Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5577

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
13/728070-19 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 39-jarige man is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf omdat hij een vrouw van september 2014 tot en met maart 2019 in Amsterdam uitbuitte door haar met geweld en misleiding in de prostitutie te laten werken. Ook moet hij 161.900 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0878
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728070-19 (Promis)

Datum uitspraak: 16 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [naam] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op

26 mei 2020, 13 augustus 2020 en 2 november 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsman mr. F.P. Slewe naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

mensenhandel door middel van uitbuiting in de prostitutie van [slachtoffer] in de periode van 1 september 2014 tot en met 6 maart 2019 in Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de jarenlange seksuele uitbuiting van [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ).

Voor de bewezenverklaring van de uitbuiting heeft de officier van justitie verwezen naar de verklaringen van [slachtoffer] , de bevindingen van de prostitutiecontrole bij [slachtoffer] op 25 september 2014, de kamerverhuurgegevens waaruit blijkt dat [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode als prostituee heeft gewerkt, chat- en WhatsAppgesprekken, de getuigenverklaring van [getuige 1] , de overboekingen van geld naar Roemenië en Albanië, de bevindingen van de verbalisanten die op 6 maart 2019 na een 112-melding bij [slachtoffer] thuis komen en een zwelling zien aan de rechterzijde van haar gezicht en rode plekken op haar rechterarm en de eigen verklaring van verdachte over zijn liefdesrelatie met zijn echtgenote [naam echtgenote] .

Uit de chatgesprekken op de telefoon van [slachtoffer] blijkt dat [slachtoffer] verdachte regelmatig geld geeft. Uit de WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en [slachtoffer] blijkt ook dat verdachte [slachtoffer] regelmatig om geld vraagt omdat hij geld nodig heeft voor zijn zieke moeder, dat hij zelf ook geld van [slachtoffer] pakt en dat het kennelijk nooit genoeg is.

Tevens volgt uit het dossier dat er sprake is geweest van geldoverboekingen van [slachtoffer] naar verdachte en dat verdachte ook zelf geld heeft overgeboekt naar Albanië en Roemenië. Hoewel het niet om enorm hoge bedragen gaat, kan niet worden vastgesteld dat verdachte een eigen legale bron van inkomsten had in Nederland. Hieruit kan geconcludeerd worden dat dit het geld van [slachtoffer] is geweest en dat verdachte financieel voordeel uit de verdiensten in de prostitutie van [slachtoffer] heeft gehad. Daarnaast blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 1] dat [slachtoffer] en verdachte in september 2014 anderhalve maand bij haar hebben gewoond en dat verdachte niet werkte.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is geweest van de dwangmiddelen misleiding, misbruik van een kwetsbare positie en geweld en bedreiging met een feitelijkheid die verdachte heeft ingezet om [slachtoffer] in de prostitutie te laten werken en haar geld af te laten staan dan wel geld af te nemen. Verdachte heeft [slachtoffer] meegenomen naar Nederland om haar hier in de prostitutie te laten werken, hij heeft huisvesting geregeld en ervoor gezorgd dat [getuige 1] haar introduceerde op de Wallen met als doel financieel te profiteren van de verdiensten van [slachtoffer] .

Gedurende de ten laste gelegde periode heeft verdachte altijd een serieuze relatie met [naam echtgenote] gehad. Met haar is verdachte getrouwd en heeft hij twee kinderen gekregen terwijl [slachtoffer] werkzaam was in de prostitutie. In zijn eigen verklaringen die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd heeft hij bevestigd dat hij bij zijn vrouw en kinderen woonachtig is. Hij misleidde [slachtoffer] door haar voor te spiegelen dat zij samen een toekomst hadden. Een bevestiging hiervan kan worden gevonden in de gang van zaken tussen verdachte en [slachtoffer] rond het getuigenverhoor van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitbuiting van [slachtoffer] en dat hij daarom moet worden vrijgesproken. [slachtoffer] en hij hebben een relatie met elkaar gehad. Verdachte is met [naam echtgenote] getrouwd, maar dat was een verstandshuwelijk. [slachtoffer] heeft zelf besloten in de prostitutie te gaan werken, omdat zij geld wilde verdienen. Zij heeft verdachte gevraagd behulpzaam te zijn en haar de weg te wijzen. Hij heeft geen geld van haar afgenomen.

