodig hebben en verdienen, zeker als hij zich weer eens geconfronteerd ziet met beveiligingsmedewerkers en politieagenten die hem beoordelen en behandelen als een volwassen winkeldief. Het kost mij iedere keer weer veel moeite om de betrokkenen duidelijk te maken wat er aan de hand is. Ik heb het OM al geruime tijd geleden een kopie gestuurd van zijn medisch dossier, juist met het oog op dit soort gevallen. Dit, om te voorkomen dat ik weer alles opnieuw moet uitleggen en verzoeker toch weer wordt aangehouden en in een politiecel terecht komt. In deze zaak heb ik verzoeker tot tweemaal toe voorafgaand aan het geplande politieverhoor uitgebreid gesproken, juist omdat hij veel behoefte heeft aan begeleiding. Het eerste verhoor ging niet door omdat de politie het niet goed had geagendeerd, dus moesten we tweemaal opdagen. Vervolgens heeft het verhoor plaatsgevonden, waarbij ik [verzoeker] ook heb bijgestaan. Als er één cliënt is die gesubsidieerde rechtsbijstand verdient, voor wie het billijk is dat wij hier als maatschappij een systeem voor hebben opgericht en dit betalen, is het deze cliënt wel – of liever gezegd: dit soort cliënten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op 26 oktober 2020, in reactie op het schriftelijke standpunt van de raadsman, gerefereerd aan de beslissing van de rechtbank. Blijkens het standpunt van 4 augustus 2020 heeft het OM zich eerder verzet tegen het toekennen van een schadevergoeding. Door te seponeren met een beleidssepot is rekening gehouden met de persoonlijke belangen van verdachte. Het betreft een bewijsbare zaak. Het doorberekenen van de gevraagde vergoeding aan de belastingbetaler is om redenen van billijkheid niet passend.

De beoordeling

Verzoeker is op 8 februari 2020 aangehouden op verdenking van diefstal, gepleegd in de Primark te Amsterdam. Hij is later die dag heengezonden op last van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoeker geseponeerd en dat bij brief van 13 augustus 2020 aan hem meegedeeld. Als reden hiervoor is weergegeven dat de gezondheidstoestand van verzoeker een vervolging in de weg staat. Deze mededeling heeft de raadsman al in een eerder stadium ontvangen, zoals blijkt uit een e-mail van het OM van 10 juni 2020, als bijlage gevoegd bij het verzoekschrift.

Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 530 lid 2 Sv, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.

Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.

Op grond van artikel 534 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De strafzaak tegen verzoeker is op 13 augustus 2020 geseponeerd. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 533 en 530 Sv.

Het verzoek is tijdig ingediend.

De rechtbank dient te beoordelen of gelet op het sepot gronden van billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding kunnen ontbreken indien verzoeker het over zichzelf heeft afgeroepen dat hij onderwerp is geworden van een opsporingsonderzoek waardoor de kosten voor rechtsbijstand voor zijn risico moeten blijven. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de jurisprudentie van het EHRM worden afgeleid dat in een verzoekschriftprocedure ex artikel 530 Sv niet alsnog een oordeel mag worden gegeven over de schuld van verzoeker, omdat dit in strijd is met de onschuldpresumptie.

In deze zaak doet zich niet de situatie voor dat de kosten voor rechtsbijstand voor risico van verzoeker moet blijven, nu de raadsman gemotiveerd heeft aangevoerd dat (en op welke gronden) hij indien het tot verdere vervolging zou zijn gekomen een vrijspraak zou hebben bepleit.

De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificatie en declaraties. De gevraagde vergoeding zal dan ook worden toegekend.

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 530 Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 1.331,00 voor de kosten van de raadsman.

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 550,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Deze beslissing is gegeven door

mr. L. Dolfing, rechter,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open, voor de officier van justitie binnen veertien dagen en voor verzoeker binnen een maand na betekening van deze beschikking, in te stellen ter griffie van deze rechtbank.

De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.881,00 op IBAN-nummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden JSTW Advocaten, onder vermelding van vergoeding 530 Sv, inzake: [verzoeker] , [naam].

Aldus gedaan op 4 november 2020

door mr. L. Dolfing, rechter.