Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5479

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
13/243643-19 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man is veroordeeld tot 750 euro boete en 6 maanden voorwaardelijke rijontzegging omdat hij op 13 januari 2019 als taxichauffeur te snel op de Heemstedestraat reed zodat er een gevaar op de weg ontstond waarbij hij een fietsster aanreed. Zij is overleden aan haar verwondingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/243643-19 (Promis)

Datum uitspraak: 12 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 29 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.W. van Rijmenam-van Oosterom naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de verklaring van getuige [getuige 1] , de slachtofferverklaringen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] en [naam 5] en de vorderingen tot schadevergoeding van [naam 1] , [naam 3] en [naam 4] , zoals op zitting toegelicht door de raadsman van de nabestaanden, mr. D. Fontein.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich op 13 januari 2019 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer] is gedood (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW).

Mocht dat niet worden bewezen verklaard, dan wordt hij er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich daarmee zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt (artikel 5 van de WVW).

De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde op zitting van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 13 januari 2019 reed verdachte in de nacht in een Ford Focus (hierna: de Ford) op de Heemstedestraat, komende uit de richting van het Hoofddorpplein en gaande in de richting van de Plesmanlaan. Het regende die nacht. Verdachte was werkzaam als taxichauffeur voor Uber. Hij was daar bekend en reed daar vaker.

Het latere slachtoffer, [slachtoffer] (hierna: de fietser), fietste in dezelfde richting als de Ford over het vrij liggende fietspad, gelegen aan de rechterzijde van de weg, gezien vanuit de rijrichting van de Ford. De Ford reed op een voorrangsweg. De fietser sloeg linksaf bij de fietsoversteek van de Heemstedestraat, richting de Poeldijkstraat. Op die plek stonden voor de fietser haaientanden op de weg. Bij het oversteken van de fietser kwam de voorzijde van de Ford tegen de linkerzijde van de fietser. Zij is daardoor (verderop) op het wegdek neergekomen. Zij is ten gevolge van het ongeval overleden.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Van belang is dat het nacht was, hard regende, verdachte ter plaatste bekend was en dat hij kort voor het ongeval in een paar seconden zijn snelheid heeft verhoogd van 54 naar 69 kilometer per uur. Er is geen reden om te twijfelen aan de resultaten van het beeldonderzoek hierover van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Een belangrijk punt volgens de officier van justitie is de vraag waarom verdachte de fietser niet heeft gezien. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of het slachtoffer van links of van rechts kwam. Als hij naar rechts of vooruit zou hebben gekeken, zou hij het slachtoffer moeten hebben gezien; als hij naar links had gekeken, had hij geweten dat zij in ieder geval niet van links kwam, aldus de officier van justitie. Het kan daarom niet anders dan dat hij in het geheel niet heeft gekeken en afgeleid was door iets in het voertuig. Daarmee kan worden vastgesteld dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest.

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd. Het beeldmateriaal is van onvoldoende kwaliteit om een snelheidsbepaling op te baseren. Het beeldonderzoek van het NFI is geen wetenschappelijk ontwikkelde methode. Het uitgevoerde onderzoek is bovendien niet in overeenstemming met die ontwikkelde methode gedaan en gaat uit van niet-gevalideerde gegevens. Het exacte tijdstip en de exacte locatie van het ongeval zijn onbekend gebleven en ook de weersomstandigheden zijn niet gevalideerd. De schatting van de snelheid waarmee verdachte heeft gereden, zoals berekend op basis van dat beeldonderzoek, wordt dan ook betwist. De rapportages zijn niet bruikbaar.

De raadsvrouw heeft gesteld dat uit de door Uber verstrekte GPS-data blijkt dat kort voor de aanrijding een snelheid van 59,8133 kilometer per uur is gemeten.

Uit de Verkeersongevallenanalyse van 16 augustus 2019 volgt dat niet is geconstateerd dat het achterlicht van de fiets van het slachtoffer licht uitstraalde. Het is daardoor niet onbegrijpelijk dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien. Dit heeft vervolgens bijgedragen aan de inschatting waarmee hij de oversteekplaats heeft genaderd. Bovendien had het slachtoffer aan verdachte, die reed op een voorrangsweg, voorrang moeten verlenen.

Een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid kan niet worden vastgesteld, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ook voor het subsidiair ten laste gelegde moet verdachte worden vrijgesproken. Verdachte heeft mogelijk te hard gereden, maar dit levert geen gevaarzetting op zoals bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

3.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een ernstig ongeval waardoor het slachtoffer [slachtoffer] om het leven is gekomen. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan het veroorzaken van dat ongeval.

Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW te komen, moet een bepaalde mate van schuld worden vastgesteld. Alleen wanneer er sprake is van aanmerkelijke schuld – een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid – kan een verdachte strafrechtelijk worden veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW.

Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (Hoge Raad 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier is gebleken dat uitvoerig onderzoek is gedaan. Zo heeft een vermijdbaarheidsberekening plaatsgevonden, is onderzoek gedaan naar de stopafstand en is op basis van beeldonderzoek een schatting gemaakt van de snelheid waarmee verdachte kort voor het moment van de aanrijding heeft gereden. De rechtbank constateert dat bepaalde factoren (zoals de exacte locatie van de aanrijding, de reactietijd van verdachte en de snelheid waarmee de fietser heeft gereden) op basis van de stukken in het dossier niet zijn komen vast te staan en dat in het kader van de bovengenoemde onderzoeken is gewerkt met aannames. De uitkomsten van die onderzoeken zijn daarom aangeduid in schattingen (uitgaande van die aannames) en daarbij zijn veelal marges vermeld. Daarmee zal de rechtbank rekening houden bij de beoordeling van die onderzoeksresultaten.

De snelheid

De snelheid waarmee verdachte kort voor het moment van de aanrijding heeft gereden is van belang voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Over de snelheid waarmee verdachte vlak voor het moment van de aanrijding zou hebben gereden volgt uit het dossier het volgende.

In het beeldonderzoek van 1 juli 2019 van het NFI naar de snelheid van de auto zijn kans-intervallen berekend voor de gemiddelde snelheid van de auto op basis van de metingen met gebruik van referentiebeelden van een vergelijkbare zaak uit 2017. Dat heeft geleid tot een schatting van de snelheid van de auto, aan de hand van de beelden van het huidige incident.

Hieruit volgt dat:

  • -

    er een kans van 90% is dat de snelheid waarmee de auto heeft gereden tussen de 66 en 71 kilometer per uur lag;

  • -

    er een kans van 95% is dat de snelheid waarmee de auto heeft gereden tussen de 65 en 71 kilometer per uur lag;

  • -

    er een kans van 97,5% is dat de snelheid waarmee de auto heeft gereden tussen de 64 en 72 kilometer per uur lag;

  • -

    er een kans van 99% is dat de snelheid waarmee de auto heeft gereden tussen de 64 en 72 kilometer per uur lag.

De beste schatter voor de gemiddelde snelheid van de auto bedraagt 69 kilometer per uur.

Uit de door Uber verstrekte GPS-data volgt dat door verdachte op 13 januari 2019 rond het tijdstip van de aanrijding met de volgende snelheid is gereden:

Tijdstip

Snelheid in kilometer per uur

2019-01-13 3:07:55

59,8133

2019-01-13 3:07:56

63,7982

2019-01-13 3:07:57

63,7982

2019-01-13 3:07:58

69,196

2019-01-13 3:07:59

69,196

2019-01-13 3:08:00

47,224

2019-01-13 3:08:01

47,224

2019-01-13 3:08:02

9,0948

De rechtbank ziet geen reden om aan de uitkomsten van het beeldonderzoek van het NFI en de daarop gebaseerde schatting van de snelheid te twijfelen. Over onder meer de opzet en methode van het onderzoek is aanvullend gerapporteerd en de raadsvrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten onbetrouwbaar zijn. Bovendien vinden de resultaten steun in de door Uber verstrekte gps-gegevens over de snelheid van de auto rondom het moment van het ongeval. De raadsvrouw leidt uit de hierboven genoemde gps-gegevens af, dat de snelheid van de auto direct voor het ongeval 59 km per uur was. Zij stelt dat het niet mogelijk is dat twee keer exact dezelfde snelheid wordt gereden en meent dat snelheidsbepalingen die identiek zijn, om die reden niet meegenomen moeten worden. Mede gelet op de door getuige [getuige 1] ter zitting gegeven toelichting gaat de rechtbank ervan uit dat bij de hierboven weergegeven tijdstippen de daadwerkelijk bepaalde snelheid vermeld staat, behalve waar het de tweede keer is dat exact dezelfde snelheid staat vermeld. Zoals getuige [getuige 1] heeft toegelicht is het waarschijnlijk dat waar het die tweede snelheidsbepaling betreft, niet een nieuwe meting is verricht, maar de locatiebepaling van de eerdere meting opnieuw is doorgegeven aan het systeem, wat leidt tot een identieke snelheidsbepaling. De stelling van de raadsvrouw dat de dubbele getallen in zijn geheel niet moeten meegeteld wordt om die reden ook verworpen. Concluderend blijkt uit deze gps-gegevens dat de snelheid van de auto is verhoogd tot ruim 69 kilometer per uur, waarna de snelheid, vermoedelijk door het ongeval, snel afneemt.