Volgens de raadsman zijn de verklaringen van [slachtoffer] niet betrouwbaar. De WhatsApp-gesprekken in het dossier kunnen geen ondersteuning bieden aan de verklaringen van [slachtoffer] . De gesprekken die zich in het dossier bevinden maken onderdeel uit van een te kleine selectie van vele berichten tussen hen. De geselecteerde gesprekken zijn gevoerd in een periode dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] was verbroken en [slachtoffer] handelde uit emotie en wrok omdat zij zich bedrogen voelde door verdachte. Uit deze gesprekken blijkt niet dat verdachte enig overwicht had op [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft bijvoorbeeld de relatie tot twee keer toe beëindigd. De liefdevolle en harmonieuze gesprekken tussen hen beiden zijn vanwege de door de politie gemaakte selectie niet aan het dossier toegevoegd. Daardoor is een niet-representatief beeld ontstaan. Bovendien is een deel van de gesprekken niet juist vertaald.

Uit het dossier valt niet af te leiden dat verdachte geld van [slachtoffer] heeft afgenomen zonder haar instemming. De bedragen die verdachte kreeg waren altijd kleine bedragen. Verdachte heeft geen geweld tegen [slachtoffer] gebruikt. Daar was hij ook niet toe in staat is vanwege zijn geamputeerde been, terwijl [slachtoffer] in haar eigen land bokskampioen is geweest.

Uit de financiële gegevens van [slachtoffer] die zich in het dossier bevinden blijkt niet dat zij de inkomsten heeft genoten zoals door haar verklaard. Zij heeft hele andere bedragen opgegeven bij de Belastingdienst. Uit de overzichten raamverhuur volgt dat de verklaringen van [slachtoffer] niet kunnen kloppen.

Ook uit de gesprekken die zij heeft gevoerd met de kamerverhuurders volgt dat zij niet door iemand werd gedwongen om in de prostitutie te gaan werken. Bovendien heeft getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij niet de indruk had dat [slachtoffer] gedwongen werkte en dat zij het deed voor een betere toekomst voor haar kind.

3.2.1

De dwangmiddelen

De raadsman heeft een gedeeltelijke nietigheid van de tenlastelegging dan wel niet-ontvankelijkheid bepleit nu het bestanddeel dwang twee keer ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het gebruikte geweld door verdachte heeft [slachtoffer] haar bij de politie afgelegde verklaringen afgezwakt bij de rechter-commissaris. Daardoor kan niet met zekerheid vastgesteld worden dat sprake is geweest van mishandeling in de zin van art. 300 Sr.

Ten aanzien van de misleiding dient verdachte volgens de raadsman te worden vrijgesproken. De verleiding van [slachtoffer] door verdachte heeft niet in Amsterdam dan wel Nederland plaatsgevonden, zoals ten laste is gelegd. De vermeende verleiding zou volgens de verklaringen van [slachtoffer] vóór september 2014 in Griekenland hebben plaatsgevonden en in de periode november 2014 tot medio mei 2015 in Roemenië, waar [slachtoffer] toen verbleef.

Uit de WhatsApp-berichten van december 2017, januari 2018, december 2018 en januari 2019 blijkt geenszins van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht van cliënt over [slachtoffer] . Uit de berichten volgt dat [slachtoffer] van zich laat horen en zelf de relatie met verdachte op 18 januari 2019 verbreekt. Tevens blijkt daaruit dat [slachtoffer] zelfredzaam was, dat zij kon beschikken over haar geld, dat ze een eigen bankrekening en een boekhoudster had, en dat ze kon gaan en staan waar ze wilde. Uit de overzichten van de raamverhuurders blijkt verder dat [slachtoffer] over een groot aantal maanden niet zes dagen per week heeft gewerkt. Zij was in staat vakantie- en rustdagen in te lassen en om op vakantie te gaan.

Ten aanzien van misbruik van de vermeende kwetsbare positie van [slachtoffer] , gelet op haar jonge leeftijd en haar financiële positie, is kennelijk sprake van een zeer korte periode, te weten september 2014 tot en met november 2014. [slachtoffer] was 21 jaar oud toen zij in de prostitutie ging werken. Zij had daarmee juist de leeftijd bereikt waarmee zij conform de APV in staat moest worden geacht voldoende weerbaar en zelfstandig te zijn om dit werk te verrichten. Bovendien is niet gebleken dat zij toen schulden had of dat zij in een kwetsbare financiële positie verkeerde. Toen zij in mei 2015 terug ging naar Amsterdam om weer in de prostitutie te gaan werken wist zij waar ze aan begon.

