Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5668

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
13/257927-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling (ex-)levensgezel en wederspannigheid. Vrijspraak van medeplegen van poging zware mishandeling. Gevangenisstraf gelijk aan voorarrest, voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en taakstraf. Strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/257927-19 (zaak A)

13/048576-20 (zaak B)

13/221420-18 (zaak C)

13/741273-17 (TUL)

16/265111-18 (TUL)

Datum uitspraak: 10 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 oktober 2020.

1.2

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C genoemd.

1.3

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L.E. Stroink, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. L.M.A. Schwartz, naar voren hebben gebracht.

1.4

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling in de zaken met de parketnummers 16/265111-18 en 13/741273-17.

1.5

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer] en van de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] .

1.6

De rechtbank heeft ten slotte [naam 4] , werkzaam bij Indaad, als deskundige gehoord.

2 De tenlastelegging

2.1

In zaak A is aan de verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 26 oktober 2019 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel, [naam levensgezel] , door meermalen met zijn vuist in haar gezicht te slaan en/of haar met een schilmes in haar bovenbeen te steken.

2.2

In zaak B is aan de verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 23 februari 2020 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

  1. mishandeling van zijn levensgezel, [naam levensgezel] , door haar meermalen te slaan en/of een kopstoot te geven;

  2. wederspannigheid door zich met geweld te verzetten tegen hoofdagent [naam 1] ;

  3. wederspannigheid door zich met geweld te verzetten tegen brigadier [naam 2] .

2.3

In zaak C is aan de verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 23 juni 2017 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] subsidiair dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .

2.4.

De tenlasteleggingen in de verschillende zaken zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en zij gelden als hier ingevoegd.

3 De voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A en zaak B ten laste gelegde en vrijspraak gevorderd van het in zaak C ten laste gelegde. Ten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het dossier naar voren komt dat [slachtoffer] op een vreselijke manier is mishandeld. Zijn aangifte wordt ondersteund door een getuigenverklaring en een letselverklaring. Het onderzoek naar de schuldigen aan deze mishandeling is echter niet volledig geweest. Uit het dossier blijkt niet dat de portiers die getuige zouden zijn geweest zijn gehoord. Onduidelijk is gebleven hoe zij de verdachte hebben herkend en of zij hem vaker hebben gezien op het Westergasterras. Evenmin blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] is gevraagd naar de verdachte. Er heeft ook geen (foto)confrontatie met de aangever plaatsgevonden. Aangezien de zaak al meer dan drie jaar oud is, heeft nader onderzoek geen zin meer. De verklaring van de verdachte dat hij nooit op het Westergasterras is geweest en de portiers daar ook niet kent, valt op grond van het dossier niet uit te sluiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de in zaak A ten laste gelegde mishandeling van [naam levensgezel] kan worden bewezen, met uitzondering van het meermalen in gezicht slaan. Ook de in zaak B ten laste gelegde mishandeling van [naam levensgezel] kan worden bewezen, met uitzondering van het geven van een kopstoot. Ten aanzien van de wederspannigheid zoals in zaak B onder 2 en 3 is ten laste gelegd, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het in zaak C ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De rechtbank is van oordeel dat de in zaak A ten laste gelegde mishandeling op 26 oktober 2019 van [naam levensgezel] , destijds de vriendin en levensgezel van de verdachte, kan worden bewezen. [naam levensgezel] heeft aangifte gedaan van mishandeling en daarbij verklaard dat de verdachte meermalen met zijn vuist in haar gezicht heeft geslagen en met een schilmes in haar bovenbeen heeft gestoken. De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij zijn vriendin heeft geslagen en haar met een schilmes heeft gestoken. De bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, staan in bijlage II bij dit vonnis. De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en niet – zoals de raadsman heeft aangevoerd – van de verklaring van de verdachte bij de politie en bij de rechter-commissaris. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

4.3.2

De rechtbank is verder van oordeel dat de mishandeling van [naam levensgezel] op 23 februari 2020, die in zaak B onder 1 is ten laste gelegd, ook kan worden bewezen in zoverre deze ziet op het in het gezicht en tegen het hoofd slaan van [naam levensgezel] . De politie heeft gezien dat de verdachte [naam levensgezel] , die toen overigens niet langer de levensgezel van de verdachte was, meermalen met de vuist tegen haar hoofd heeft geslagen. De verdachte heeft ter zitting ook bekend dat hij [naam levensgezel] die dag heeft geslagen.