Gelet op de marges en aannames die inherent zijn aan de beide hiervoor besproken methodes van snelheidsbepaling, kan de rechtbank op basis van het dossier niet komen tot een exacte bepaling van de snelheid waarmee verdachte heeft gereden direct voorafgaand aan de aanrijding. Op basis van het voorgaande komt de rechtbank wel tot het oordeel dat verdachte heeft gereden met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur.

Voldoende vergewist?

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of kan worden vastgesteld dat verdachte de fietser heeft kunnen en moeten zien.

Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat er bij de nabestaanden van de fietser veel gedachten en gevoelens over het incident leven, waaronder dat de fietser altijd uiterst voorzichtig was en dat verdachte zich juist onvoorzichtig en onverantwoordelijk zou hebben gedragen. De rechtbank heeft begrip voor deze emoties, maar treft in het dossier geen aanknopingspunten om aan te nemen dat verdachte niet zou hebben gekeken of zou zijn afgeleid.

Verdachte heeft verklaard dat hij de fietser niet heeft gezien en voor het ongeval niet heeft geremd. Deze verklaring wordt ondersteund door het gegeven dat op het wegdek geen rem-blokkeersporen zijn aangetroffen. De beide passagiers in de taxi, [passagier 1] en [passagier 2] , verklaren ter plaatse als getuige dat zij ineens een knal hoorden, maar niet wisten waar vandaan. Getuige [passagier 1] verklaart bij de politie dat hij plotseling een knal hoorde en snapte dat er iets geraakt was. Getuige [passagier 2] , die rechts achterin zat, heeft verklaard dat hij uit het rechterraam keek en net weer iets wilde zeggen toen hij een knal hoorde. Hij vroeg wat er gebeurd was en toen zei verdachte dat hij iemand had aangereden. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande van uit dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien.

Voor de beoordeling van deze vraag of verdachte de fietser had kunnen en moeten zien acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.

Op camerabeelden van het ongeval is het volgende te zien. De fietser komt aanfietsen over het fietspad van de Heemstedestraat. Te zien is dat zij links afslaat, de rijbaan van de Heemstedestraat wil oversteken, gaande in de rijrichting van de Poeldijkstraat. Vervolgens is te zien dat de fietser niet stopt voor de oversteek, maar doorfietst. Hierbij is een klein licht flitsje aan de achterzijde van de fiets te zien, mogelijk afkomstig van een reflector aan de achterzijde van de fiets. De positie waarop de fietser op de fiets zit, verandert en het lijkt erop alsof zij gaat staan op haar trappers en dus rechtop gaat staan.

Uit de tijd die meeloopt met de camerabeelden komt naar voren dat het hele incident, vanaf het moment dat de fietser afsloeg tot het moment waarop de auto in beeld komt en de aanrijding plaatsvindt, in een tijdsbestek van 1 à 2 seconden heeft plaatsgevonden.

In het vermijdbaarheidsonderzoek dat op 18 augustus 2019 door verbalisant [naam verbalisant 1] is opgemaakt, is onderzocht in hoeverre de overschrijding van de maximumsnelheid van invloed is geweest op deze aanrijding. De rechtbank stelt daarbij vast dat diverse aannames zijn gedaan in de in het vermijdbaarheidsonderzoek gestelde scenario’s, waaronder het rijden met constante snelheid en een aanname met betrekking tot de reactietijd. Zo wordt er gerekend met een reactietijd van 1 seconde. In een aanvulling op het rapport staat dat als verdachte de fietser niet aan zag komen en in het geheel niet gereageerd heeft, en daar gaat de rechtbank vanuit, de vermijdbaarheidsberekening niet op gaat.

De rechtbank concludeert dat het gelet op alle omstandigheden, met name dat het hele incident in 1 à 2 seconden heeft plaatsgevonden, maar zeer de vraag is of verdachte, zelfs als hij met maximaal 50 kilometer per uur zou hebben gereden, tijdig zou hebben kunnen reageren. Aanknopingspunten dat verdachte zijn blik niet op de weg heeft gericht, en zich dus niet (voldoende) heeft vergewist en is blijven vergewissen of de voorrangsweg waarop hij reed vrij was van enig kruisend en/of naderend verkeer, volgen niet uit het dossier.

