Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5415

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
13/751648-20
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

EAB Verenigd Koninkrijk. Arrest Atmani. Brexit. Terugkeergarantie. Detentieomstandigheden. Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751648-20

RK nummer: 20/3650

Datum uitspraak: 3 november 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2020 door the Inner London Crown Court (Verenigd Koninkrijk, hierna ook: het VK) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika) op [geboortedag] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 oktober 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank is – ondanks een daartoe strekkend verzoek van de opgeëiste persoon – niet tot schorsing van de overleveringsdetentie overgegaan. Zij verwijst in dat verband naar de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729). Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van zeer groot vluchtgevaar dat niet door het opleggen van passende maatregelen voldoende en op aanvaardbare wijze kan worden ondervangen.

Met toestemming van de raadsman en de officier van justitie heeft de rechtbank het onderzoek op 20 oktober 2020 enkelvoudig gesloten, waarbij is bepaald dat de rechtbank uitspraak doet op 3 november 2020.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Amerikaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een warrant of arrest van 29 juni 2020 uitgevaardigd door een rechter van the Inner London Crown Court (referentie: T20200230).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek terzake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Brits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

feit 1 en feit 2: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feit 3 en feit 4: schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

Verweer van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de feiten 3 en 4 niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, nu schennis van de eerbaarheid in Nederland niet met een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste 12 maanden wordt bedreigd. De overlevering moet daarom voor deze feiten worden geweigerd, aldus de raadsman.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan de overlevering voor alle feiten worden toegestaan. Zij heeft verwezen naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Atmani.

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 25 september 2015 in de zaak Atmani (C-463/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:634) bepaald dat de Overleveringswet alleen de voorwaarde van (enkele) strafbaarheid naar Nederlands recht mag stellen; niet ook de voorwaarde van een strafbedreiging naar Nederlands recht met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden. Dit betekent dat het feit in de uitvaardigende lidstaat strafbaar moet zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden en dat het feit in Nederland strafbaar moet zijn. Het verweer wordt verworpen.

In onderdeel c) van het EAB staat dat voor ‘sexual assault’ (de feiten 1 en 2) een gevangenisstraf van maximaal tien jaren kan worden opgelegd.

Het Internationaal Rechtshulp Centrum te Amsterdam heeft nadere informatie opgevraagd over de strafbedreiging van de feiten 3 en 4.

Hierop is een document gedateerd 21 september 2020 toegezonden, met referentie T20200230.

Het document is niet ondertekend en is afkomstig van een persoon genaamd [naam 2] .

Het document vermeldt ten aanzien van de feiten 3 en 4 onder meer het volgende:

In respect of the offences alleged of outraging public decency contrary to common law there are no statutory guidelines. As it is a common law offence it is punishable by unlimited imprisonment an or an unlimited fine.

The factors in each case vary tremendously and it is difficult to be precise about sentencing. The factors that affect sentence are as follows:

a) Did the defendant plead guilty at the first opportunity?

b) Does the defendant have previous convictions?

c) What where the circumstances of the offending?

Bij dit document zijn drie uitspraken van the Court of Appeal in Londen gevoegd, die zien op vergelijkbare feiten. In die uitspraken zijn vrijheidsstraffen van 18 maanden en 21 maanden opgelegd.

Het document is op 22 september 2020 naar het Internationaal Rechtshulp Centrum verzonden door [naam 1] , werkzaam als Temporary Liaison Prosecutor to Belgium, Ireland and the Netherlands bij the Crown Prosecution Service. Het onderwerp van de begeleidende e-mail is ‘EAW [opgeëiste persoon] file reference T20200230’. In de e-mail staat onder meer de volgende tekst:

I spoke to the prosecutor on Friday following which she instructed prosecution counsel to provide the attached advice.

Also attached are 3 UK cases that the document refers to which I hope assist with the likely sentence that may be imposed.

Hoewel uit het document van 21 september 2020 niet blijkt of [naam 2] een officier van justitie is, is de rechtbank – gelet op de begeleidende e-mail van 22 september 2020 en de referentie die zowel staat genoemd in het onderwerp van die e-mail als in het document van 21 september – van oordeel dat voldoende vaststaat dat het document van 21 september 2020 namens een officier van justitie is verstrekt.