4.3.3

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het geven van een kopstoot aan [naam levensgezel] , zoals hem eveneens in zaak B onder 1 wordt verweten. [naam levensgezel] zou de desbetreffende avond ten overstaan van de verbalisant hebben verklaard dat de verdachte haar ook een kopstoot had gegeven. Zij heeft echter geen aangifte gedaan en is ook anderszins niet op dit punt gehoord, terwijl geen van de verbalisanten heeft gezien dat er een kopstoot is gegeven en de verdachte het geven een kopstoot ten stelligste ontkent. De rechtbank vindt daarom dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

4.3.4

Aangezien de verdachte ter terechtzitting heeft bekend dat hij [naam levensgezel] op 23 februari 2020 heeft mishandeld door haar te slaan, zal de rechtbank ten aanzien van het bewijs van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van bewijsmiddelen volstaan (zie bijlage II).

4.3.5

De rechtbank vindt verder op grond van de processen-verbaal van respectievelijk hoofdagent [naam 1] en brigadier [naam 2] bewezen dat de verdachte zich met geweld heeft verzet na zijn aanhouding en bij de insluitingsfouillering en het insluiten. De bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, staan in bijlage II bij dit vonnis.

4.3.6

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat op grond van het dossier niet boven redelijke twijfel is verheven dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] dan wel aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer] op 23 juni 2017 op het Westergasterras in Amsterdam, zoals in zaak C is ten laste gelegd. De rechtbank zal de verdachte hiervan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe nog het volgende.

4.3.7

De verdachte heeft ten stelligste ontkend dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] . Naar zijn zeggen is hij zelfs nog nooit op het Westergasterras geweest. Het bewijs dat de verdachte betrokken is geweest bij deze mishandeling, wordt in belangrijke mate gevormd door het proces-verbaal van bevindingen van [naam 3] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam. In dit proces-verbaal is te lezen dat de verbalisant een week na de mishandeling heeft geappt met de manager van het Westergasterras. De manager berichtte hem dat ze ‘de identiteit van een van de daders’ hadden weten vast te stellen. Een van de portiers had hem namelijk herkend. De manager heeft vervolgens twee foto’s gestuurd, waaronder een profielfoto van Facebook met daaronder de naam “ [verdachte] ”. De andere foto was volgens de verbalisant van dezelfde persoon. De verbalisant herkende deze persoon (ambtshalve) als de verdachte. Het is onduidelijk gebleven wie de desbetreffende portier is. Daarmee is ook niet duidelijk op grond waarvan hij de verdachte als een van de daders heeft herkend. De politie heeft de aangever en de getuige van de mishandeling ook niet geconfronteerd met de verdachte. Evenmin is medeverdachte [medeverdachte] , die volgens zijn eigen verklaring wel bij de vechtpartij was betrokken, gevraagd naar de verdachte, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte] niet kent. Het voorgaande maakt dat er zoveel twijfel is of de verdachte wel een van de daders is, dat de rechtbank op grond van de stukken niet tot een bewezenverklaring komt.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de inhoud van de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden, bewezen dat de verdachte het in zaak A en zaak B onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat hij:

in zaak A (13-257927-19):

op 26 oktober 2019 te Amsterdam, zijn levensgezel, [naam levensgezel] , heeft mishandeld door voornoemde [naam levensgezel] meermalen, met zijn vuist in het gezicht te slaan en voornoemde [naam levensgezel] met een schilmes in het bovenbeen te steken;

in zaak B (13-048576-20):

1. op 23 februari 2020 te Amsterdam, [naam levensgezel] , heeft mishandeld door voornoemde [naam levensgezel] met kracht meermalen in haar gezicht en tegen haar hoofd te slaan;

