Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5585

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
26Marengo
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de pro formazitting van 28 en 29 oktober en 3 november 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de pro formazitting van 28 en 29 oktober en 3 november 2020

Beslissingen in de zaken van alle verdachten

Inleiding

Verwijzing naar de rechter-commissaris

Op de afgelopen pro formazitting is, naar aanleiding van de mededeling van de rechter- commissaris dat zij haar werkzaamheden in de zaak Marengo niet voortzet, de voortgang een belangrijk onderwerp van gesprek geweest. De rechtbank heeft ter terechtzitting al aangegeven dat opnieuw zal worden verwezen naar de rechter-commissaris. Een van de raadslieden heeft gevraagd of de vorige rechter-commissaris toch niet zou kunnen terugkeren, een ander heeft aangegeven dat een specifieke rechter-commissaris het wat haar betreft niet zou moeten overnemen. Wie de nieuwe rechter-commissaris wordt daar treedt de zittingsrechter echter niet in; dat is aan het management van de strafsector respectievelijk het kabinet van de rechter-commissaris.

Getuigenverhoren

Het gegeven dat de rechter-commissaris zich heeft teruggetrokken heeft tot gevolg gehad dat bepaalde reeds geplande getuigenverhoren zijn uitgesteld. Enige vertraging in het uit te voeren onderzoek is daarmee een gegeven. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de rechter-commissaris – op basis van de door haarzelf en door de rechtbank toegewezen verzoeken – nog 43 getuigen zou moeten horen. De rechtbank komt ook tot dit aantal, maar constateert dat hierin alle Marengo-verdachten (inclusief de kroongetuige) zijn meegeteld, die in de zaken van hun medeverdachten gehoord zouden moeten worden. De rechtbank is voornemens om alle verdachten ter terechtzitting in elkaars zaak als getuige te horen, in lijn met de beslissing van de rechter-commissaris in haar proces-verbaal van bevindingen van 13 mei 2020. Ook is de rechtbank voornemens om het verhoor van de kroongetuige verder op de openbare terechtzitting te doen plaatsvinden. Dit scheelt vanzelfsprekend in de hoeveelheid werk die de rechter-commissaris nog moet verrichten. Er zijn uiteraard enige nuanceringen aan te brengen in het hiervoor geformuleerde voornemen. Het is denkbaar dat afgebakende delen van het verhoor van de kroongetuige beter binnen de beslotenheid van het kabinet van de rechter-commissaris kunnen plaatsvinden. Daar kunnen dan naar bevind van zaken met procespartijen afspraken over worden gemaakt. Ook zijn er wellicht getuigenverhoren van verdachten die uiteindelijk wel bij de rechter-commissaris dienen plaats te vinden. Van verdachte [verdachte 1] was dit getuigenverhoor immers al gepland en op de vorige pro formazitting is ook beslist dat zo mogelijk een getuigenverhoor van verdachte [verdachte 2] middels een rechtshulpverzoek tot stand gebracht dient te worden. Met betrekking tot het verhoor van verdachte [verdachte 1] heeft de rechtbank een hierna te melden tussenstap ingebracht, waarna met de betrokken procespartijen zal worden overlegd of een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris of op de openbare terechtzitting de voorkeur verdient.

Verhoor kroongetuige in de zaak van verdachte [verdachte 1]

Ter terechtzitting is aan de orde gekomen of er onderzoekshandelingen zijn die een grotere urgentie hebben en waarvoor een ad-hocoplossing bedacht zou moeten worden, los van al geplande zittingsdagen dan wel in afwachting van een nieuwe planning van een rechter- commissaris. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft aangegeven graag snel de kroongetuige te willen horen, nu dit van belang is voor mogelijke verzoeken aangaande de

voorlopige hechtenis. De rechtbank begrijpt gelet op dit standpunt die urgentie en zal op korte termijn in overleg treden met de verdediging van verdachte [verdachte 1] , de raadslieden van de kroongetuige en de officieren van justitie om een dag in december 2020 te plannen waarop de kroongetuige door de verdediging van verdachte [verdachte 1] bevraagd kan worden. De raadslieden van de overige verdachten zijn uiteraard welkom op deze openbare terechtzitting, maar het is om praktische redenen het voornemen van de rechtbank dat het slechts een verhoor zal zijn in de zaak van verdachte [verdachte 1] .

De overige (wensen omtrent de uitvoering van de) onderzoekswensen zullen in het navolgende aan de orde komen.

Inzage in de Marengo-dataset (hierna: de dataset)

In de beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank overwogen dat zij zich wenst te laten informeren over de wijze waarop de inzage in de dataset nu praktisch gaat door zelf de dataset te doorzoeken op eenzelfde laptop zoals die aan de verdediging in de diverse penitentiaire inrichtingen wordt verstrekt.

Inzage op een besloten zitting

Ter terechtzitting hebben procespartijen zich kunnen uitlaten over de wijze waarop dit het beste vorm gegeven kan worden. Uit de uitgewisselde standpunten maakt de rechtbank op dat de inzage in de dataset zo vorm gegeven moet worden dat dit deel gaat uitmaken van het procesdossier, alsook dat deze inzage niet in het openbaar geschiedt vanwege de (privacygevoelige) aard van het materiaal. De rechtbank is daarom voornemens om een besloten terechtzitting te organiseren met de raadslieden en officieren van justitie. De rechtbank gaat er van uit dat de verdachten geen behoefte zullen hebben om bij deze terechtzitting aanwezig te zijn, gelet op de technische aard daarvan. Mocht een verdachte toch aanwezig willen zijn, dan verzoekt de rechtbank de verdediging dit tijdig aan de rechtbank te laten weten. Na de procespartijen over het sluiten van de deuren te hebben gehoord, is het het voornemen van de rechtbank de deuren gesloten te houden en de raadslieden die dat wensen vervolgens de gelegenheid te geven om op een laptop, zoals die aan de verdediging in de penitentiaire inrichtingen wordt verstrekt, aan de rechtbank te tonen welke problemen zij bij het doorzoeken van de dataset ondervinden. De rechtbank stelt zich daarbij voor dat alle aanwezigen op schermen mee kunnen kijken naar het zoekproces. In deze opzet kunnen de raadslieden inzichtelijk maken waar zij tegenaan lopen en kan de rechtbank zich daar een beeld van vormen.