3.2.2.

De handelingen

De ten laste gelegde gedragingen (onder sub 1, 3 en 4) zien op de periode voorafgaand aan 1 september 2014 en de periode november/december 2014 tot eind mei 2015. Volgens de tenlastelegging zouden deze gedragingen zich hebben afgespeeld in Amsterdam, in elk geval Nederland. Volgens de verdediging blijkt dit echter niet uit het dossier. Het gaat om de bestanddelen “heeft geworven”, “heeft vervoerd”, “heeft overgebracht” (telkens onder sub 1) “aangeworven en/of medegenomen” om zich “ in Nederland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen” (telkens onder sub 3) en/of “heeft gedwongen of bewogen” (telkens onder sub 4) Dit zou volgens [slachtoffer] buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van “enige handeling” onder sub 3, heeft [getuige 1] verklaard dat zij [slachtoffer] heeft geholpen en dat [slachtoffer] haar daarom gevraagd had. [slachtoffer] heeft soortgelijk verklaard. Dat verdachte daar enige bemoeienis bij heeft gehad blijkt niet uit die verklaringen. Op grond daarvan dient verdachte ook vrijgesproken te worden voor alle gedragingen en/of handelingen die onder sub 1, 3 en 4 ten laste zijn gelegd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Uitgangspunten bewijswaardering

Bij de beoordeling of sprake is van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f lid 1 Sr wordt gekeken naar drie bestanddelen, te weten een aantal dwangmiddelen, een aantal handelingen en het oogmerk van uitbuiting. Voor een bewezenverklaring is niet nodig dat ten aanzien van ieder subonderdeel al deze bestanddelen worden vastgesteld.

Ten aanzien van het bewijs van de feitelijke gedragingen geldt het volgende. Het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv geldt voor de tenlastelegging als geheel en niet voor elk onderdeel ervan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BQ6144). Toepassing van voormeld criterium betekent in de onderhavige zaak dat in sommige gevallen op grond van de verklaring van één getuige een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging kan worden bewezen, indien die verklaring niet op zichzelf staat.

Ook is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f Sr gekeken naar de onderlinge samenhang van de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen.

3.3.2

Beschouwing ten aanzien van de mensenhandel

De rechtbank stelt op basis van het dossier over het verloop van de uitbuiting van [slachtoffer] het volgende vast.

In april 2014 hebben verdachte en de jonge, alleenstaande moeder [slachtoffer] elkaar leren kennen in Botosani in Roemenië. [slachtoffer] , die daar in een bar werkte, had weinig financiële middelen en bevond zich in een voogdijstrijd over haar zoontje met haar ex-partner. Verdachte zegde toe haar te zullen helpen met haar problemen, begon [slachtoffer] het hof te maken en er ontstond een relatie tussen hen. Deze relatie tussen verdachte en [slachtoffer] ontwikkelde zich in de maanden daarna en [slachtoffer] ging naar Griekenland waar verdachte en (een deel) van zijn familie woonde.

In die tijd was verdachte ook regelmatig in Roemenië waar hij met [naam echtgenote] , zijn (latere) echtgenote, een huis bouwde. Verdachte heeft dit huis aan [slachtoffer] laten zien; zij was hiervan onder de indruk en wilde weten hoe het kon dat [naam echtgenote] dit huis kon betalen. Verdachte heeft [slachtoffer] verteld dat [naam echtgenote] dit huis kon betalen omdat zij als prostituee heeft gewerkt. Verdachte heeft [slachtoffer] verteld dat zij bij de Wallen gewoon een wandeling kan maken om te kijken hoe de vrouwen daar zijn. Verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens begin september 2014 vanuit Griekenland meegenomen naar Nederland.

In Amsterdam heeft verdachte [slachtoffer] de Wallen laten zien. Zij verbleven tijdens hun verblijf bij [getuige 1] en haar vriend, die een goede vriend van verdachte is. [getuige 1] , die als prostituee werkzaam was in Amsterdam was degene die [slachtoffer] hielp bij het regelen van papieren zodat ook zij in Amsterdam in de prostitutie kon werken. Eind september 2014, vrijwel direct na haar 21e verjaardag, begon [slachtoffer] met haar prostitutiewerkzaamheden. Vanaf dat moment neemt verdachte dagelijks een deel van het geld dat zij daarmee verdient van haar af.