Gelet op de aanvullende informatie is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van de feiten 3 en 4 is voldaan aan het vereiste dat de feiten in de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste twaalf maanden. De feiten zijn ook strafbaar in Nederland.

5 Gevolgen brexit voor de overleveringsprocedure

In eerdere uitspraken1 heeft deze rechtbank geoordeeld, onder verwijzing naar het arrest RO2

van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat de omstandigheid dat het VK voornemens is zich uit de Europese Unie (hierna: de EU) terug te trekken, op zichzelf beschouwd niet meebrengt dat de behandeling van het EAB in afwachting daarvan moet worden uitgesteld of geweigerd. Dit is alleen anders als er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon, na terugtrekking van het VK uit de EU, het gevaar loopt dat hem zijn grondrechten en de rechten die hij ontleent aan kaderbesluiten worden ontnomen.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 oktober 2020 in een andere zaak (ECLI:NL:RBAMS:2020:5051), dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat het VK na de overgangsperiode de rechten van de opgeëiste persoon, zoals die zijn vervat in de artikelen 4 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en die overeenkomen met de artikelen 3 en 6 van het EVRM, niet zal waarborgen. De brexit vormt geen beletsel voor de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

6.1.

Inleiding

De opgeëiste persoon heeft mede de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij terzake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

In een andere Britse zaak3 waarin de Britse autoriteiten een terugkeergarantie hebben verstrekt, heeft de rechtbank het onderzoek op 2 november 2017 heropend om partijen in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over bepaalde passages in de in die zaak verstrekte terugkeergarantie. De rechtbank verwijst nogmaals naar haar einduitspraak van 20 oktober 2020 in die zaak (ECLI:NL:RBAMS:2020:5051).

The Home Office heeft in de onderhavige zaak bij brief van 12 augustus 2020 de volgende garantie gegeven:

In accordance with Article 5(3) of the Council Framework Decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States of 13 June 2002 (‘EAW FD’), you have requested that [opgeëiste persoon] ( [geboortedag] 1985) be returned to the Netherlands to serve any custodial sentence which is imposed by a UK court in relation to the conduct for which his surrender to the UK from the Netherlands has been sought.

The UK undertakes that should [opgeëiste persoon] receive a custodial sentence in the UK, he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be returned to the Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed, unless concrete grounds relating to his rights of defence or to the proper administration of justice make his presence in the UK essential pending a definitive decision on any procedural step coming within the scope of the criminal proceedings relating to the offence underlying the European Arrest Warrant. Such procedural steps may include:

(a) The exhaustion of any available avenues of appeal;

(b) Consideration of confiscation; and

(c) The procedure for setting any period of imprisonment which will fall to be served in default of payment of any financial penalty.

Full details of any sentence imposed on [opgeëiste persoon] will be provided when he is returned to the Netherlands. It is considered that a transfer under the Prisoner Transfer Framework Decision (2008/909) allows the Netherlands to alter the duration of any sentence imposed by a UK court only within the strict conditions set out in Article 8(2) of that Framework Decision, as amended by Framework Decision 2009/299.

6.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat uit de terugkeergarantie blijkt dat sprake kan zijn van andere procedures dan de strafprocedure waar het EAB op ziet, bijvoorbeeld in de vorm van de toekenning van een schadevergoeding aan aangeefsters en een daaruit voortvloeiende betalingsverplichting voor de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon zou gedurende die procedures in het Verenigd Koninkrijk moeten verblijven. Om die reden is de terugkeergarantie niet volledig en moet de overlevering worden geweigerd.

6.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de terugkeergarantie genoegzaam is. De terugkeergarantie voldoet aan de voorwaarden die het recht stelt, zodat de overlevering kan worden toegestaan.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

Het VK is op grond van de verstrekte terugkeergarantie verplicht om de opgeëiste persoon, indien hij eenmaal tot een onherroepelijke vrijheidsstraf is veroordeeld, terug te zenden. Mede in aanmerking genomen dat artikel 5, punt 3, kaderbesluit 2002/584/JBZ ertoe dient om de kansen op sociale re-integratie van de opgeëiste persoon te verhogen en dus - mede - zijn belangen beoogt te beschermen, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon met de verstrekte terugkeergarantie een recht ontleent aan kaderbesluit 2002/584/JBZ om hier een opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan.