Conclusie: vrijspraak artikel 6 WVW

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het enkele rijden met een te hoge snelheid weliswaar als een ernstige verkeersfout kan worden aangemerkt, waarvan de gevolgen groot zijn geweest, maar deze verkeersfout acht de rechtbank onvoldoende om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte een schuldverwijt in de zin van artikel 6 WVW kan worden gemaakt is niet gebleken en daarom zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring artikel 5 WVW

Het voorgaande laat onverlet dat verdachte kan worden verweten evident een fout te hebben begaan. Verdachte heeft met een veel te hoge snelheid gereden, waardoor op de weg een gevaarlijke situatie is ontstaan. Verdachte is daarbij in botsing gekomen met de fietser, waarna zij is overleden. Het gedrag van verdachte kan daarom als gevaarzettend in de zin van artikel 5 WVW worden aangemerkt.

Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Voorwaardelijke verzoeken

Door de raadsvrouw is verzocht om – in het geval de rechtbank niet tot vrijspraak komt – [naam verbalisant 1] , [naam specialist] , de GPS specialist op het gebied van de Uber-app en [passagier 1] als getuigen te horen.

[naam verbalisant 1]

De raadsvrouw heeft verzocht [naam verbalisant 1] als deskundige te ondervragen met betrekking tot het vermijdbaarheidsonderzoek en de berekening van de stopafstand. Nu deze gegevens niet hebben bijgedragen aan de bewezenverklaring, zal de rechtbank dit verzoek van de verdediging onbesproken laten.

[naam specialist]

De raadsvrouw heeft verzocht [naam specialist] als getuige te ondervragen over de deskundigheid en de door het NFI toegepaste onderzoeksmethode. De rechtbank heeft dit verzoek hierboven al besproken. Het verzoek wordt afgewezen. De verdediging is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

GPS specialist op het gebied van de Uber-app

De raadsvrouw heeft verzocht de GPS specialist te ondervragen over welke snelheden daadwerkelijk zijn gemeten en of de stelling van de verdediging dat de laatst geregistreerde snelheidsmeting voor de aanrijding 59,81 kilometer per uur is geweest en de eerst geregistreerde snelheidsmeting na de aanrijding 9,09 kilometer per uur, juist is. Gebleken is dat er op dit gebied geen specialist is bij Uber. Bovendien heeft de raadsvrouw de getuige [getuige 1] , tactisch rechercheur, hierover op zitting bevraagd. De verdediging heeft niet onderbouwd waarom hiermee niet kan worden volstaan. Het verzoek wordt gelet op dit alles afgewezen. De verdediging is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

[passagier 1]

Getuige [passagier 1] heeft op verschillende momenten wisselend verklaard over de snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden op 13 januari 2019. De raadsvrouw wenst hem hierover te ondervragen. Nu de verklaring van de getuige op dit punt niet heeft bijgedragen aan de bewezenverklaring, zal de rechtbank dit verzoek van de verdediging onbesproken laten.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 13 januari 2019 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig -in de hoedanigheid van beroepschauffeur-, daarmee rijdende over de Heemstedestraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Heemstedestraat, komende uit de richting van het Hoofddorpplein, en gaande in de richting van de Plesmanlaan,

- terwijl het regende en de weg vochtig was,

- terwijl het donker was,

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

- terwijl verdachte beginnend bestuurder was,

- terwijl verdachte kort voor het ongeval reed met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur,

verdachte heeft de fietsersoversteekplaats op de Heemstedestraat genaderd,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [naam 2] aangereden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van 12 maanden.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft wat betreft de strafmaat verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest wegens een soortgelijk feit. Hij is getrouwd en is samen met zijn vrouw bezig met het verkrijgen van woonruimte. Daarnaast heeft hij zich vrijwel volledig op zijn opleiding geconcentreerd en heeft hij binnenkort een sollicitatie voor leerlingenvervoer. Daarvoor heeft hij zijn rijbewijs nodig.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen straf is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op zitting is gebleken.