Rechtbank gaat niet zelf in dataset zoeken

Voor zover de in de beslissing van 29 september 2020 gebezigde woorden ‘zelf doorzoeken’ impliceren dat de rechters zelf een zoekslag zouden gaan maken is dat een onjuiste indruk.

Het gaat de rechtbank er immers niet om dat zij in de dataset wil zoeken. Bij gelegenheid van de informele bijeenkomst zal een inventarisatie gemaakt worden van de raadslieden die in ieder geval aanwezig wensen te zijn. Daarmee kan dan bij de verdere planning rekening worden gehouden.

Verzoeken met betrekking tot inzage in het verificatiedossier

Eerdere beslissing van de rechtbank

In haar beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging in zoverre toegewezen, dat het Openbaar Ministerie op de voet van artikel 34 lid 2 van het

Wetboek van Strafvordering (Sv) inzage dient te verlenen in het verificatiedossier dat in juni 2017 is opgemaakt naar aanleiding van de kluisverklaringen, waarover de TBG-officier van justitie heeft verklaard.

Verzoek om heroverweging

Op 28 oktober 2020 heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank verzocht deze beslissing dat inzage in de aan het journaal ten grondslag liggende informatie kan worden verleend te heroverwegen en eerst een tussenstap aan te brengen. Dit omdat het ter inzage geven van de informatie naar inschatting van de TBG-officier van justitie gevaar zettend kan zijn. Bij het onderzoek door het TCI destijds is onder meer gebruik gemaakt van niet operationele opsporingsinformatie en van zogenoemde ‘dubbel 0’ TCI-informatie. Sommige informatie is slechts in heel kleine kring bekend. Als die informatie vervolgens ter inzage wordt gegeven, dan bestaat daarmee het gevaar dat (onbedoeld) de bron van die informatie wordt bekendgemaakt.

Standpunten verdediging

Mr. Meijering heeft gevraagd de beslissing in stand te laten. Mr. Splinter heeft ter terechtzitting een tussenvariant voorgesteld, inhoudende dat de rechter-commissaris het verificatiedossier kan beoordelen en eventueel delen zwart kan maken.

Beslissing van de rechtbank

De nadere mededeling van het Openbaar Ministerie dat bij het verificatie- en falsificatie- onderzoek door het TCI destijds gebruik is gemaakt van onder meer ‘dubbel 0’ TCI- informatie, maakt dat het afschermingsbelang met zich brengt dat het bedoelde verificatiedossier niet zonder meer aan de verdediging ter inzage kan worden gegeven. Uit het strafdossier leidt de rechtbank af dat de rechter-commissaris op 27 december 2017 over deze rapportage heeft beschikt bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de kroongetuige. Omdat de rechtbank begrijpt dat inzageverlening in dit materiaal buitengewoon precair is, laat zij de wijze van inzage – en daarbij de beoordeling of de door de officier van justitie wenselijk geachte tussenstap noodzakelijk is – ter beoordeling aan de rechter-commissaris die al kennis heeft genomen van deze rapportage. De eerdere beslissing wordt in dit opzicht herzien.

Verzoeken met betrekking tot het dossier

Door mrs. Flokstra en I.N. Weski is verzocht om het einddossier aan te leveren in een bestand met zogenoemde hyperlinks, zoals dat volgens hen in het onderzoek Eris zal worden verstrekt. Door het Openbaar Ministerie is aangegeven dat het Marengo-einddossier zal worden aangeleverd als één bestand, voorzien van een zoekindex, en dat dit een goed digitaal doorzoekbaar dossier zal zijn. De rechtbank gaat daar van uit en ziet daarom geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. Het verzoek wordt afgewezen.

Verzoeken met betrekking tot de bejegening van verdachte [verdachte 3] en algemene opmerkingen ten aanzien van alle procespartijen

Verzoeken van de verdediging van verdachte [verdachte 3]

De raadslieden van verdachte [verdachte 3] hebben de rechtbank verzocht afstand te nemen van door mr. Meijering op de zitting gebruikte schuldsturende termen als ‘moordenaar’ over de kroongetuige en in het vervolg in te grijpen als dat soort kwalificaties worden gebruikt, nu

deze strijdig zijn met het onschuldbeginsel. De rechtbank wijst deze verzoeken af en overweegt daartoe het volgende.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank neemt geen afstand van uitlatingen die de hare niet zijn. Een uitlating van een procesdeelnemer komt voor rekening van die procesdeelnemer. Dat heeft de rechtbank op 11 augustus 2020 ook al aangegeven toen een advocaat van een verdachte de rechtbank verzocht om de officier van justitie bepaalde delen van de toelichting op de terechtzitting niet voor te laten dragen. De rechtbank wees dit verzoek toen af en heeft daarbij aangegeven dat die uitlatingen voor rekening van het Openbaar Ministerie komen.

Algemene opmerkingen van de rechtbank

Een advocaat die op een strafzitting een verdachte bijstaat heeft met betrekking tot zijn uitlatingen een grote vrijheid, waaronder de vrijheid om in de zittingszaal (namens zijn cliënt, in het belang van zijn cliënt) een medeverdachte van strafbare feiten te beschuldigen. De onschuldpresumptie staat daaraan niet in de weg. Die richt zich primair tot de overheid, niet tot een (partijdige) advocaat. Uiteraard is het denkbaar dat een advocaat door bepaalde uitlatingen – al dan niet in de zittingszaal – strafrechtelijk, civielrechtelijk of tuchtrechtelijk over de schreef gaat. Eenieder die zich daartoe geroepen voelt kan naar aanleiding van dergelijke uitlatingen aangifte doen, een dagvaarding (voor een civiele rechter) doen uitgaan of een (tucht)klacht indienen. Een professionele procesdeelnemer in een strafzaak zal echter op de terechtzitting niet gauw door de rechtbank de mond gesnoerd worden. Daarvan kan in beginsel slechts sprake zijn als de orde op de terechtzitting in het geding is.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank realiseert zich dat de belangen in de zaak Marengo groot zijn en soms zeer tegengesteld. Dat brengt met zich dat de toon tussen de professionele procesdeelnemers binnen en buiten de rechtszaal af en toe stevig is. Dat kan, zolang het maar niet persoonlijk wordt en eenieder de ander respecteert in de rol die hij of zij vervult. De rechtbank verzoekt de procesdeelnemers om hierbij op de bal te spelen, en niet op de man.

Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 2] , [verdachte 1] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]

Verzoeken met betrekking tot de Dubai-observatie

Verzoeken van de verdediging

De verdediging van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 1] heeft verzocht om het horen van vier getuigen, te weten de officier van justitie die toestemming heeft gegeven voor de observatie van mr. Meijering, de liaison officer en de twee verbalisanten die het proces- verbaal van 23 september 2020 hebben opgesteld. Mr. Meijering heeft aanvullend nog verzocht om een compleet verslag van alles wat er in Dubai door de Dubai Police en eventuele andere diensten is gedaan, ook voor zover dit niet door Nederland is verzocht.

De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verder verzocht om het e-mailverkeer waarnaar in het proces-verbaal van 23 september 2020 wordt verwezen te verstrekken ter eventuele voeging in het dossier en voorts om het Openbaar Ministerie een termijn te stellen van één week waarbinnen de door de rechtbank bevolen nadere stukken en informatie over de Dubai-observatie moet worden verstrekt.

Beslissingen van de rechtbank

De rechtbank wijst deze verzoeken van de verdediging af, omdat deze prematuur zijn. De rechtbank heeft in haar beslissing van 29 september 2020 geoordeeld dat het dossier zodanig moet worden aangevuld dat helder wordt wat er precies is gebeurd. Bij die beslissing is het Openbaar Ministerie opgedragen processen-verbaal aan het dossier toe te voegen waarin wordt uiteengezet hoe de inzet heeft plaatsgevonden, op basis van welke informatie en wat er daadwerkelijk is gebeurd in Nederland en Dubai. Het Openbaar Ministerie heeft medegedeeld dat deze opdrachten allemaal zijn uitgezet. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarop vooruit te lopen en nu reeds te bepalen dat getuigen moeten worden gehoord. De rechtbank ziet evenmin aanleiding een termijn te stellen aan het Openbaar Ministerie om aan de opdracht te voldoen. Het verzoek met betrekking tot verstrekking van het e-mailverkeer wordt eveneens afgewezen, omdat ook dit verzoek prematuur is.

Ten slotte wordt het aanvullende verzoek van mr. Meijering, om een compleet verslag, afgewezen omdat ook hiervoor geldt dat de op te stellen processen-verbaal afgewacht dienen te worden. Daarbij weegt mee dat de opdracht van de rechtbank breed (‘wat er daadwerkelijk is gebeurd in Nederland en Dubai’) is geformuleerd. De omstandigheid dat de rechtbank daarbij heeft geoordeeld in ieder geval op een aantal specifieke vragen antwoord te verwachten, betekent (dus) niet dat zij alleen op die specifieke vragen antwoord verwacht. De rechtbank gaat ervan uit dat in de te voegen processen-verbaal in zal worden gegaan op alle informatie die van belang kan zijn voor de beoordeling van de Dubai-observatie. Het recent aan het dossier toegevoegde proces-verbaal van 23 september 2020 maakt het oordeel dat de verzoeken prematuur zijn niet anders, nu dit proces-verbaal dateert van voor de beslissing van 29 september 2020 en (dus) niet is opgemaakt ter uitvoering van die bevelen.

Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 8]

Verzoeken met betrekking tot PGP-berichten en benoemen PGP-deskundige

Verzoeken van de verdediging

Mr. I.N. Weski heeft (onder H van haar pleitnota) namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] verzocht (al dan niet in het kader van een terugwijzing naar een rechter- commissaris, niet zijnde de zaaksrechter-commissaris uit het onderzoek Tandem II) om een of meer onafhankelijke deskundigen te benoemen om aspecten van het bewijsmateriaal en de bejegening van geheimhouders te onderzoeken in het kader van te voeren verweren met betrekking tot schending van geheimhoudersrechten, integriteit en betrouwbaarheid van het gepresenteerde bewijsmateriaal en de mogelijkheden tot contra-expertise. Aan dit onderzoek dient een verkennend onderzoek vooraf te gaan om te beoordelen welke deskundigheid hiertoe benodigd is en welke onderzoeksvragen aan welke deskundige kunnen worden gesteld. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn schriftelijk te antwoorden op 16 in de pleitnota vermelde vragen en/of verzoeken tot verstrekking van onder andere tijdlijnen, een verklarende woordenlijst en toelichtingen ter eventuele voeging in het dossier. Tot slot wordt onder I van de pleitnota verzocht het Openbaar Ministerie te bevelen duidelijkheid te verschaffen over een mogelijke hack voorafgaand aan het ‘formele’ beslag op de Ennetcom-servers.

Mr. G.N. Weski heeft de door mr. I.N. Weski onder H vermelde verzoeken in dezelfde bewoordingen (onder B van zijn pleitnota) gedaan namens verdachte [verdachte 7] en mr. Splinter heeft zich namens verdachte [verdachte 8] aangesloten bij de verzoeken van mrs. I.N. Weski en

G.N. Weski, daarbij verwijzend naar haar brief van 23 oktober 2020 aan het Openbaar Ministerie. In die brief worden dezelfde 16 vragen opgesomd.

Reactie van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft in repliek onder andere geantwoord dat soortgelijke vragen door mr. G.N. Weski zijn ingediend in het onderzoek Himalaya en dat mr. I.N. Weski een en ander ook al in andere onderzoeken aan de orde stelde, inclusief het hacken van de servers (de rechtbank begrijpt: het verzoek onder I van de pleitnota). Volgens het Openbaar Ministerie heeft de verdediging geen enkel concreet voorbeeld genoemd van een bericht in het dossier waarvan zij meent dat het verkeerd is weergegeven, of dat er iets anders niet klopt, laat staan dat die onjuistheid handen en voeten wordt gegeven. Bij die stand van zaken is er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie geen aanleiding de vele en zeer arbeidsintensieve vragen van de verdediging te beantwoorden. Het Openbaar Ministerie heeft wel toegezegd binnen twee weken antwoord te geven op de vragen 3, 4, 6, 7, 14 en 16a.

Dupliek van de verdediging

In dupliek heeft mr. Boersma de verzoeken in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] nader onderbouwd met aanvullende (aan de deskundige(n) te stellen) vragen.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank begrijpt dat bij de verdediging vragen leven met betrekking tot de PGP-data, zoals onder meer over de wijze van verkrijging, de werking van zoekmachine Hansken, de werkwijze rondom geheimhouders en de integriteit van de data. De rechtbank sluit dan ook niet uit dat het op enig moment aangewezen is dat de verdediging vragen kan stellen aan een te benoemen onafhankelijke deskundige, met de kanttekening dat de vragen betrekking dienen te hebben op de PGP-data in het onderzoek Marengo.

