Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:543

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2020
Datum publicatie
07-02-2020
Zaaknummer
13/994028-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Pluimveezaak (artikel 20 Meststoffenwet). Een onderneming heeft gedurende twee jaren pluimvee gehouden, terwijl het bedrijf geen enkel pluimveerecht bezat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/994028-19

Datum uitspraak: 29 januari 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische (straf)kamer, in de strafzaak tegen

[rechtspersoon] ,

gevestigd op het adres [adres] .

Bovengenoemde rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door:

[naam vertegenwoordiger rechtspersoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Huisman en van wat de vertegenwoordiger van verdachte (hierna: [rechtspersoon] ) en haar raadsman mr. P. Koops naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan [rechtspersoon] is ten laste gelegd dat

zij in de periode van 01 januari 2015 tot en met 31 december 2016 te [plaats] , gemeente [naam gemeente] , op haar bedrijf met BRS-nummer [nummer] al dan niet opzettelijk, gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2015 een groter aantal leghennen, te weten 34.933 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden, dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden en/of gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2016 een groter aantal leghennen, te weten 33.357 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat bewezen kan worden dat [rechtspersoon] in 2015 en 2016 in Houten meer leghennen heeft gehouden dan waar zij recht op heeft op basis van het aantal aanwezige pluimvee-eenheden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om [rechtspersoon] vrij te spreken, omdat niet kan worden gezegd dat de gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. In maart 2015 werd [rechtspersoon] door [persoon] aan [naam vertegenwoordiger rechtspersoon] verkocht. [persoon] heeft de koper – [naam vertegenwoordiger rechtspersoon] – niet ingelicht over het feit dat hij de pluimveerechten in 2014 al had verkocht. Daarmee heeft [persoon] zichzelf bevoordeeld, door eerst de verkoopprijs van de rechten op te strijken en [naam vertegenwoordiger rechtspersoon] in de onjuiste veronderstelling te laten dat [rechtspersoon] voldeed aan alle vereisten. Daarmee is civielrechtelijk sprake van bedrog. Onder zulke omstandigheden kan niet worden gezegd dat de verboden gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat [rechtspersoon] in 2015 en 2016 in [naam gemeente] leghennen heeft gehouden, terwijl zij over geen enkel pluimveerecht beschikte. Zodoende heeft zij meer leghennen gehouden dan waar zij recht op had op basis van het aantal aanwezige pluimvee-eenheden. De vraag is nu of deze verboden gedraging ook aan [rechtspersoon] als rechtspersoon kan worden toegerekend.

Wettelijk kader

De Hoge Raad heeft invulling gegeven aan de vereisten waaraan moet worden voldaan. De beantwoording van de vraag of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon (zie ook: ECLI:NL:HR:2003:AF7938).

Het kader toegepast op de huidige zaak

De verboden gedraging – het houden van leghennen zonder de benodigde pluimvee-eenheden – moet worden toegerekend aan de rechtspersoon, nu dit gebeurde in de sfeer van de rechtspersoon en deze gedragingen bij uitstek pasten in de normale bedrijfsvoering. [rechtspersoon] is immers een bedrijf waarop (onder meer) pluimvee wordt gehouden, waarbij het kopen/leasen van pluimveerechten bij de bedrijfsvoering hoort en de verkoop van die rechten is ook verricht door de toenmalige bestuurder. Dat [rechtspersoon] in 2015 een nieuwe bestuurder – [naam vertegenwoordiger rechtspersoon] – kreeg die hiervan niet op de hoogte was, maakt dit niet anders. De rechtbank merkt daarbij op dat [rechtspersoon] de verdachte is in deze zaak en niet [naam vertegenwoordiger rechtspersoon] . Dat betekent dat het in dit geval gaat om de gedragingen van [rechtspersoon] en niet om de gedragingen (of wetenschap) van [naam vertegenwoordiger rechtspersoon] als persoon.

Het bewust houden van de vastgestelde aantallen leghennen is voldoende om opzettelijk handelen bewezen te kunnen achten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat de verboden handelingen opzettelijk door [rechtspersoon] zijn gepleegd.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat [rechtspersoon]

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 te [plaats] , gemeente [naam gemeente] , op haar bedrijf met BRS-nummer [nummer] opzettelijk, gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2015 een groter aantal leghennen, te weten 34.933 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden, dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden en gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2016 een groter aantal leghennen, te weten 33.357 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Geen straf of maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 25.000,-, met een proeftijd van drie jaren.

[rechtspersoon] heeft gedurende twee jaren pluimvee gehouden terwijl zij geen enkel pluimveerecht bezat. Hiermee heeft [rechtspersoon] afbreuk gedaan aan het stelsel van de Meststoffenwet, die tot doel heeft het terugdringen van het mestoverschot en de bescherming van de bodem en het milieu. Het handelen van [rechtspersoon] heeft ook geleid tot concurrentievervalsing, omdat zij kosten heeft bespaard waar andere bedrijven wel kosten hebben gemaakt om aan de vereisten van de Meststoffenwet te voldoen.

Door de rechtbank wordt echter in aanzienlijke mate rekening gehouden met de rol van de feitelijk leidinggevende. Het is aannemelijk dat de feitelijk leidinggevende het strafbare feit voor persoonlijk gewin door de onderneming, [rechtspersoon] , liet plegen. De feitelijk leidinggevende heeft toen hij nog bestuurder was de pluimveerechten afzonderlijk aan een derde partij verkocht voor het moment van overdracht van de gehele onderneming en hij lijkt tegenover de nieuwe eigenaar van de onderneming te hebben gezwegen over het feit dat bij het bedrijf geen enkel pluimveerecht meer aanwezig was.

Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat [rechtspersoon] heeft verkregen door geen pluimveerechten te kopen of leasen, van het bedrijf zal worden ontnomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat op grond van de omstandigheden waaronder het bewezen geachte is begaan, geen straf of maatregel aan [rechtspersoon] zal worden opgelegd.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [rechtspersoon], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.M. Visser, voorzitter,

mrs. B. Vogel en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2020.