Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5700

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
C/13/675217 / HA ZA 19-1198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidenten tot splitsing en onbevoegdverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/675217 / HA ZA 19-1198

Vonnis in incident van 4 maart 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in de incidenten,

advocaat mr. B. van Mieghem te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN ODENHOVEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. H.M. Giezen te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M. van Eersel te Amsterdam.

Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser] , Van Odenhoven en [gedaagde sub 2] worden genoemd. Van Odenhoven en [gedaagde sub 2] zullen hierna tezamen worden aangeduid als Van Odenhoven c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 4 en 6 november 2019 met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot splitsing van Van Odenhoven,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van [gedaagde sub 2] ,

  • -

    de conclusie van antwoord in het splitsingsincident van [eiser] ,

  • -

    het bericht ter rolle van 29 januari 2020 waarbij tegen [eiser] akte niet dienen is verleend ter zake het nemen van een conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident tot splitsing

2.1.

Van Odenhoven vordert in het incident:

  1. aanhouding van de hoofdzaak gedurende de behandeling van het incident;

  2. splitsing van de zaak tegen Van Odenhoven en de zaak tegen [gedaagde sub 2] , waarbij de zaken ieder een eigen zaak-/rolnummer krijgen en voor het vervolg als afzonderlijke zaken zullen worden behandeld, te beginnen met de conclusie van antwoord van Van Odenhoven in de zaak tegen Van Odenhoven;

  3. verlening van een gewoon uitstel van zes weken voor het dienen van antwoord in de (gesplitste) hoofdzaak, na het wijzen van vonnis in dit incident;

alsmede een veroordeling in de proceskosten.

2.2.

Van Odenhoven legt aan haar vordering tot splitsing het volgende ten grondslag. Niet kan worden gezegd dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen Van Odenhoven en [gedaagde sub 2] rechtvaardigen. Tussen Van Odenhoven en [gedaagde sub 2] bestaat geen enkele relatie en het feitencomplex verschilt wezenlijk. Een goede procesorde – vanuit proceseconomisch oogpunt, overzichtelijkheid en fair play – eist een afzonderlijke berechting. Een gevoegde behandeling is in strijd met de eisen van goede procesorde.

2.3.

[eiser] voert verweer als volgt. Hij betwist dat een gezamenlijke behandeling niet gerechtvaardigd is. De vorderingen luiden hetzelfde tegen beide gedaagden. De gronden voor die vorderingen zijn op hoofdlijnen gelijk. Ook de rechtsvragen zijn identiek. Zouden de zaken worden gesplitst, dan bestaat het gevaar dat over deze principiële punten verschillend wordt geoordeeld. Bovendien zou dit dubbel werk vergen. Aan de eisen van goede procesorde – in het bijzonder aan overzichtelijkheid en het beginsel van hoor en wederhoor – wordt bij een gezamenlijke behandeling voldaan.

2.4.

De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De rechtbank kan een aanhangig gemaakt geding splitsen indien tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen (HR 27 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6384).

2.5.

De vorderingen zijn gelijksoortig. Zij zien beide op verklaringen voor recht dat de overeenkomsten tussen [eiser] en Van Odenhoven en tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] ter zake van koop van percelen grond worden vernietigd. Zij zijn voorts beide gegrond op de stelling dat [eiser] heeft gedwaald en/of is misleid.

Dat laat evenwel onverlet dat aan de vorderingen per gedaagde een ander feitencomplex ten grondslag is gelegd. Bovendien verschilt de individuele rechtsverhouding van gedaagden jegens [eiser] van elkaar. De twee gedaagden – zijnde een bedrijf en een natuurlijk persoon – hebben geen enkele onderlinge relatie met elkaar en zij hebben ieder verschillende overeenkomsten met [eiser] gesloten. Daar komt bij dat de eigenschappen van de percelen en ook de mededelingen die daarover door of namens verschillende partijen zijn gedaan, verschillen per gedaagde. Voor de beoordeling van het beroep op misleiding en/of dwaling is van belang welke mededelingen er door wie, wanneer en met betrekking tot welk perceel zijn gedaan, alsmede de voorstelling van zaken die [eiser] ter zake had.

Hieruit volgt dat tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. De vorderingen vergen een afzonderlijke beoordeling per gedaagde. Gelet hierop acht de rechtbank de incidentele vordering tot splitsing toewijsbaar. Hetgeen overigens over en weer is aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel en behoeft dan ook geen bespreking.

2.6.

De gevorderde toekenning van separate zaak-/rolnummers zal, gelet op hetgeen hierna onder r.o. 3.4 is overwogen, alleen worden toegewezen ten aanzien van de zaak tussen [eiser] en Odenhoven.

2.7.