2. op 23 februari 2020 te Amsterdam, toen de aldaar in uniform dienstdoende opsporingsambtenaar [naam 1] , hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, hem, verdachte, op verdenking van het overtreden van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had vastgepakt/vastgegrepen, teneinde hem, verdachte, ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem, verdachte, daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het cellencomplex aan de Elandsgracht, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig zich met kracht zich los te trekken/rukken uit de greep van voornoemde opsporingsambtenaar en door, toen voornoemde opsporingsambtenaar hem, verdachte, in de arrestantenbus wilde laten plaatsnemen te weigeren zijn, verdachtes, benen in te trekken en zijn, verdachtes, benen gestrekt te houden;

3. op 23 februari 2020 te Amsterdam, toen de aldaar in uniform geklede en als operationeel coördinator binnen het cellencomplex dienstdoende [naam 2] , brigadier bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, hem verdachte, wilden insluiten en hem, verdachte, (op grond van artikel 28 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en ander opsporingsambtenaren) aan een (zogenaamde) insluitingsfouillering trachtte te onderwerpen, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig (onophoudelijk) te bewegen en met zijn, verdachtes, heupen en lichaam te draaien en zijn, verdachtes, bekken en/of billen omhoog te bewegen en zich proberen klein te maken en toen voornoemde opsporingsambtenaar de celdeur van zijn cel wilde sluiten zijn, verdachtes, arm en voet tussen de deur te steken en (daarbij) voornoemde [naam 2] de woorden toe te voegen: “Ik werk niet mee” en “Het lukt jullie toch nooit” en “Ik ben niet moe” en “Ik ga het jullie moeilijk maken” en “Jullie zullen zien” en “Wacht maar kutpolitie. Jullie zijn niets” en “Ik onthoud je gezicht. Als ik vrijkom ga je zien”, althans woorden van die aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging misslagen, taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 79 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voorgesteld de verdachte een gevangenisstraf van 90 dagen op te leggen met aftrek van voorarrest van 13 dagen waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod met [naam levensgezel] . De raadsman heeft verder bepleit de verdachte daarnaast geen taakstraf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8.3.2

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.3

De verdachte heeft op 26 oktober 2019 [naam levensgezel] , zijn vriendin en levensgezel, de moeder van zijn dochter, geslagen en met een schilmes in haar bovenbeen gestoken. Een paar maanden later, 23 februari 2020, heeft de verdachte haar opnieuw mishandeld door haar met kracht met gebalde vuist tegen haar hoofd te slaan. [naam levensgezel] heeft hierdoor pijn geleden en letsel opgelopen. Zij zal zich ook onveilig en ongelukkig hebben gevoeld omdat de verdachte en zij een relatie hadden. Andere mensen sla je niet en al helemaal niet de vrouw met wie je samen een kind hebt. Bijzonder kwalijk is dat de verdachte zijn vriendin ook met een schilmes heeft gestoken. De verdachte heeft zich op 23 februari 2020 na zijn aanhouding ook tegenover de politie misdragen. Hij heeft zich eerst op straat met geweld verzet en vervolgens op het politiebureau nog een keer. Al dit geweld kan niet onbestraft blijven. Het moet de verdachte duidelijk zijn dat hij zijn vriendin niet mag mishandelen en dat als de politie hem heeft aangehouden hij moet meewerken en zich niet fysiek mag verzetten.

8.3.4

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van de verdachte van 1 oktober 2020. Uit het uittreksel blijkt onder meer dat de verdachte op 30 april 2019 is veroordeeld wegens het mishandelen van zijn levensgezel op 25 december 2018. De rechtbank laat deze eerdere veroordeling in het nadeel van de verdachte meewegen.

8.3.5

De rechtbank heeft verder gekeken naar het reclasseringsrapport van 13 februari 2020, opgemaakt door K. Pruys, reclasseringsmedewerker. In het rapport staat dat de verdachte bekend staat bij de jeugdhulpverlening als een persoon met een cognitieve beperking en een belast verleden, die veel begeleiding nodig heeft in zijn dagelijkse functioneren. Hij zou nauwelijks in staat zijn om te plannen en heeft moeite het overzicht te bewaren en zelfinzicht te tonen. Er is sprake geweest van een gebrekkige impulscontrole in zijn jeugd wat zich uitte in agressief gedrag naar leeftijdsgenoten en autoriteitsfiguren. In zijn jongvolwassen leven leek het impulsieve gedrag onder invloed van alcohol toe te nemen waardoor er justitiecontacten ontstonden. De reclassering schrijft verder dat de verdachte gemotiveerd is zijn leven op orde te krijgen. Hij wil op termijn een eigen woning, werkt toe naar betaald werk of een opleiding en wil een goede vader zijn voor zijn dochtertje. Het is wenselijk dat de verdachte hier begeleiding bij krijgt, omdat hij onvoldoende zelfredzaam is. De reclassering adviseert daarom om bij een veroordeling een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering; ambulante begeleiding/behandeling; beschermd wonen; contactverbod; en dagbesteding.