Verdachte heeft met een te hoge snelheid gereden op een voorrangsweg en heeft daarbij een fietser aangereden. Hij is schuldig bevonden voor het overtreden van artikel 5 WVW. Artikel 5 WVW verbiedt gevaarlijk gedrag in het verkeer en de op te leggen straf dient dan ook met name gerelateerd te zijn aan de mate van gevaarzetting en niet zozeer aan de ernst van de gevolgen, hoe ernstig die in het onderhavige geval ook zijn geweest. De straf staat daarmee niet in verhouding en kan daarmee ook niet in verhouding staan in een geval als het onderhavige, waarbij het slachtoffer is overleden.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het tijdsverloop van ruim anderhalf jaar en de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 september 2020 niet recent met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verdachte heeft ter zitting laten blijken zich bewust te zijn van de vreselijke gevolgen van het verkeersongeval.

Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van het primair ten laste gelegde misdrijf, maar tot bewezenverklaring van de verkeersovertreding van artikel 5 WVW, is een lagere straf op zijn plaats dan door de officier van justitie is gevorderd.

Verdachte heeft op zitting verklaard te solliciteren naar een functie als leerlingvervoerder. Omdat hij voornemens is als beroepschauffeur aan het verkeer deel te nemen vindt de rechtbank de oplegging van een bijkomende straf in de vorm van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden wenselijk als stok achter de deur.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Door de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] – die zich in dit strafproces als benadeelde partijen hebben gevoegd – zijn de hierna te noemen vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Deze zijn toegelicht door de raadsman van de nabestaanden, mr. D. Fontein (hierna: de raadsman).

8.1

Vorderingen

De benadeelde partij [naam 1] (moeder) vordert bij een veroordeling voor 5 WVW

€ 15.000,- aan vergoeding van affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [naam 4] (vader) vordert € 12.547,84 aan vergoeding van materiële schade (bestaande uit € 62,22 voor de urn en € 12.485,62 voor de uitvaart) en bij een veroordeling voor 5 WVW € 15.000,- aan vergoeding van affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [naam 3] (stiefmoeder) vordert bij een veroordeling voor 5 WVW

€ 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Materiële schade

De advocaat heeft aangevoerd dat het slachtoffer geen uitvaartverzekering had en dat de kosten voor de uitvaartverzorging en de kosten voor de urn door de ouders en stiefmoeder van het slachtoffer zijn betaald. Aangevoerd is dat kosten zijn gemaakt om het slachtoffer een waardige begrafenis te geven die paste bij haar persoon en leeftijd. De gemaakte kosten zijn niet disproportioneel.

Affectieschade

[naam 1] , [naam 4] en [naam 3] komen als ouders en stiefmoeder van het slachtoffer in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag is gebaseerd op artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het Besluit), in geval van overlijden door een misdrijf van een meerderjarig niet-thuiswonend kind.

Ten aanzien van de ouders van het slachtoffer behoeft de vordering geen andere onderbouwing. Op grond van artikel 6:108, vierde lid onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de aansprakelijke ook verplicht tot vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat aan ‘een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat’. Op die grond komt ook [naam 3] als stiefmoeder van het slachtoffer in aanmerking voor vergoeding van de door haar geleden affectieschade. Zij heeft immers al negen jaar een relatie met de vader van het slachtoffer en is op enig moment met hem gaan samenwonen, waarna het slachtoffer nog voor een zeker periode thuiswonend was.

Eigen schuld

Niet is komen vast te staan dat het slachtoffer ten tijde van het ongeval muziek luisterde, zodat met die omstandigheid geen rekening dient te worden gehouden. Met het bij haar vastgestelde alcoholgehalte dient evenmin rekening te worden gehouden. Voor zover de rechtbank aanneemt dat aan de zijde van het slachtoffer sprake is geweest van eigen schuld, heeft de advocaat de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Daarbij heeft hij opgemerkt dat dient te worden uitgegaan van de ondergrens van 50 procent, wat qua schatting geen onevenredige belasting van het rechtsgeding oplevert.

8.2

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voldoende zijn onderbouwd en geheel voor toewijzing in aanmerking komen. De toegewezen bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarnaast moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het rechtsgeding oplevert en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden. Subsidiair heeft zij gesteld dat de bedragen moeten worden gematigd. De materiële schade zou in dat geval kunnen worden toegekend tot een bedrag van € 2.500,-. De affectieschade komt in het geval van [naam 3] niet voor vergoeding in aanmerking en voor de anderen kan deze tot 50% worden toegewezen.