Op dit moment ziet de rechtbank zich echter vooral geconfronteerd met een veelheid aan algemene stellingen en (juridische) standpunten die bij de inhoudelijke behandeling ongetwijfeld onderwerp van debat zullen zijn, zoals de verdediging ook zelf aangeeft. Ook heeft de rechtbank zich na de pro formazitting van augustus/september 2020 geconfronteerd gezien met een e-mail van de verdediging van 18 september 2020 met vragen gericht aan het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een bericht dat de officier van justitie in een ander onderzoek (Himalaya) aan de verdediging had gestuurd. Op die vragen heeft het Openbaar Ministerie geantwoord op 6 oktober 2020. Kort daarna ontving de rechtbank een afschrift van een e-mail van de verdediging van 19 oktober 2020 waarin aan het Openbaar Ministerie, naar aanleiding van de reactie van 6 oktober 2020, een 16-tal nieuwe vragen wordt gesteld. Het zijn onder andere deze 16 vragen waarvan nu wordt verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen deze te beantwoorden. Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting geconstateerd dat de verdediging direct na de repliek van het Openbaar Ministerie – in een pleitnota van 7

pagina’s – haar verzoeken voorzag met een nadere onderbouwing en met enkele aanvullende vragen. Desgevraagd heeft de verdediging aangegeven de reactie van het Openbaar Ministerie te hebben voorzien en daarop te hebben geanticipeerd. Hierop heeft het Openbaar Ministerie vanzelfsprekend in het geheel niet meer kunnen reageren.

In het belang van een goede rechtspleging dient een verzoek concreet en onderbouwd te worden gedaan ter terechtzitting waarop het Openbaar Ministerie kan reageren. Zeer uitvoerige verzoeken kunnen uiteraard het best voorafgaand aan het Openbaar Ministerie kenbaar worden gemaakt.

Een situatie zoals die zich thans heeft voorgedaan is naar het oordeel van de rechtbank onwenselijk. De verdediging heeft onderzoekswensen en argumenten daartoe geformuleerd, al dan niet in (in)directe relatie tot het onderzoek Marengo. Daarbij is onder meer verwezen naar brieven en e-mails (al dan niet met bijlagen) die de verdediging voor en na pro formazittingen heeft verzonden. Bij dupliek heeft de verdediging uitvoerige aanvullingen en nadere wensen naar voren gebracht.

Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank heeft de verdediging hiermee het Openbaar Ministerie onvoldoende in staat gesteld op uitvoerige betogen te reageren. Niet valt in te zien waarom dergelijk anticiperen op voor de verdediging kennelijk (zeer) voorzienbare reacties van het Openbaar Ministerie niet reeds bij pleidooi plaatsheeft.

Het ligt thans in de rede eerst de beantwoording van een aantal vragen, zoals toegezegd door het Openbaar Ministerie, af te wachten. Indien de verdediging nadien van oordeel is dat er alsnog tal van vragen te stellen zijn ten aanzien van de Marengo-data, dan heeft het de voorkeur dat deze ruim voor de volgende pro formazitting in één keer aan het Openbaar Ministerie worden voorgelegd. Op deze wijze kan het debat omtrent eventuele onderzoekswensen, die concreet en onderbouwd zijn en in relatie tot de Marengo-data staan, ter terechtzitting verder gevoerd worden. Dit laat onverlet dat later opgekomen punten ter terechtzitting kunnen worden opgeworpen.

Bij deze stand van zaken worden de verzoeken van de verdediging thans afgewezen.

Verzoeken met betrekking tot berichten van geheimhouders in PGP-data

Eerdere verzoeken van de verdediging

Mr. I.N. Weski heeft allereerst aandacht gevraagd voor het feit dat zij, ondanks verzoeken daartoe aan het Openbaar Ministerie, niet in het bezit is gesteld van processen-verbaal van vernietiging geheimhouders en dat de rechtbank op haar eerdere verzoek daartoe niet heeft beslist.

De rechtbank heeft in haar beslissing van 29 september 2020 inderdaad geen aandacht besteed aan dit verzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat, naar haar oordeel, het Openbaar Ministerie bij repliek van 3 september 2020 al afdoende had gereageerd. In die repliek heeft het Openbaar Ministerie namelijk verwezen naar de uitleg die zij in de toelichting ter terechtzitting van 27 februari 2020 heeft gegeven over de kwestie van geheimhoudersberichten in de PGP-data. Bij dupliek van 3 september 2020 heeft mr. I.N. Weski weliswaar opnieuw verzocht om verstrekking van de processen-verbaal van vernietiging van geheimhouders, maar omdat uit de repliek al viel op te maken dat deze er niet zijn, heeft de rechtbank aangenomen dat hierop niet meer beslist hoefde te worden.

Herhaling van de verzoeken van de verdediging

Mr. I.N. Weski heeft (onder G van haar pleitnota) namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] thans opnieuw verzocht om (primair) het Openbaar Ministerie op te dragen de processen-verbaal vernietiging geheimhouders te verstrekken. Vooruitlopend op het mogelijke antwoord van het Openbaar Ministerie dat deze processen-verbaal er niet zijn omdat geheimhoudersberichten niet zijn vernietigd maar ontoegankelijk zijn gemaakt, heeft de raadsvrouw verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de in de pleitnota vermelde 16 vragen te beantwoorden binnen een door de rechtbank te bepalen termijn. Daarnaast wordt, zo begrijpt de rechtbank, verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de verdediging in de

gelegenheid te stellen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alle niet vernietigde geheimhoudersberichten in te zien, zodat aard en omvang van de schending van het beroepsgeheim kan worden beoordeeld.

Mr. G.N. Weski heeft deze verzoeken in dezelfde bewoordingen (onder A van zijn pleitnota) gedaan namens verdachte [verdachte 7] en mr. Splinter heeft zich namens verdachte [verdachte 8] aangesloten bij de verzoeken van mrs. I.N. Weski en G.N. Weski, daarbij verwijzend naar haar brief van 23 oktober 2020 aan het Openbaar Ministerie. In die brief worden dezelfde 16 vragen opgesomd, met het verzoek deze te beantwoorden.