8.3.6

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de e-mail van 20 oktober 2020, opgesteld door D. Bloch, reclasseringsmedewerker. In de e-mail staat dat de reclassering de indruk heeft dat een systeemgerichte behandeling de verdachte kan ondersteunen in het contactherstel met zijn (ex-)vriendin en dat daarmee de kans op recidive zal afnemen. De reclassering vindt het daarbij van belang dat er tussentijds wordt gekeken in hoeverre een contactverbod aan de orde is/moet blijven. Er lijkt sprake van gedragsverandering bij de verdachte en hij lijkt een positieve weg te zijn ingeslagen. De reclassering ziet voldoende mogelijkheden om het toezicht voor te zetten.

8.3.7

[naam 4] , werkzaam bij Indaad, heeft ter zitting verklaard dat hij de verdachte al vier jaren kent en dat de verdachte zich openstelt voor begeleiding en de laatste jaren erg zijn best heeft gedaan en veel vooruitgang heeft geboekt. Hij heeft er ook op gewezen dat de verdachte beperkt wordt door zijn mogelijkheden.

8.3.8

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat het hiervoor genoemde advies van de reclassering zowel recht doet aan de ernst van de zaak als aan de persoon van de verdachte. De mishandelingen van [naam levensgezel] , het gewelddadige verzet tegen de politie en de omstandigheid dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens mishandeling van [naam levensgezel] , rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Aan de andere kant ziet de rechtbank dat de verdachte beperkt is in zijn mogelijkheden, zijn best doet zijn gedrag te veranderen, zich laat begeleiden en aan zijn toekomst wil werken. De rechtbank vindt daarom niet dat de verdachte nog terug naar de gevangenis moet, maar wél dat de verdachte een taakstraf moet verrichten. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van 13 dagen opleggen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. De verdachte moet daarnaast 100 uur onbetaalde arbeid verrichten en als hij dat niet doet dan moet hij 50 dagen vervangende hechtenis ondergaan. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 77 dagen opleggen en daarbij de bijzondere voorwaarden stellen die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod.

8.3.9

Ten aanzien van het laten vervallen van het contactverbod overweegt de rechtbank dat uit de brief van [naam 5] , maatschappelijk werker bij Blijf Groep, naar voren komt dat de behandeling en begeleiding die [naam levensgezel] krijgt, kan worden afgerond en dat er een grote noodzaak is om systeemgericht te gaan werken maar dat dit niet gaat zolang sprake is van een contactverbod. Het moet de verdachte ondertussen wel duidelijk zijn dat als hij zich opnieuw misdraagt jegens [naam levensgezel] de consequenties groot zijn.

8.3.10

Kort samengevat komt dit op het volgende neer. De verdachte krijgt straf, omdat hij zijn vriendin heeft gestoken met een schilmesje en haar heeft geslagen. Hij heeft haar pijn gedaan. Hiervoor bestaat geen excuus: je mag andere mensen geen pijn doen. De verdachte krijgt ook straf omdat hij niet heeft meegewerkt met de politie en zich heel vervelend heeft gedragen tegenover de politie. De verdachte hoeft niet terug naar de gevangenis, omdat hij volgens de reclassering goed bezig is en de rechtbank het belangrijk vindt dat hij verder gaat op de ingeslagen weg. De gevangenisstraf die hij krijgt, is daarom gelijk aan de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten. Dat betekent dat hij die straf al heeft uitgezeten en dus niet terug naar de gevangenis hoeft. Verder krijgt de verdachte een taakstraf. Hij moet 100 uur werken. Als hij dat niet doet, moet hij alsnog naar de gevangenis. De verdachte krijgt ook een voorwaardelijke straf, dat wil zeggen dat hij zich aan bepaalde regels moet houden. Zo mag hij niet opnieuw een strafbaar feit plegen en moet hij naar de reclassering luisteren. Als hij zich niet aan de regels houdt dan loopt hij het risico dat hij alsnog naar de gevangenis moet. De verdachte mag wel weer contact hebben met [naam levensgezel] .