8.3

Oordeel

Materiele schade

In artikel 51f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is, voor zover hier van belang, bepaald dat de nabestaanden van een slachtoffer dat ten gevolge van een strafbaar feit is overleden, zich als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen ter zake van het recht op vergoeding van kosten van levensonderhoud waarin de overledene voorzag (artikel 6:108, eerste lid BW), alsmede het recht op vergoeding van redelijke kosten van lijkbezorging (artikel 6:108, tweede lid BW). Voor vergoeding van eventuele andere materiële schade biedt de wet geen mogelijkheden.

Uit het onderzoek op zitting is vast komen te staan dat [naam 4] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde.

Kosten urn

De rechtbank vindt de vordering ten aanzien van de aanschaf van een urn genoegzaam onderbouwd. De verdediging heeft de kosten niet betwist. De rechtbank zal deze post ter hoogte van € 62,22 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Kosten uitvaart

De gevorderde uitvaartkosten zijn kosten die zozeer met de lijkbezorging samenhangen dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten komen de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor en zijn voldoende onderbouwd. De kosten komen voor vergoeding in aanmerking en worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Affectieschade

De rechtbank komt in de onderhavige zaak tot bewezenverklaring van artikel 5 WVW. Dit levert een overtreding op. De rechtbank is daarom van oordeel dat op grond van artikel 1 van het Besluit een bedrag van € 15.000,- (overlijden van een niet thuiswonend kind) als uitgangspunt dient.

Ouders

[naam 1] en [naam 4] komen op grond van artikel 6:108, derde lid jo. vierde lid onder c BW in aanmerking voor vergoeding van de door hen geleden affectieschade.

Stiefmoeder

De rechtbank overweegt dat [naam 3] als stiefmoeder van het slachtoffer op grond van artikel 6:108, vierde lid onder g BW aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de door haar geleden affectieschade. Evenwel blijkt uit de jurisprudentie dat daaraan zwaardere eisen worden gesteld dan in het geval van de wettelijke ouders en dient in het onderhavige geval de nauwe persoonlijke relatie van [naam 3] tot het slachtoffer te worden onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onvoldoende gebeurd. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken hoe lang zij met het slachtoffer in gezinsverband heeft samengeleefd en wanneer dit is beëindigd. De rechtbank zal [naam 3] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Eigen schuld

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte reed op de Heemstedestraat, een voorrangsweg. Het slachtoffer fietste eveneens op de Heemstedestraat en sloeg linksaf, in de richting van de Poeldijkstraat. Zij had verdachte voorrang moeten verlenen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid zo nauw verband houdt met het bewezen verklaarde dat dit een beroep op ‘eigen schuld’ rechtvaardigt. De hierboven besproken schadeposten die voor vergoeding in aanmerking komen, zullen daarom worden gematigd tot 50 procent. Voor het overige zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk.

8.4

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte tegenover de benadeelde partijen, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiair bewezen verklaarde is toegebracht. Beide onderstaande bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank waardeert deze:

- ten aanzien van [naam 1] op een bedrag van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro);

- ten aanzien van [naam 4] op een bedrag van € 13.773,92 (dertienduizend zevenhonderddrieenzeventig euro en tweeennegentig cent).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde feit tot een geldboete van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd is geweest.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 januari 2019) tot aan de dag van dat het bedrag volledig is voldaan.

Bepaalt dat [naam 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [naam 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] aan de Staat € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 januari 2019) tot aan de dag van dat het bedrag volledig is voldaan. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 72 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 4] toe tot een bedrag van:

  • -

    € 12.485,62 (twaalfduizend vierhonderdvijfentachtig euro en tweeenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 februari 2019) tot aan de dag van dat het bedrag volledig is voldaan;

  • -

    € 62,22 (tweeenzestig euro en tweeentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 maart 2019) tot aan de dag van dat het bedrag volledig is voldaan;

  • -

    € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 januari 2019) tot aan de dag van dat het bedrag volledig is voldaan.

Bepaalt dat [naam 4] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 4] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [naam 4] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 4] aan de Staat te betalen:

  • -

    € 12.485,62 (twaalfduizend vierhonderdvijfentachtig euro en tweeenzestig cent) bestaande uit kosten voor lijkbezorging/uitvaart, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 februari 2019) tot aan de dag van dat het bedrag volledig is voldaan;

  • -

    € 62,22 (tweeenzestig euro en tweeentwintig cent) bestaande uit kosten voor lijkbezorging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 maart 2019) tot aan de dag van dat het bedrag volledig is voldaan;

  • -

    € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) bestaande uit affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 januari 2019) tot aan de dag van dat het bedrag volledig is voldaan.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 103 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [naam 3] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en C. Huizing-Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2020.