Aan de verzoeken wordt – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat er aanwijzingen zijn voor ernstige verzuimen in het kader van het waarborgen van het beroepsgeheim, die nader onderzoek rechtvaardigen in het kader van daaromtrent te voeren verweren. Aanwijzingen die in de pleitnota worden genoemd zijn onder andere: het slechts toepassen van 18 zoektermen om geheimhouders-data te filteren, het ten onrechte niet aanmerken van doorgestuurde berichten van geheimhouders als mededelingen aan of door een verschoningsgerechtigde en het gebruiken van mededelingen aan of door geheimhouders voor de sturing van de opsporing (pag. 1334 zaaksdossier Ster).

Reactie van het Openbaar Ministerie

Bij repliek heeft het Openbaar Ministerie (opnieuw) verwezen naar de eerder gegeven toelichtingen van 27 februari 2020 en 6 maart 2020, waarin het heeft uitgelegd hoe bij de Ennetcom-data en de PGP-safe-data is omgesprongen met de berichten van geheimhouders. Het Openbaar Ministerie heeft benadrukt dat het Openbaar Ministerie in Marengo niet de beschikking heeft over het beslag dat geschoond moet worden. Dat betreft de onderzoeken De Vink en Sassenheim. Berichten waarvan bekend is dat deze rechtstreeks afkomstig zijn van geheimhouders zijn er in De Vink en Sassenheim uitgefilterd. Op basis van de geschoonde set is de dataset gegenereerd, zodat de dataset geen geheimhoudersdata bevat. Wat de zogenoemde doorstuurberichten van geheimhouders betreft is uitgelegd dat in het licht van de beslissing van de rechtbank in de zaak Tandem II de berichten waarvan wordt vermoed dat het om doorstuurberichten van geheimhouders gaat voorlopig uit de inzageset zijn gehaald.

Het gaat hier om 77 berichten die van inzage zijn uitgesloten omdat het (vooralsnog) om geheimhoudersberichten gaat. In die toelichting heeft het Openbaar Ministerie nog opgemerkt dat twee van die doorstuurberichten wel zijn opgenomen in het dossier en dat dit in mei 2019 aan het kantoor van mr. I.N. Weski is geantwoord. Voor zover de vragen die de verdediging heeft gesteld relevant zijn voor Marengo, zal het Openbaar Ministerie de vragen van de verdediging gaan beantwoorden, aldus het Openbaar Ministerie.

Beslissingen van de rechtbank

De rechtbank gaat er op basis van deze toelichting en toezegging van uit dat aan het verzoek van de verdediging op dit punt voldoende wordt tegemoetgekomen. De rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie in haar beantwoording (ook) in te gaan op de vragen hoe de 77 doorstuurberichten zijn onderkend als mogelijke geheimhoudersberichten, of het zaaks- Openbaar Ministerie Marengo kennis draagt van de inhoud van deze 77 berichten en welke twee doorstuurberichten (toch) in het dossier terecht zijn gekomen. De rechtbank stelt zich voor dat het gaat om de door de verdediging aangehaalde berichten op pagina’s 1334 en 1338 van het zaaksdossier Ster, maar verneemt graag van het Openbaar Ministerie of dit inderdaad de bedoelde twee berichten betreft.

De rechtbank acht het niet nodig een termijn te stellen en gaat ervan uit dat het Openbaar Ministerie voortvarend te werk gaat bij de beantwoording van de vragen.

Het verzoek tot inzage in alle niet-vernietigde geheimhoudersberichten om zo aard en omvang van de schending van het beroepsgeheim te kunnen beoordelen, wordt afgewezen, reeds omdat anderen dan de verschoningsgerechtigde en de cliënt geen kennis van geheimhoudersberichten mogen nemen.

Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] en [verdachte 8]

Verzoeken met betrekking tot verstrekking onthouden berichten

Verzoeken van de verdediging

Mr. I.N. Weski heeft (onder C van haar pleitnota) namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen inzage te verlenen in de 5.000 niet meer permanent onthouden PGP-berichten ter eventuele voeging in het dossier. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om ook de 66 berichten, die nu met machtiging van de rechter- commissaris permanent worden onthouden, in te zien, met dien verstande dat daar de identificerende gegevens uit worden verwijderd. Nu uit de beslissing van de rechter- commissaris volgt dat de reden van het onthouden van het gehele bericht is dat het technisch niet mogelijk is delen uit de berichten te verwijderen, verzoekt de raadsvrouw om inzage in deze berichten door deze – zonder de identificerende gegevens – over te laten typen.

Dezelfde verzoeken en in dezelfde bewoordingen heeft mr. Splinter namens verdachte [verdachte 8] gedaan in haar e-mail aan het Openbaar Ministerie van 23 oktober 2020. Ter terechtzitting heeft mr. Splinter de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen aan haar verzoeken te voldoen.

Reactie van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft (op pagina 19 van de schriftelijke toelichting) in haar toelichting van 28 oktober 2020 uiteengezet dat 4.863 berichten uit de dataset van inzage werden onthouden maar dat deze, op 69 berichten na, inmiddels zijn vrijgegeven. Bij repliek heeft het Openbaar Ministerie geantwoord dat het Openbaar Ministerie 5 van deze 69 berichten nog tijdelijk onthoudt vanwege onderzoeksbelang en dat het 64 van deze berichten permanent wil blijven onthouden en daartoe een machtiging permanente onthouding zal vorderen bij de rechter-commissaris. In de toelichting van 28 oktober 2020 is uitgelegd dat deze machtiging zal dienen ter vervanging van de eerdere machtiging op grond waarvan berichten van inzage worden onthouden. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen het verzoek om de permanent te onthouden berichten over te laten typen, nu de machtiging permanente onthouding op het gehele bericht ziet en niet alleen op het gedeelte waarvan meteen duidelijk is dat het om identificerende gegevens gaat, zoals een adres of een naam.

Ook context kan identificerend zijn, aldus het Openbaar Ministerie.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt allereerst vast dat de verdediging inmiddels inzage wordt geboden in het merendeel van de eerder onthouden berichten. Bij beslissing van 21 juli 2020 heeft de rechter- commissaris op vordering van het Openbaar Ministerie van 2 juli 2020 ten aanzien van 66 PGP-berichten machtiging verleend voor het achterwege laten van voeging van die berichten bij de processtukken. Daarbij heeft de rechter-commissaris overwogen, samengevat, dat door openbaarmaking van de identificerende gegevens in die berichten een ernstige inbreuk op de

persoonlijke levenssfeer van de in die gegevens bedoelde personen plaatsvindt. De rechter- commissaris heeft verder overwogen dat zij uit de uitleg van de officier van justitie in de vordering heeft begrepen dat het technisch niet mogelijk is alleen de identificerende gegevens te verwijderen, zonder daarbij de forensische integriteit van het bericht te compromitteren en dat daarom voeging van het gehele bericht achterwege mag worden gelaten.

Beslissingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de machtiging permanente onthouding ziet op het gehele bericht en niet slechts op de identificerende gegevens, zodat het verzoek van de verdediging reeds hierom moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt daarbij nog wel het volgende.

De rechtbank kan het Openbaar Ministerie volgen waar het stelt dat ook de context van een bericht identificerend kan zijn. Dit is echter niet met zoveel woorden (mede) ten grondslag gelegd aan de vordering tot permanente onthouding en (mogelijk daarom) ook niet met zoveel woorden ten grondslag gelegd aan de beslissing van de rechter-commissaris dat het gehele bericht onthouden kan blijven. Verder is de rechtbank nog onvoldoende duidelijk of de mogelijkheid dat – zo begrijpt de rechtbank het verzoek van de verdediging – niet- identificerende gedeelten van berichten worden overgetypt en in een op te maken proces- verbaal van inzage worden opgenomen, reëel is. Denkbaar is dat daartegen een legitiem bezwaar bestaat.

Het komt de rechtbank voor dat deze punten in het kader van het nieuwe verzoek tot machtiging permanente onthouding, dat het Openbaar Ministerie heeft aangekondigd te zullen indienen, onder de aandacht worden gebracht, zodat deze door de rechter-commissaris kunnen worden beoordeeld.

Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]

Verzoeken met betrekking tot resultaten BOB-middelen en OVC auto

Mr. I.N. Weski heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om schriftelijk aan te geven of de gehanteerde BOB-middelen resultaat hebben opgeleverd, met vermelding van de vindplaats van dat resultaat. Het Openbaar Ministerie heeft zich daartegen verzet.

De rechtbank wijst het verzoek af. De BOB-dossiers zijn toegevoegd aan het procesdossier. De rechtbank gaat er verder van uit dat het Openbaar Ministerie de resultaten van de uitoefening van BOB-bevoegdheden als processtukken heeft gevoegd voor zover deze (naar het oordeel van het Openbaar Ministerie) relevant zijn. De wet verplicht het Openbaar Ministerie niet tot (aparte) opgave van die resultaten. De raadsvrouw heeft in het licht van deze omstandigheden onvoldoende onderbouwd wat het verdedigingsbelang is bij haar verzoek. Het verzoek van de raadsvrouw om opgave van de resultaten van toepassing van een Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC) in een auto die zich in Marokko bevond, wordt gelet op het voorgaande eveneens afgewezen.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verder verzocht het Openbaar Ministerie te bevelen opgave te doen van eventuele rechtshulp waarmee het afluisteren in de hierboven genoemde auto heeft plaatsgevonden. Het Openbaar Ministerie heeft in zijn reactie opgemerkt dat er een rechtshulpverzoek naar Marokko is uitgegaan, waarop nog geen antwoord is gekomen. Het rechtshulpverzoek zal bij de stukken worden gevoegd. De rechtbank ziet gelet daarop geen

aanleiding het Openbaar Ministerie een opdracht te geven zoals door de verdediging is verzocht.

Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] en [verdachte 7]

Verzoeken omtrent getuige [getuige 1]

Namens de verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] en [verdachte 7] zijn verzoeken gedaan die – kort gezegd – tot doel hebben om vast te stellen of de getuige [getuige 1] zijn verklaringen van 21 en 22 maart 2018 heeft afgelegd onder invloed van foltering. De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen zeer belastend zijn voor verschillende verdachten en dat de verdediging [getuige 1] tot op heden niet als getuige heeft kunnen ondervragen. Naar het oordeel van de rechtbank is er wel aanleiding (enig) nader onderzoek te doen naar de omstandigheden van deze verhoren, omdat de bruikbaarheid van het bewijs kan wegvallen als bij de verkrijging daarvan sprake was van foltering of van onmenselijke of vernederende

behandeling, vgl. EHRM 5 november 2020, 31454/10 (Ćwik tegen Polen).

Beslissingen van de rechtbank

De rechtbank wijst het verzoek om de verbalisanten die aanwezig waren bij deze verhoren van getuige [getuige 1] te doen horen bij de rechter-commissaris toe. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat met het horen van de verbalisanten mogelijk compensatie voor het niet kunnen horen van getuige [getuige 1] kan worden geboden. Het verzoek om de Marokkaanse politiemensen en de tolk die betrokken waren bij de verhoren als getuigen te doen horen, wordt afgewezen. Daarbij speelt een rol dat de officier van justitie heeft opgemerkt dat de Marokkaanse autoriteiten al langere tijd geen antwoord meer geven op rechtshulpverzoeken inzake Marengo.

Het verzoek om informatie of de tolk is ingeschreven in het tolkenregister en of de tolk door de AIVD is gescreend wordt eveneens afgewezen, bij gebrek aan aanwijzingen dat de tolk zijn/haar werk niet naar behoren zou hebben gedaan.

Vragen met betrekking tot verhoor getuige [getuige 1] op 10 oktober 2018

De officier van justitie heeft aangegeven dat er nog een verhoor van getuige [getuige 1] heeft plaatsgevonden met betrekking tot de zaaksdossiers Ster en Kreta op 10 oktober 2018. Daarvan hebben de Marokkaanse autoriteiten (nog) geen stukken verstrekt. Dat maakt dat dit verhoor (op dit moment) in juridisch opzicht niet bruikbaar is, aldus de officier van justitie. De rechtbank ziet wel aanleiding de officier van justitie te verzoeken zich op de volgende pro formazitting uit te laten over de volgende vragen:

  • -

    Is het mogelijk om het rechtshulpverzoek dat ten grondslag ligt aan laatstgenoemd verhoor te verstrekken?

  • -

    Kan het Openbaar Ministerie in een proces-verbaal enige (nadere) informatie verstrekken over hetgeen zich op of rond dat verhoor heeft afgespeeld?

Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 5] en [verdachte 6]

Verzoeken met betrekking tot de artikel 565 Sv BOB-dossiers

De verdediging van verdachten [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verzocht om verstrekking van alle correspondentie met Suriname ten aanzien van de zoektocht naar en de aanhouding van beide verdachten in Suriname. De rechtbank overweegt daarover als volgt. In haar

beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank beslist dat de verdediging van de verdachten [verdachte 5] en [verdachte 6] , als sprake is van een artikel 565 Sv BOB-dossier, daarin desgewenst inzage dient te krijgen. Het Openbaar Ministerie heeft in haar toelichting van 28 oktober 2020 opgemerkt dat ten aanzien van deze twee verdachten geen sprake is geweest van een zoektocht en dat alle BOB-stukken die in hun zaken zijn opgemaakt, reeds in het dossier zijn gevoegd. De verdediging betwist deze stelling van het Openbaar Ministerie, maar de rechtbank ziet geen concrete aanwijzingen dat die informatie onjuist is. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven de rechtshulpverzoeken in Marengo bij het einddossier te verstrekken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat, voor zover er rechtshulpverzoeken zijn gedaan aan Suriname met betrekking tot verdachten [verdachte 5] en/of [verdachte 6] , die zich in het einddossier zullen bevinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om het Openbaar Ministerie te bevelen correspondentie met Suriname te verstrekken. Het verzoek daartoe is onvoldoende onderbouwd en wordt daarom afgewezen.

Beslissing in de zaak van verdachte [verdachte 9]

Verzoek van de verdediging

De raadsman van verdachte [verdachte 9] heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een proces-verbaal op te maken houdende een verslag betreffende verrichte opsporingshandelingen in de strafzaak Marengo, overeenkomstig artikel 3, lid 1, van het Besluit processtukken in strafzaken (hierna: het besluit).

Overwegingen en beslissing van de rechtbank

De raadsman merkt terecht op dat een dergelijk proces-verbaal ontbreekt in het Marengo- dossier. Doel van een dergelijk proces-verbaal is om de verdediging in een vroeg stadium van het proces – het besluit heeft het over ‘uiterlijk op het tijdstip waarop de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend’ – te informeren over de opsporingsactiviteiten die zijn verricht. In een dergelijk proces-verbaal dienen de opsporingshandelingen te worden opgenomen die redelijkerwijs van betekenis zouden kunnen zijn voor (de beoordeling van het verloop van) het onderzoek. Dit criterium is daarmee niet heel wezenlijk anders dan het relevantiecriterium, op basis waarvan de officier van justitie uiteindelijk het procesdossier samenstelt. Inmiddels zijn in de strafzaak Marengo alle zaaksdossiers verstrekt en deze worden voor iedere pro formazitting aangevuld met een proces-verbaal waarin de onderzoekshandelingen die sinds de voorgaande pro formazitting zijn verricht zijn opgenomen. Daarnaast is het BOB-dossier verstrekt en heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat eind december 2020 het einddossier zal worden verstrekt. Dit maakt dat er geen belang meer is bij het door de raadsman verzochte proces-verbaal. Dit leidt tot afwijzing van het verzoek.

Nadere overweging van de rechtbank

De rechtbank merkt op dat handelingen die worden verricht ter opsporing van een voortvluchtige verdachte die niet tot de aanhouding van die verdachte leiden, niet zonder meer aan dat relevantiecriterium voldoen. Niet in de zaak van die voortvluchtige verdachte, en evenmin in zaken van medeverdachten. In de verstrekte BOB-dossiers van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 2] bevinden zich ook BOB-middelen die slechts gericht zijn op hun aanhouding. De rechtbank maakt daaruit op dat deze stukken volgens het Openbaar Ministerie kennelijk aan het relevantiecriterium voldoen. De vraag of het richten van opsporingsmiddelen op advocaten, zoals de Dubai-observatie, niet evenzeer aan genoemd criterium voldoet (en zo ja wanneer en in welke zaken) zal naar verwachting nog onderwerp zijn van juridisch debat in de zaak Marengo.

Beslissingen in de zaak van verdachte [verdachte 4]

Verzoeken met betrekking tot getuigen [getuige 2] en [getuige 3]

Verzoeken van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte [verdachte 4] heeft een herhaald verzoek gedaan tot het horen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Aan dit verzoek heeft zij (aanvullend) ten grondslag gelegd dat deze getuigen ook bevraagd dienen te worden over hun verklaring dat de politie van Dubai hen informatie over – kort gezegd – de Iran-connectie van verdachte [verdachte 4] heeft voorgehouden. Met het horen van de getuigen op dit punt kunnen de stellingen van de verdediging, dat Nederland onjuiste informatie over deze Iran-connectie aan Dubai heeft verstrekt en dat dit van invloed is geweest op de wijze waarop verdachte [verdachte 4] door Dubai is bejegend, worden onderbouwd, aldus de raadsvrouw.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verzoek moet worden afgewezen.

Beslissingen van de rechtbank

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de verzochte getuigen af. Als deze getuigen tijdens hun verhoren in Dubai informatie met betrekking tot verdachte [verdachte 4] en Iran zou zijn voorgehouden, dan vormt dit nog geen onderbouwing van de stelling dat deze informatie door Nederland is verstrekt. Om die reden acht de rechtbank het belang van de verdediging bij het horen van deze getuigen voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv onvoldoende onderbouwd.

Uitbreiding eerdere beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft in de beslissing van 29 september 2020 in het kader van de Dubai- observatie beslist dat proces-verbaal dient te worden opgemaakt met betrekking tot de vraag welke informatie (tot dat moment) met Dubai was gedeeld. In de onderbouwing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de twee getuigen ziet de rechtbank aanleiding om deze opdracht (in de zaak van verdachte [verdachte 4] ) in die zin uit te breiden, dat proces- verbaal dient te worden opgemaakt met betrekking tot de vraag welke informatie over verdachte [verdachte 4] door de Nederlandse autoriteiten met (de autoriteiten van) Dubai is gedeeld tot het moment van zijn aanhouding en overdracht in december 2019.

