Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5625

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5125
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving, last onder dwangsom, parkeernorm. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/5125

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen, verweerder

(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

Procesverloop

Met het besluit van 12 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.

Met het besluit van 16 augustus 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 oktober 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van € 10.000,- aan verbeurde dwangsom.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II bezwaar ingesteld. Verweerder heeft dit bezwaar met toepassing van de artikelen 5:39, eerste lid, en 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter behandeling als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Ontvankelijkheid van het beroep

1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank – na een herstelmogelijkheid – het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

2. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 27 september 2019 vermeld dat het bestreden besluit I feitelijke en juridische grondslag ontbeert. Anders dan eiser betoogt, kan dit niet worden aangemerkt als een voldoende op het concrete geval betrekking hebbende beroepsgrond. De rechtbank stelt dan ook vast dat dit beroepschrift geen gronden bevat.

3. De rechtbank heeft eiser bij brief van 30 september 2019 verzocht om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Eiser is er in deze brief op gewezen dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Op 25 oktober 2019 heeft eiser om uitstel van het indienen van gronden verzocht. Bij brief van 28 oktober 2019 heeft de rechtbank eiser een tweede termijn, zoals verzocht van twee weken, gegeven. De termijn om het verzuim te herstellen verliep op 11 november 2019.

4. Eiser heeft geen gronden ingediend binnen de hersteltermijn. In het bezwaarschrift van 15 november 2019 tegen het bestreden besluit II staan wel gronden vermeld. Ook de pletnotitie die eiser op 29 september 2020 aan de rechtbank heeft gestuurd, bevat naar het oordeel van de rechtbank gronden. De rechtbank concludeert dat de gronden van het beroep na afloop van de termijn zijn ingediend.

5. De rechtbank stelt echter vast dat eiser in de brief van 28 oktober 2019 niet opnieuw is medegedeeld dat het niet tijdig indienen van gronden kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Ter zitting heeft eiser verklaard dat deze mogelijke consequentie voor hem ook niet duidelijk was, omdat in de brief van 28 oktober 2019 staat dat de rechtbank na afloop van de termijn de behandeling van het beroep voortzet. Gelet hierop vindt de rechtbank dat de termijnoverschrijding voor het indienen van gronden niet aan eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank sluit hiermee aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het kader van de bij de bezwaarschriftprocedure in acht te nemen zorgvuldigheid.1 De rechtbank is namelijk van oordeel dat in het kader van de beroepschriftprocedure eenzelfde zorgvuldigheid vereist is als bij een bezwaarschriftprocedure voor zover het gaat om het wijzen op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring bij overschrijding van een hersteltermijn. De rechtbank verklaart het beroep ondanks de termijnoverschrijding voor het indienen van beroepsgronden, ontvankelijk.

Inhoudelijk geschil

6. Verweerder heeft een last onder dwangsom van € 10.000,- ineens opgelegd aan eiser. Eiser is gelast “het gebruik van het pand [adres] , kadastraal bekend als gemeente [plaatsnaam] , sectie [letter] , nr. [nummer] (hierna: bedrijfspand), zonder dat voldaan wordt aan de parkeernorm voor die functie uit artikel 4.5.2 van het bestemmingsplan te beëindigen en beëindigd te houden”. Hierbij is aan eiser een begunstigingstermijn van twee maanden gegeven. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen [plaatsnaam] ’ (hierna: het bestemmingsplan). Niet in geschil is dat eiser een [soort bedrijf] exploiteert ( [naam] ) en dat het exploiteren van een [soort bedrijf] binnen de geldende bestemming is toegestaan. De gronden waarop het bedrijfspand is gelegen hebben de bestemming ‘bedrijventerrein’ met de functieaanduiding bedrijf tot en met categorie 3.1. Tussen partijen is in geschil of eiser aan de parkeernorm op grond van artikel 4.5.2 van het bestemmingsplan moet voldoen en als dit het geval is, of hij hier ook aan voldoet.

7. Verweerder heeft vervolgens een invorderingsbeschikking genomen. Tussen partijen is in dit kader in geschil of de door verweerder opgelegde dwangsom is verbeurd.

8. De rechtbank zal de verschillende beroepsgronden die eiser tegen de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking heeft aangevoerd hieronder bespreken.

Last onder dwangsom (bestreden besluit I)

Standpunt eiser

9. Eiser voert - samengevat weergegeven - aan dat de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd. De parkeernorm zou volgens eiser niet voor hem moeten gelden, omdat hij geen parkeerplaatsen nodig heeft vanwege de ruimte die hij in het bedrijfspand heeft. Eiser voert ook aan dat wanneer de parkeernorm wel voor hem geldt, hij hier wel degelijk aan voldoet. Eiser heeft namelijk drie parkeerplaatsen op het eigen terrein van een ander bedrijf gehuurd. Tot slot voert eiser aan dat er concreet zicht op legalisering bestond.

Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank moet beoordelen of verweerder er terecht vanuit gaat dat er sprake is van een overtreding en verweerder als gevolg daarvan bevoegd was om handhavend op te treden door een last onder dwangsom aan eiser op te leggen.

11. Het betoog van eiser dat de parkeernorm niet voor hem geldt, faalt. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. In artikel 4.5.2. van het bestemmingsplan zijn bij de bestemming ‘bedrijventerrein’ als gebruiksregel parkeernormen opgenomen. Deze zijn afhankelijk van de bedrijfsfunctie en het bedrijfsvloeroppervlak. Het bedrijfspand wordt gebruikt als [soort bedrijf] en voor opslag. Op grond van het bestemmingsplan geldt voor het bedrijfspand (afgerond) een parkeernorm van 3 parkeerplaatsen op eigen terrein.2 Of eiser zelf vindt dat hij parkeerplaatsen nodig heeft, maakt voor het van toepassing zijn van de parkeernorm geen verschil. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat met het huren van parkeerplaatsen op het eigen terrein van een ander, in beginsel aan de parkeernorm kan worden voldaan. Voor het voldoen aan de parkeernorm moeten de parkeerplaatsen echter wel visueel herkenbaar zijn als parkeerplaatsen voor het bedrijf waar de parkeernorm voor geldt. Ook moeten de parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor het parkeren van auto’s voor het betreffende bedrijf. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het parkeren van auto’s van personeel, klanten en bezoekers. Te allen tijde honderd procent beschikbaarheid afdwingen is volgens verweerder niet reëel, maar de parkeerplaatsen moeten wel overwegend beschikbaar zijn. De rechtbank acht de door verweerder gegeven uitleg van de parkeernorm niet onredelijk.

13. Eiser heeft ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom, op 12 november 2018, drie parkeerplaatsen gehuurd op het nabijgelegen terrein van het bedrijf [naam] . De huurovereenkomst geldt voor de periode van 1 september 2018 tot 1 december 2018. In de overeenkomst staat dat eiser de parkeerplaatsen uitsluitend mag gebruiken voor het parkeren van personenauto’s. Voor de periode na 1 december 2018 is een nieuwe huurovereenkomst afgesloten tussen eiser en [naam] die, behoudens opzegging, elke zes maanden automatisch wordt verlengd.

14. Anders dan verweerder betoogt, brengt het enkele feit dat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, naar het oordeel van de rechtbank niet met zich mee dat eiser ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom niet aan de parkeernorm voldeed. Ook het feit dat in de huurovereenkomst geen plattegrond is opgenomen waaruit blijkt welke parkeerplaatsen eiser heeft gehuurd, betekent niet automatisch dat niet aan de parkeernorm is voldaan. Zoals ter zitting is besproken, is het voor verweerder namelijk altijd duidelijk geweest welke drie parkeerplaatsen eiser heeft gehuurd. Omwille van de rechtszekerheid is de rechtbank van oordeel dat de in het bestemmingsplan opgenomen parkeernorm niet zover strekt dat verweerder voorwaarden kan stellen aan de precieze inhoud van de huurovereenkomst.

15. Eiser heeft ter zitting verklaard dat mondeling met [naam] is overeengekomen dat de door eiser gehuurde parkeerplaatsen tot 1 december 2018 in overleg met eiser ook door [naam] gebruikt mochten worden. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat deze (mondelinge) overeenkomst op zichzelf al niet in overeenstemming is met de door verweerder gehanteerde parkeernorm dat de drie parkeerplaatsen (overwegend) beschikbaar moeten zijn voor eiser. Uit de gedingstukken blijkt daarnaast dat verweerder meermaals heeft gecontroleerd of en in welke mate de parkeerplaatsen beschikbaar waren voor het parkeren van auto’s voor [naam] . Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de controle die op 4 oktober 2018 door een toezichthouder van de gemeente [plaatsnaam] heeft plaatsgevonden, aan de last onder dwangsom ten grondslag wordt gelegd. Tijdens deze controle op 4 oktober 2018 is geconstateerd dat er om 20:00 uur twee bestelauto’s zonder kenteken en één bestelauto met [land] kenteken op de parkeerplaatsen stonden. Het standpunt van verweerder dat de twee bestelauto’s zonder kenteken niet van personeel, klanten of bezoekers van [naam] waren, is door eiser niet betwist. Tijdens de zitting heeft eiser over deze bestelauto’s verklaard dat zij er de volgende ochtend om 08:00 uur niet meer stonden. Over de bestelauto met [land] kenteken heeft eiser ter zitting verklaard dat deze bestelauto ook niet van personeel, een bezoeker of klant van [naam] is en dat deze bestelauto twee dagen op een parkeerplaats van [naam] heeft gestaan. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de drie parkeerplaatsen gelet op het voorgaande niet (overwegend) beschikbaar waren voor [naam] . Dit betekent dat niet aan de parkeernorm is voldaan en dat hiermee sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

16. Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van de Awb is verweerder bevoegd om tegen de overtreding op te treden door het opleggen van een last onder dwangsom. In het geval van overtreding van een wettelijk voorschrift zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

17. Het standpunt van eiser dat er concreet zicht op legalisering bestaat, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Voor legalisering is een omgevingsvergunning nodig om af te mogen wijken van het bestemmingsplan. Eiser heeft geen aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Verweerder heeft medegedeeld ook niet bereid te zijn om mee te werken aan het verlenen van een omgevingsvergunning waarmee het gebruik van het bedrijfspand zonder aan de parkeernorm te voldoen wordt gelegaliseerd. Van onevenredigheid van het handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen is evenmin gebleken.

18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder handhavend mocht optreden door de last onder dwangsom op te leggen. Het bestreden besluit I blijft in stand.

Invordering dwangsom (bestreden besluit II)

Standpunt eiser

19. Eiser voert - samengevat weergegeven - aan dat er geen dwangsom is verbeurd omdat er geen sprake is van een overtreding. Er is slechts éénmaal een auto aangetroffen die niet aan personeel, een klant of bezoeker van eiser toebehoort, aldus eiser.

Beoordeling door de rechtbank

20. Op 4 oktober 2019 heeft verweerder een besluit tot invordering van de dwangsom van € 10.000,- genomen. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft een beroep tegen een last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Eiser heeft tegen de invorderingsbeschikking bezwaar gemaakt. Het beroep heeft daarom ook betrekking op deze invorderingsbeschikking. De rechtbank moet in dit kader beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dwangsom is verbeurd en verweerder de dwangsom van € 10.000,- om die reden mocht invorderen.

21. Aan eiser is een dwangsom ‘ineens’ opgelegd. Dit brengt met zich mee dat het voor het verbeuren van de dwangsom voldoende is wanneer er op één moment is geconstateerd dat eiser niet (volledig) aan de last heeft voldaan. Eiser betwist niet dat er na afloop van de begunstigingstermijn tijdens een controle door een toezichthouder van de gemeente [plaatsnaam] op 19 februari 2019 om 15:20 uur onder meer is geconstateerd dat er een bestelauto op zijn parkeerplaats stond die niet aan iemand toebehoorde die voor [naam] kwam. Eiser stelt hierover dat de bestelauto van het bedrijf [naam] is en de nacht ervoor op een parkeerplaats van eiser is geplaatst. Ter zitting heeft eiser verklaard dat deze bestelauto overdag ook op een parkeerplaats van eiser heeft gestaan en vervolgens is weggehaald. Het betoog van eiser dat de dwangsom niet verbeurd is omdat de bestelauto zonder medeweten of goedkeuring van eiser op zijn parkeerplaats stond, wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat dit een omstandigheid is die voor risico van eiser dient te komen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de parkeerplaats niet (overwegend) beschikbaar was voor [naam] en dat niet aan de parkeernorm is voldaan. Daarmee is de dwangsom verbeurd.

22. Op 28 februari 2019 en 11 april 2019 hebben opnieuw controles plaatsgevonden door een toezichthouder van de gemeente [plaatsnaam] . Omdat de dwangsom gelet op hetgeen hierboven is overwogen toen al was verbeurd, behoeven deze controles geen bespreking meer. Het geschilpunt over de vraag of een auto zonder geldig kenteken geparkeerd kan worden of dat er in een dergelijk geval sprake is van opslag, behoeft om dezelfde reden geen bespreking.

23. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aan de last onder dwangsom heeft voldaan en dat de dwangsom verbeurd is. Het bestreden besluit II blijft in stand.

Conclusie

24. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Georgiades, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Hummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1399.

2 Op grond van artikel 4.5.2 van het bestemmingsplan geldt voor een [soort bedrijf] een parkeernorm van 2,5 parkeerplaats per 100 m2 en voor opslag een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per 100 m2. Het bedrijfspand bestaat voor 96 m2 uit [soort bedrijf] en voor 48 m2 uit opslag. In totaal geldt voor het bedrijfspand dus een parkeernorm van 2,74 parkeerplaatsen.