9 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

9.1

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 2.445,- aan vergoeding van materiële schade en € 50.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.2

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het hem in zaak C ten laste gelegde en hem dus geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet wordt toegepast.

9.3

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10. De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

10.1

Bij de stukken bevindt zich de op 2 oktober 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 16/265111-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 30 april 2019 van de politierechter te Almere, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 dagen met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 19 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

10.2

Bij de stukken bevindt zich ook de op 2 oktober 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/741273-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 24 juli 2018 van de rechtbank Amsterdam, waarbij de verdachte is veroordeeld tot jeugddetentie van 10 dagen met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 7 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

10.3

De officier heeft gevorderd dat beide vorderingen worden toegewezen en dat alsnog de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen zal worden gelast.

10.4

De raadsman van de verdachte heeft verzocht om – in het geval de rechtbank de vorderingen tenuitvoerlegging toewijst – de opgelegde vrijheidsstraffen om te zetten naar taakstraffen.

10.5

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Voor het geloofwaardig functioneren van het wettelijke systeem van algemene en bijzondere voorwaarden is het van essentieel belang dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is. De rechtbank zal daarom de gehele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen gelasten. In het reclasseringsrapport van 13 februari 2020 staat dat als de verdachte lange tijd gedetineerd raakt, de opgestarte trajecten zullen stagneren. De rechtbank ziet daarom aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van de in totaal 26 dagen gevangenisstraf, de tenuitvoerlegging van een taakstraf van 52 uur te bevelen. Als de verdachte de taakstraffen niet (goed) doet, moet hij alsnog die dagen zitten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 180, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak C ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A en het in zaak B onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

In zaak A: mishandeling terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel.

In zaak B: 1. mishandeling en 2. en 3. telkens: wederspannigheid.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart de verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 77 (zevenenzeventig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij de reclassering

De veroordeelde meldt zich binnen 5 (vijf) werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Inforsa op het [adres 2] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

2. Ambulante behandeling

De veroordeelde moet zich laten behandelen door de Forensisch Ambulante Zorg van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Deze behandeling is gericht op zijn verslavings-, agressieproblematiek en delictgedrag. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

3. Ambulante begeleiding/behandeling

De veroordeelde moet zich laten begeleiden/behandelen door Indaad of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering die de veroordeelde ondersteunt bij praktische zaken. De begeleiding/behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding/behandeling.

4. Beschermd wonen

De veroordeelde moet verblijven in een beschermde woonvorm. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

5. Dagbesteding

De veroordeelde moet meewerken aan een re-integratietraject dat hem leidt naar dagbesteding en indien mogelijk betaald werk, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Aan de hiervoor gestelde bijzondere voorwaarden zijn ingevolge artikel 14c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht de volgende voorwaarden verbonden:

6. Medewerking ten behoeve van vaststellen identiteit

De veroordeelde moet ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

7. Medewerking reclasseringstoezicht

De veroordeelde moet zijn medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan Reclassering Inforsa de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Gelast – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 16/265111-18 opgelegde vrijheidsstraf (19 dagen gevangenisstraf) te geven – dat de veroordeelde een taakstraf van 38 (achtendertig) uren moet verrichten. Beveelt, voor het geval dat de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 19 (negentien) dagen.

Gelast – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/741273-17 opgelegde vrijheidsstraf (7 dagen jeugddetentie) te geven – dat de veroordeelde een taakstraf van 14 (veertien) uren moet verrichten. Beveelt, voor het geval dat de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 7 (zeven) dagen.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. P.K. Oosterling-van der Maarel en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 november 2020.

De griffier is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.

De oudste rechter en de jongste rechter

zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage […]

.