Verhoor verdachte [verdachte 4] in zijn eigen zaak

Naar aanleiding van de behandeling van een aantal verzoeken van de verdediging van verdachte [verdachte 4] achter gesloten deuren heeft de rechtbank beslist dat [verdachte 4] als verdachte bij de rechter-commissaris zou worden gehoord over een aantal specifieke onderwerpen rondom zijn aanhouding en hechtenis in Dubai. Nadat de rechter-commissaris bij brief van 2 oktober 2020 heeft laten weten dat zij haar werk in de zaak Marengo niet langer voortzet, heeft de rechtbank in overweging gegeven dit verdachtenverhoor bij de rechtbank achter gesloten deuren te houden. Dit om onnodige vertraging te voorkomen. Ter terechtzitting is expliciet besproken dat de inhoud van het proces-verbaal van een verhoor van verdachte [verdachte 4] met instemming van partijen in dat geval zou gelden als ware het een verhoor bij de rechter- commissaris. Het Openbaar Ministerie heeft daarop als primair standpunt ingenomen dat het verhoor van verdachte [verdachte 4] een wettelijke status dient te hebben en zich om die reden hiertegen verzet. De rechtbank is van oordeel dat een door haarzelf voorgestelde praktische

maar buitenwettelijke oplossing voor de ontstane situatie niet kan worden uitgevoerd als betrokken partijen daar niet volmondig en volledig mee instemmen. Dit betekent dat dit verhoor van [verdachte 4] als verdachte plaats kan hebben bij de politie, bij de rechter-commissaris, of bij de rechtbank op een openbare zitting. Een verhoor bij de politie zal naar men mag aannemen binnen redelijke termijn kunnen plaatsvinden, terwijl het verhoor bij de rechter- commissaris langer op zich zal laten wachten. De rechtbank zal desgewenst op de kortst mogelijke termijn dit verhoor ter openbare zitting laten plaatsvinden. De raadsvrouw wordt verzocht zo spoedig mogelijk kenbaar te maken welke keuze de verdediging in deze maakt.

Beslissingen in de zaak van verdachte [verdachte 1]

Verzoek met betrekking tot OVC uit onderzoek Amazone

De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft, zo begrijpt de rechtbank, verzocht om de OVC die wordt genoemd in de brief van de zaaksofficier van justitie in het onderzoek Amazone van 25 februari 2020, te kunnen uitluisteren. In deze brief is vermeld dat het een OVC in het ziekenhuis betreft en dat verdachte [verdachte 1] tegen zijn broer [verdachte 10] zou zeggen dat het niet voor hen bedoeld was. Dit zou blijken op verschillende momenten uit de betreffende OVC. Het Openbaar Ministerie heeft in reactie op dat verzoek verwezen naar het zaaks-Openbaar Ministerie in het onderzoek Amazone. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het verzoek deze OVC uit te luisteren is in het onderzoek Marengo gedaan, in het licht van een in Marengo te voeren verweer. Het ligt daarom in de rede dat het zaaks-Openbaar Ministerie in Marengo gehoor geeft aan het verzoek en daartoe contact opneemt met de zaaksofficier van justitie in het onderzoek Amazone. De rechtbank bepaalt dat het verzoek van de verdediging door het zaaks-Openbaar Ministerie in Marengo wordt voorgelegd aan het zaaks-Openbaar Ministerie in Amazone.

Verzoek met betrekking tot een telefoon van de kroongetuige

De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie te bevelen de processtukken uit de lopende raadkamerprocedure over de inbeslaggenomen iPhone van de kroongetuige toe te voegen aan het Marengo-dossier. De rechtbank wijst dat verzoek af, omdat het een besloten procedure betreft die nog loopt, en waarvan de stukken niet vrijelijk gedeeld kunnen worden. Daarnaast heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd welk belang zij heeft bij die stukken. De door de verdediging gestelde omstandigheid dat de kroongetuige op grond van de overeenkomst met het Openbaar Ministerie verplicht is om mee te werken aan de waarheidsvinding levert geen grond op voor verstrekking van deze processtukken.

Verhoor van verdachte [verdachte 1]

Op 14 augustus 2020 heeft de rechtbank het verzoek tot het horen van verdachte [verdachte 1] bij de rechter-commissaris toegewezen. De belangrijkste reden dat de verdediging tijdens de vorige pro formazitting had verzocht om een verdachtenverhoor bij de rechter-commissaris, was om het (toen aanstaande) getuigenverhoor van verdachte [verdachte 1] in de zaken van de medeverdachten, ook deel uit te laten maken van zijn eigen strafdossier. Nadien heeft de rechter-commissaris laten weten dat zij haar werkzaamheden in de zaak Marengo niet langer voortzet. De verdediging geeft aan dat het horen van verdachte [verdachte 1] zo snel mogelijk plaats zou moeten hebben. Het verhoor door de recherche op 22 oktober 2019 is vanwege tijdgebrek vroegtijdig beëindigd, terwijl verdachte meer wil verklaren, maar daartoe nadien

geen gelegenheid heeft gekregen bij de recherche. De verdediging verzoekt de rechtbank thans om dit verhoor zelf op de terechtzitting ter hand te nemen.

De rechtbank zal dat vooralsnog niet doen, maar bepalen dat verdachte eerst dient te worden gehoord door de recherche, in het bijzijn van zijn advocaat. De verdediging geeft immers aan haast te hebben en een dergelijk verhoor kan relatief snel georganiseerd worden.

Verzoek met betrekking tot de tenlasteleggingen van verdachte [verdachte 3]

Het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 1] , om het Openbaar Ministerie op te dragen de tenlasteleggingen in de zaken van verdachte [verdachte 3] te verstrekken binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, wordt afgewezen. Het Openbaar Ministerie heeft toegezegd de tenlasteleggingen bij einddossier in alle zaken te zullen verstrekken. Nu het Openbaar Ministerie ook heeft aangegeven dat het ervan uitgaat dat het einddossier begin december 2020 kan worden verspreid, gaat de rechtbank ervan uit dat de tenlasteleggingen dan worden verspreid. Voor het stellen van een termijn bestaat daarom onvoldoende aanleiding.

Beslissing in de zaak van verdachte [verdachte 7]

Verzoek met betrekking tot stukken uit het onderzoek Zeilboot

De raadsman van verdachte [verdachte 7] heeft het Openbaar Ministerie gevraagd om (eventuele) nadere stukken uit het onderzoek Zeilboot te voegen in het dossier dan wel aan de verdediging ter inzage te geven. Het Openbaar Ministerie heeft in haar reactie aangegeven niet over deze stukken te beschikken. Daarmee is de vraag van de raadsman beantwoord en is er op dit punt geen beslissing van de rechtbank nodig.

In de zaken van alle verdachten

Overige verzoeken en vragen

Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van de volgende pro formazitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.