Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5505

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
13/680126-17 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming. Veroordeelde is bij vonnis van 11-11-2020 veroordeeld wegens witwassen. De schending van de redelijke termijn is voldoende gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Promis

Parketnummer: 13/680126-17 (ontneming)

Datum uitspraak: 11 november 2020

Vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/680126-17, tegen:

[veroordeelde], hierna te noemen: ‘veroordeelde’,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

28 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat de gemachtigd raadsman van veroordeelde, mr. J.G.D. Rutten, naar voren heeft gebracht.

2 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 5 oktober 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel, geschat op een bedrag van € 42.665,40.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor veroordeelde bij vonnis deze rechtbank van 11 november 2020 is veroordeeld.

3 Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 11 november 2020 (parketnummer: 13/680126-17) veroordeeld voor witwassen.

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 april 2017 geldbedragen waarvan hij wist dat die geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf, heeft witgewassen.

In het ontnemingsdossier is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de methode van de eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2014 tot 18 april 2017.

De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie gaat ervan uit dat veroordeelde minimaal € 42.665,40 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Hij ontleent deze schatting aan een ‘proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.’1

4.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde hoogstens een bedrag van

€ 12.995,40 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde door middel van voornoemd feit voordeel heeft verkregen. De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen zoals die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit. Daartoe moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezen verklaarde.

In haar vonnis van 11 november 2020 in de strafzaak tegen veroordeelde heeft de rechtbank vastgesteld dat veroordeelde zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 april 2017 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van in totaal een bedrag van € 36.665,40. Dit bedrag is € 6.000,- lager dan het bedrag waar de officier van justitie van uitgaat. Dit komt doordat de rechtbank - met de raadsman - van oordeel is dat het redelijk is om aan te nemen dat veroordeelde een extra bedrag van € 6.000,- aan legale contanten heeft ontvangen uit de verkoop van drie personenauto’s. Voor de overwegingen van de rechtbank hieromtrent wordt verwezen naar het vonnis in de strafzaak. Dat geldt ook voor de overwegingen van de rechtbank naar aanleiding van de overige verweren van de raadsman.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel in de bewezenverklaarde periode op een bedrag van € 36.665,40.

Dit bedrag volgt uit de volgende berekening.

Beginsaldo contant geld op 1 januari 2014: € 0,-

Legale contante ontvangsten: € 33.652,60

Eindsaldo contant geld: € 9.350,-

Beschikbaar voor het doen van uitgaven: € 24.302,60

Werkelijke contante uitgaven: € 60.968,-

Tekort (= wederrechtelijk voordeel): € 36.665,40 (€ 60.968,- minus € 24.302,60).

5 De verplichting tot betaling

De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden. Om die reden moet het ontnemingsbedrag - dat volgens de raadsman moet worden vastgesteld op € 12.995,40 - worden verminderd met € 5.000,-.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij in zijn strafeis in de strafzaak tegen veroordeelde rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is geschonden. Er is daarom geen reden tot mitigatie van het ontnemingsbedrag, aldus de officier van justitie.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank neemt als aanvangsmoment het moment waarop beslag is gelegd op de aan verdachte toebehorende geldbedragen van € 1.350,- en € 8.000,-. Dat is gebeurd tijdens de doorzoeking van de woning van de ouders van verdachte op 18 april 2017. Vanaf die datum kon veroordeelde in redelijkheid verwachten dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig zou worden gemaakt. Omdat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden, had de behandeling van de zaak vóór 18 april 2019 afgerond moeten zijn. De rechtbank wijst op 11 november 2020 vonnis. De redelijke termijn is daarmee met 19 maanden overschreden. Er zijn geen omstandigheden gebleken die een langere redelijke termijn rechtvaardigen dan het uitgangspunt van twee jaar.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan de veroordeelde opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. Een ontnemingszaak kan nog tot twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak aanhangig worden gemaakt, de onderhavige vordering ontneming is echter gelijktijdig met de strafzaak behandeld en het vonnis is van dezelfde datum. De rechtbank zal daarom in de onderhavige zaak volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.

Gijzeling

Op grond van artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht dient de rechtbank de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste gevorderd mag worden. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 50,-.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 36.665,40.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 36.665,40 (zesendertigduizend zeshonderdvijfenzestig euro en veertig cent) aan de Staat.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 733 (zevenhonderd drieëndertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en M.A.E. Somsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2020.

[...]

[...]

1 Een proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e 3e lid Sr, documentcode [nummer], van 12 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] .