Vanaf het moment dat verdachte [slachtoffer] leerde kennen tot en met nu heeft verdachte op de achtergrond zijn relatie met [naam echtgenote] steeds voortgezet. [slachtoffer] , die op de hoogte was van het bestaan van [naam echtgenote] , wist niet hoe serieus deze relatie was omdat verdachte haar steevast liet geloven dat hij samen met [slachtoffer] een toekomst wilde opbouwen en wellicht een gezin zouden stichten. Nadat in mei 2017 het eerste kind van [naam echtgenote] en verdachte wordt geboren, trouwden zij en verdachte met elkaar. In juli 2019 wordt hun tweede kind geboren.

De raadsman van verdachte heeft de verklaringen van [slachtoffer] in twijfel getrokken en de betrouwbaarheid ervan betwist.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar te achten, nu zij steeds in grote lijnen consistent heeft verklaard. Haar verklaringen worden bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier, waaronder in het bijzonder de inhoud van de WhatsApp-gesprekken. Dat [slachtoffer] op 29 juni 2020 bij de rechter-commissaris haar verklaring ten gunste van verdachte wilde veranderen maakt niet dat de rechtbank haar eerdere verklaringen onbetrouwbaar vindt. Gebleken is dat verdachte vanuit de gevangenis van 27 maart 2020 tot 28 juni 2020 (de dag voor haar komst naar Nederland om als getuige in deze zaak te worden gehoord) 1950 keer contact heeft gehad met het telefoonnummer van [slachtoffer] en met haar liefdevolle gesprekjes had. De rechtbank gaat ervan uit dat hij haar in die periode wederom heeft ingepalmd en gemanipuleerd. Toen de officier van justitie [slachtoffer] tijdens het verhoor op 29 juni 2020 confronteerde met de informatie dat verdachte op 11 februari 2020 heeft verklaard dat hij zijn leven verder met [naam echtgenote] wil delen, raakte [slachtoffer] geëmotioneerd en nuanceerde zij haar verklaring, in die zin dat zij – een aantal uitzonderingen daargelaten - alsnog de juistheid van het grootste deel van haar eerdere verklaringen bij de politie bevestigde.

3.3.3

De dwangmiddelen (artikel 273f lid 1 sub 1, 4, 6 , 9)

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte door geweld en een andere feitelijkheid en door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie [slachtoffer] heeft bewogen in de prostitutie te gaan werken om daaruit financieel voordeel te behalen.

De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘dwang’ zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken en laat het verweer van de raadsman ten aanzien van een gedeeltelijke nietigverklaring van dit bestanddeel daarom verder onbesproken.

Ten aanzien van het geweld vindt de rechtbank bewezen dat er ten minste tweemaal sprake is geweest van mishandeling van [slachtoffer] door verdachte. Dit blijkt uit de aangiften van [slachtoffer] op 7 en 14 maart 2019 en de verklaring die zij heeft afgelegd bij de rechter-commissaris op 29 juni 2020. Tevens heeft de rechtbank de 112-melding van 6 maart 2019 en de bevindingen van de verbalisanten die die dag ter plekke kwamen en bij [slachtoffer] verwondingen aan de rechterkant van haar gezicht hebben zien, hierbij in acht genomen. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer] in een WhatsApp-gesprek van 16 januari 2018, dus ruim voor de aangiften van 2019, zegt dat verdachte haar heeft geslagen. Aanleiding voor het geweld was telkens een ruzie om geld.

Verdachte heeft [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode ook in woorden onder druk gezet om geld van haar te verkrijgen. Uit de genoemde aangiften en WhatsApp-gesprekken blijkt dat hij haar regelmatig om (meer) geld vraagt, voor diverse doeleinden waaronder zijn eigen (medische) situatie dan wel de (medische) situatie van zijn moeder en dat hij zich op momenten zeer dwingend en boos uit, dat hij wilde beschikken over het door [slachtoffer] verdiende geld. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte eerst dagelijks ongeveer € 100,00 à € 200,00 van haar verdiensten afpakte en later € 400,00 tot € 500,00.