De hoofzaak tussen [eiser] en Van Odenhoven zal overeenkomstig het gevorderde worden verwezen naar de rol voor het nemen een conclusie van antwoord aan de zijde van Odenhoven op een termijn van zes weken na de datum van dit vonnis.

2.8.

Bij deze stand van zaken heeft Van Odenhoven geen belang (meer) bij de vordering tot aanhouding van de hoofdzaak zodat die vordering wordt afgewezen.

2.9.

[eiser] zal jegens Van Odenhoven als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten worden begroot op € 543,00 (1 punt × tarief € 543,00) aan salaris advocaat. De nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

3 De beoordeling in het incident tot onbevoegdverklaring

3.1.

[gedaagde sub 2] vordert in het incident:

  1. aanhouding van de hoofdzaak gedurende de behandeling van het incident;

  2. dat de rechtbank zich ten aanzien van de vorderingen [eiser] jegens [gedaagde sub 2] onbevoegd verklaart;

  3. subsidiair, voor het geval dat de rechtbank niet tot splitsing van (de behandeling van) de procedures van [eiser] overgaat dan wel op enige andere grondslag zich bevoegd acht, een uitstel van zes weken voor het dienen van antwoord in de hoofdzaak, na het wijzen van vonnis in dit incident;

alsmede een veroordeling in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde sub 2] legt het volgende aan haar vordering tot onbevoegdverklaring ten grondslag. Krachtens artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechter van de woonplaats van de gedaagde (relatief) bevoegd. Nu [gedaagde sub 2] woonplaats heeft te [woonplaats 2] , is de rechtbank Oost-Brabant bevoegd om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. De rechtbank Amsterdam dient zich derhalve onbevoegd te verklaren.

3.3.

[eiser] heeft geen verweer gevoerd.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen. Artikel 107 Rv bepaalt dat als er in een procedure meerdere gedaagden zijn en de rechter is ten aanzien van één van de gedaagden bevoegd de rechter dan ook bevoegd is ten aanzien van de andere gedaagde(n). Vereist is wel dat tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Uit hetgeen hiervoor onder 2.5. is overwogen, blijkt dat daar is in de onderhavige zaak geen sprake van is. Dit betekent dat op grond van artikel 99 Rv de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] . De rechtbank te Amsterdam zal zich dan ook onbevoegd verklaren om kennis te nemen van dat geschil. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

3.5.

Hieruit volgt dat aan een beoordeling van de subsidiaire vordering (3.1. sub c) niet wordt toegekomen.

3.6.

Bij deze stand van zaken heeft [gedaagde sub 2] geen belang (meer) bij de vordering tot aanhouding van de hoofdzaak zodat die vordering wordt afgewezen.

3.7.

[eiser] zal jegens [gedaagde sub 2] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten worden begroot op € 543,00 (1 punt × tarief € 543,00) aan salaris advocaat. De nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

De splitsing betekent dat Van Odenhoven in de gelegenheid zal worden gesteld om op een termijn van zes weken na de datum van dit vonnis een conclusie van antwoord te nemen in de zaak tussen [eiser] en Van Odenhoven.

4.2.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, verwijst de rechtbank de zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Oost-Brabant, sector civiel, alwaar aan die zaak een separaat zaak-/rolnummer zal worden toegekend.

4.3.

Nu in elke afgesplitste zaak afzonderlijk griffierecht zal worden geheven, brengt de splitsing met zich dat voor de procedure bij de rechtbank Oost-Brabant [eiser] nog afzonderlijk griffierecht zal moeten betalen.

4.4.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident tot splitsing

5.1.

bepaalt dat de procedure met zaak- en rolnummer C/13/675217 / HA ZA 19-1198, wordt gesplitst, in die zin dat de zaken tussen [eiser] en Van Odenhoven en [eiser] en [gedaagde sub 2] in afzonderlijke procedures zullen worden behandeld, en waarbij de afzonderlijke procedure tussen [eiser] en Van Odenhoven zaak- en rolnummer C/13/675217 / HA ZA 19-1198 zal behouden,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van Van Odenhoven tot op heden begroot op € 543,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis aan de zijde van Van Odenhoven ontstane nakosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in het incident tot onbevoegdverklaring

5.6.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak jegens [gedaagde sub 2] kennis te nemen,

5.7.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 543,00,

5.8.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis aan de zijde van [gedaagde sub 2] ontstane nakosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

5.10.

bepaalt dat de zaak tussen [eiser] en Van Odenhoven (met zaak- en rolnummer C/13/675217 / HA ZA 19-1198) weer op de rol zal komen van 15 april 2020 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Van Odenhoven,

5.11.

verwijst de zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Oost-Brabant, sector civiel,

5.12.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door

mr. E.C. Kleverlaan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.