[slachtoffer] kon vanaf het begin van de ten laste gelegde periode niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken. Toen zij in november 2014 twee maanden als prostituee gewerkt had, wilde zij naar huis omdat zij het werken in de prostitutie niet meer kon volhouden. Hieraan voorafgaand had [slachtoffer] ongeveer € 4.000,00 verdiend. Verdachte heeft toen € 3.700,00 van [slachtoffer] afgepakt en zij is met slechts € 300,00 (van haar eigen verdiende geld) naar Roemenië teruggekeerd.

Deze situatie heeft voortgeduurd tot het einde van de tenlastegelegde periode. De rechtbank slaat hierbij in het bijzonder acht op WhatsApp- gesprekken door deze de gehele periode heen . Zo blijkt uit onder andere een gesprek op 20 januari 2018 dat [slachtoffer] tegen verdachte zegt dat het werk voor haar zwaar is en dat hij er niet aan denkt dat zij een huis voor haar zoon Alex wil hebben en dat zij dit door verdachte niet kan realiseren.

Verdachte heeft [slachtoffer] daarbij misleid door haar gedurende de gehele ten laste gelegde periode (en ook daarna, toen hij in detentie verbleef) voor te houden dat zij een duurzame liefdesrelatie en een gezamenlijke toekomst hadden, terwijl hij in die periode getrouwd is en twee kinderen heeft gekregen met [naam echtgenote] zonder daar open over te zijn. Hij hielp [slachtoffer] in eerste instantie met de problemen over de voogdij van haar zoon, was attent voor haar en nam haar mee op reis. Verdachte spiegelde [slachtoffer] vervolgens voor hoe zij veel geld kon verdienen in Amsterdam zodat zij net als [naam echtgenote] een mooi huis voor zichzelf kon kopen. Hij heeft haar naar Amsterdam gebracht, en is samen met haar gaan inwonen bij vrienden ( [getuige 1] en haar vriend). Hij is [slachtoffer] weer gaan opzoeken, toen zij was teruggegaan naar Roemenië, omdat zij het niet meer volhield. Vervolgens is zij weer naar Amsterdam gekomen.

De rechtbank weegt ten aanzien het misbruik maken van een kwetsbare positie mee dat [slachtoffer] in 2014 – zoals hiervoor vermeld – problemen had met de voogdij over haar zoon en sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] . [slachtoffer] was 20 jaar oud toen zij verdachte leerde kennen en verdachte 33 jaar. Uit deze omstandigheden blijkt dat [slachtoffer] in een kwetsbare positie verkeerde en dat verdachte overwicht had op haar.

Dat verdachte [slachtoffer] heeft bewogen in de prostitutie te gaan werken om daaruit financieel voordeel te behalen blijkt uit het volgende. Verdachte heeft [slachtoffer] begin september 2014 vanuit Griekenland mee naar Nederland genomen waar zij niemand kende en de taal niet sprak. Hij heeft haar de Wallen laten zien en haar voorgesteld aan [getuige 1] , die haar vervolgens heeft geholpen met het verkrijgen van de juiste papieren om in de prostitutie te kunnen gaan werken. Verdachte was bekend met de prostitutie in Amsterdam want zowel [getuige 1] (de vrouw van een vriend van verdachte) als verdachtes eigen vrouw [naam echtgenote] werkten daar als prostituee. Verdachte nam een (groot) deel van de verdiensten van [slachtoffer] af om zo zichzelf en zijn familie te bevoordelen. Hij vertelde [slachtoffer] dat hij onder andere geld nodig voor zijn moeder, die ziek was. Dit blijkt uit de WhatsApp-gesprekken, de verklaringen die [slachtoffer] daarover heeft afgelegd en ook de eigen verklaringen van verdachte die hij ter zitting heeft afgelegd. Daarnaast is er sprake geweest van geldoverboekingen door zowel [slachtoffer] als verdachte naar Roemenië en Albanië. Verdachte heeft, ondanks zijn verklaring dat hij af en toe zwart werkte, niet de herkomst van die geldbedragen kunnen aantonen. Er is in ieder geval niet gebleken dat verdachte in die periode legale bronnen van inkomsten heeft gehad terwijl hij wel veelvuldig in Nederland het casino bezocht en vaak heen en weer reisde tussen Albanië, Griekenland en Roemenië. Ook de arbeidsongeschiktheidsuitkering die verdachte in Griekenland ontvangt, volgens verdachte, van ongeveer € 6000,00 per jaar, kan deze uitgaven niet verklaren. Ook daaruit maakt de rechtbank op dat verdachte zich het door [slachtoffer] verdiende geld toegeëigende.

De rechtbank vindt dat er gelet op het bovenstaande, voldoende redengevend bewijs voorhanden is en heeft ook de overtuiging, dat er gedurende de gehele ten laste gelegde periode sprake is geweest van de uitbuiting van [slachtoffer] . Hoewel de WhatsApp-gesprekken in het dossier een selectie zijn van veel meer van die gesprekken, vindt de rechtbank deze - gelet op de veelheid en inhoud daarvan - voldoende maatgevend voor de verhouding tussen [slachtoffer] en verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de WhatsApp-gesprekken, volgens verdachte, voor een deel niet juist zijn vertaald en dat de liefdevolle gesprekken tussen hem en [slachtoffer] niet door de politie in de selectie zijn opgenomen. Het feit dat er ook liefdevolle berichten zouden bestaan tussen verdachte en [slachtoffer] maakt niet dat de dwingende en agressieve gesprekken niet ook hebben plaatsgevonden. Bovendien passen de liefdevolle gesprekken in het beeld van hetgeen zich tussen verdachte en [slachtoffer] heeft afgespeeld en de uitbuiting van [slachtoffer] . Verdachte palmde [slachtoffer] in.

Verdachte heeft op de zitting van 13 augustus 2020 stellig ontkend dat hij de betreffende WhatsApp-gesprekken heeft gevoerd met [slachtoffer] ondanks dat [slachtoffer] verdachte bij zijn naam noemt in die gesprekken. Op de zitting van 2 november 2020 heeft verdachte erkend dat hij wel de gesprekspartner van [slachtoffer] is geweest, maar is het standpunt van de verdediging dat een deel van de gesprekken niet juist is vertaald. Verdachte heeft hier in het bijzonder gewezen op enkele gesprekken, die in vertaalde vorm bij de aangifte zijn gevoegd. Deze zal de rechtbank echter niet voor het bewijs gebruiken. Voor het overige heeft de verdediging niet concreet gewezen op andere gesprekken die niet goed zouden zijn vertaald. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

3.3.4

De handelingen

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de handelingen heeft verricht zoals opgenomen in de bewezenverklaring.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman van verdachte dat de handelingen niet in Amsterdam dan wel Nederland hebben plaatsgevonden overweegt de rechtbank dat het werven van [slachtoffer] is begonnen in Roemenië, dat verdachte haar daarna in Griekenland heeft bewogen om met hem mee te gaan naar Nederland waar zij vervolgens samen heen zijn gevlogen en waar het werven van [slachtoffer] zich heeft voortgezet. Verdachte heeft [slachtoffer] immers de Wallen laten zien, haar ondergebracht bij en voorgesteld aan [getuige 1] , die [slachtoffer] heeft geholpen om in de prostitutie te kunnen gaan werken door haar te begeleiden en behulpzaam te zijn bij instanties, waaronder de Kamer van Koophandel. Hiermee heeft verdachte [slachtoffer] ook in Amsterdam bewogen zich beschikbaar te stellen voor werkzaamheden in de prostitutie. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

3.3.5

Het oogmerk van uitbuiting

In relatie tot de seksindustrie spreken de wetgever en de Hoge Raad van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (zie HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235, De aard van het te verrichten werk is in deze uitleg van groot gewicht. Bij gedwongen tewerkstelling in de seksindustrie is per definitie sprake van uitbuiting, de lichamelijke integriteit is dan altijd in het geding.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat [slachtoffer] met toepassing van dwangmiddelen door verdachte prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Hierom alleen al kan uitbuiting worden bewezen.

Dat verdachte het oogmerk op uitbuiting had volgt, zoals eerder overwogen, uit de omstandigheid dat hij degene was die [slachtoffer] heeft meegenomen vanuit Griekenland naar Nederland. Vervolgens heeft hij voor onderdak gezorgd bij [getuige 1] die haar wegwijs heeft gemaakt op de Wallen. Verdachte kende het reilen en zeilen in de prostitutiewereld aangezien zijn vrouw [naam echtgenote] en de vrouw van zijn vriend [getuige 1] ook als prostituees werkzaam waren. Verdachte was om die reden ook op de hoogte van de verdiensten die er gemaakt kunnen worden. Dat [slachtoffer] mogelijk (deels) vrijwillig voor de prostitutie heeft gekozen betekent niet dat verdachte zich niet strafbaar heeft gemaakt aan mensenhandel, omdat die twee naast elkaar kunnen bestaan. Ook het feit dat verdachte tijdens de bewezenverklaarde periode niet altijd in Nederland was, maar in Roemenië, Albanië of Griekenland maakt dat niet anders, omdat een deel van de bewezen verklaarde dwangmiddelen ook op afstand konden en werden ingezet.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 1 september 2014 tot en met 6 maart 2019 te Amsterdam, een ander, genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,

telkens met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door geweld en een andere feitelijkheid en door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en

heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard (artikel 273f lid 1 sub 4), en

die [slachtoffer] heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9), en

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] (artikel 273f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid hebben bestaan uit:

- het meermalen mishandelen van die [slachtoffer] door die [slachtoffer] te slaan en

- het zich op boze en agressieve en overheersende wijze te uiten tegen die [slachtoffer] en

- het brengen en houden van die [slachtoffer] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken

en waarbij voornoemde (onder artikel 273f lid 1sub 4) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het laten begeleiden naar en iemand anders behulpzaam laten zijn bij instanties, waaronder in elk geval de gemeente en de kamer van koophandel, en

- het laten geven van uitleg aan die [slachtoffer] met betrekking tot de door die [slachtoffer] te verrichten prostitutiewerkzaamheden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest.

6.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitbuiting van [slachtoffer] door haar door geweld en misleiding te laten werken in de prostitutie waarvan hij en zijn familie financieel konden profiteren. Door haar een gezamenlijke toekomst en een oplossing voor haar financiële problemen en de problemen rond de voogdij van haar kind voor te spiegelen, heeft hij [slachtoffer] bewogen in de prostitutie te gaan werken, terwijl hij zelf daar een groot deel van de vruchten van plukte zonder dat hij daar enig recht op had. De uitbuiting heeft een kleine vierenhalf jaar plaatsgevonden. Het geweld dat gedurende die periode heeft plaatsgevonden was weliswaar niet stelselmatig maar [slachtoffer] diende wel veel geld te verdienen met haar prostitutiewerkzaamheden om verdachte tevreden te houden.

Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. Hij heeft zich tot aan de zitting van 13 augustus 2020 op zijn zwijgrecht beroepen en heeft vervolgens alles ontkend dan wel gebagatelliseerd. Hij heeft geen berouw getoond en in het geheel niet stil gestaan wat het met [slachtoffer] zou doen of heeft gedaan. De rechtbank vindt het bovendien buitengewoon ernstig en kwalijk dat verdachte vanuit detentie weer contact heeft gezocht met [slachtoffer] en haar dusdanig heeft weten te manipuleren dat zij haar eerder afgelegde verklaringen in eerste instantie wilde intrekken bij de rechter-commissaris.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte geen strafblad heeft op het gebied van mensenhandel. Ook heeft de rechtbank een deel van de tenlastelegging niet bewezen verklaard waardoor de straf lager zal uitvallen dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op het voorgaande, de ernst van het feit en de zeer lange periode dat de uitbuiting heeft plaatsgevonden vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden.

6.4

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 350.300,00 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,00 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.4.1

De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade.

De raadsvrouw van de benadeelde partij [slachtoffer] , mr. A. Koopsen, heeft, onder verwijzing naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) en de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 15 juni 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2435 en 2436) ten aanzien van de materiële schade gesteld dat deze geschat kan worden op een bedrag van € 350.300,00. De raadsvrouw heeft zich voor deze schatting gebaseerd op de berekeningen die de politie heeft gemaakt naar aanleiding van de kamerverhuurgegevens van [slachtoffer] in de perioden van 22 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 (31 dagen) en van 30 mei 2015 tot en met 16 maart 2019 (992 dagen).

In de periode 22 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 verdiende [slachtoffer] met haar prostitutiewerkzaamheden, gelet op haar aangifte, € 400,00 à € 500,00 per dag. Verdachte nam daar per dag € 100,00 vanaf hetgeen neerkomt op een bedrag van € 3100,00. In de tweede periode verdiende [slachtoffer] € 800,00 à € 900,00 per dag waar verdachte elke dag (gemiddeld) € 350,00 van afnam, wat een bedrag van € 347.200,00 oplevert. Het totaalbedrag dat [slachtoffer] aan verdachte heeft afgedragen is derhalve € 350.300,00, aldus de vordering van de benadeelde partij.

6.4.2

De vordering ten aanzien van de immateriële schade

De raadsvrouw van [slachtoffer] heeft ten aanzien van de immateriële schade gesteld dat een bedrag van € 10.000,00 moet worden toegewezen. De raadsvrouw heeft hiervoor verwezen naar letselcategorie 4 van het Schadefonds Geweldsmisdrijven ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting met seksueel binnendringen en het eerder genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en arresten van het Gerechtshof Amsterdam.

6.4.3

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat de vordering geheel moet worden toegewezen omdat deze voldoende is onderbouwd.

6.4.4

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft beide vorderingen betwist en bepleit dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [slachtoffer] te horen over haar vordering. Ook heeft zij haar boekhouding niet gevoegd bij haar vordering terwijl zij daar wel over beschikt. Onder verwijzing naar het hierboven genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad vindt de raadsman dat de verdediging daardoor onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren tegen de vordering, zodat niet-ontvankelijkheid van de vordering moet volgen.

De berekeningen ten aanzien van de materiële schade van [slachtoffer] moeten buiten beschouwing worden gelaten, omdat [slachtoffer] wisselend heeft verklaard over haar inkomsten en over hoeveel geld verdachte van haar zou hebben afgenomen. Daarnaast was verdachte niet elke dag bij [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode, zodat de berekening niet kan kloppen. Bovendien heeft [slachtoffer] verklaard dat zij met verdachte de afspraak had dat haar verdiensten op een 50/50-basis tussen haar en verdachte verdeeld zouden worden.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman naar voren gebracht dat ten aanzien van de psychische schade van [slachtoffer] geen concrete gegevens bekend zijn waaruit kan volgen dat er psychische schade is ontstaan.

6.4.5

De beoordeling door de rechtbank

6.4.5.1 De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van in totaal € 151.900,00 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019.

De rechtbank is bij de schatting van dit bedrag uitgegaan van een bewezenverklaring tot uitbuiting in de gehele ten laste gelegde periode. Over de periode van 22 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 (de eerste periode) heeft [slachtoffer] verklaard dat zij € 400,00 à € 500,00 per dag verdiende, waarvan verdachte er € 100,00 à € 200,00 per dag van afnam. In de periode van 30 mei 2015 tot en met 16 maart 2019 (de tweede periode) verdiende [slachtoffer] naar eigen zeggen € 800,00 à € 900,00 per dag, waarvan verdachte er € 300,00 à € 400,00 afnam.

De rechtbank schat de vergoeding voor gederfde inkomsten in de eerste periode op € 3.100,00 (31 dagen à € 100,00 per dag).) en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank kan aan de hand van het dossier niet vaststellen dat [slachtoffer] in de tweede periode dubbele inkomsten heeft genoten ten opzichte van de eerste periode. Uit het dossier (WhatsApp-gesprekken) blijkt wel dat verdachte en [slachtoffer] op enig moment in de tweede periode de afspraak hadden gemaakt dat zij ieder de helft van de verdiensten van [slachtoffer] zouden krijgen.

De rechtbank schat de verdiensten van [slachtoffer] in de tweede periode op € 300,00 per dag en vindt een vergoeding voor gederfde inkomsten van de helft daarvan op basis van de afspraak, dus € 150,00 per dag in de tweede periode (992 dagen) als redelijke schatting voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren, nu – bij gebreke van een voldoende nadere onderbouwing van de vordering op dit punt – een en ander een nader onderzoek zou vereisen en dat tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden. Het toelaten van nadere bewijslevering zou immers betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

6.4.5.2 De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade

Ook staat vast dat aan de benadeelde partij door bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien

ten gevolge van het strafbare feit er in ieder geval een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, verwijzend naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de vergoeding van immateriële schade naar billijkheid op € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2019.

6.4.5.3 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 161.900,00 waarbij bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding de duur van het aantal dagen gijzeling naar beneden toe bij te stellen.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 161.900,00 (honderd eenenzestigduizend en negenhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] .

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 161.900,00 (honderd eenenzestigduizend en negenhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en C. Huizing-Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2020.