De vraag die echter voorligt is of de opgeëiste persoon de essentiële inhoud van dat recht op terugkeer nog steeds geldend kan maken indien en op het moment dat hij tot een onherroepelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, nu dit kaderbesluit 2002/584/JBZ op dat moment niet langer geldend is.

In het licht van het arrest RO4 (punt 58) moet worden beoordeeld of het VK een bepaling van nationaal recht kent die de essentiële inhoud van het recht op terugkeer waarborgt en die ook na het verstrijken van de overgangsperiode van kracht zal zijn. Naar de rechtbank ambtshalve bekend is, bevat de wetgeving van Engeland en Wales een recht op terugkeer voor personen die worden uitgeleverd door een niet-lidstaat van de EU (Section 153C Extradition Act 2003). Er is verder niet gebleken van een tastbare aanwijzing dat het VK deze bepaling ten nadele van opgeëiste personen zal wijzigen.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank, ook na het verstrijken van de overgangsperiode, de essentiële inhoud van het recht op terugkeer gewaarborgd.

De omstandigheid dat mogelijk sprake kan zijn van andere procedures waarvoor de opgeëiste persoon in het Verenigd Koninkrijk zal moeten blijven, zoals door de raadsman is aangevoerd, doet niet aan dit oordeel af. Het moment van teruglevering behoort niet tot de essentiële inhoud van het recht op terugkeer.

Verder merkt de rechtbank het volgende op. Gelet op hetgeen in arrest SF5 is geoordeeld door het Hof van Justitie, mag de duur van de in het VK opgelegde sanctie alleen worden aangepast onder de strikte voorwaarden van artikel 8, tweede lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ. Dit houdt in dat een in het VK aan de opgeëiste persoon opgelegde en onherroepelijk geworden vrijheidsstraf, na zijn terugkeer in Nederland op basis van voornoemd Kaderbesluit, niet naar Nederlandse maatstaven mag worden omgezet.

Na 31 december 2020 zal de terugkeer echter geschieden op basis van het Verdrag overbrenging van gevonniste personen (hierna: het VOGP) en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: de WOTS). Het VOGP biedt de mogelijkheid de straf naar Nederlandse maatstaven aan te passen. Aangezien kaderbesluit 2008/909/JBZ dan niet meer geldt voor het VK en het VOGP de mogelijkheid tot aanpassing van de straf biedt, kan niet worden gesteld dat de rechtspositie van de opgeëiste persoon daardoor na 31 december 2020 zal verslechteren.

Na 31 december 2020 vormt Section 153C Extradition Act 2003 de grondslag voor terugkeer van de opgeëiste persoon naar Nederland, in samenhang met het VOGP en de WOTS.

6.5.

Conclusie

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de verstrekte terugkeergarantie toereikend is.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

7 Detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk

7.1.

Inleiding

Bij tussenuitspraak van 29 maart 2019 in een andere zaak (ECLI:NL:RBAMS:2019:2381) heeft de rechtbank vastgesteld dat er vanwege de algemene detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichtingen HMP Birmingham, HMP Bedford en HMP Liverpool - in het bijzonder de geconstateerde beperkte individuele ruimte en onvoldoende compenserende omstandigheden in genoemde inrichtingen - een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

In haar tussenuitspraak van 2 juli 2019 in (weer) een andere zaak (ECLI:NL:RBAMS:2019:4524) heeft de rechtbank - kort gezegd - geoordeeld dat geen sprake meer is van een reëel gevaar op een behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest voor gedetineerden in de detentie-instelling in Liverpool.

Bij brief van 18 augustus 2020 heeft the HM Prison & Probation Service onder meer de volgende informatie verstrekt:

The EAW for Mr. [opgeëiste persoon] was issued by Inner London Crown Court and it is likely that a trial would take place at a nearby Crown Court in the area of London. It is usual practice to make efforts to house individuals close to the location of their trial and it is therefore most likely that Mr. [opgeëiste persoon] would be held in a priosn [de rechtbank leest: ‘prison’] within London. HMP Birmingham and Bedford are both outside this region of the United Kingdom and so the likelihood of Mr. [opgeëiste persoon] being located there is remote. However, this cannot be discounted entirely as if operational necessary or the behaviour of the individual necessitates transfer, there remains the possibility that an individual will be located outside the geographical region in which they are being tried.

7.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie niet voldoet. Gelet op de tekst van de detentiegarantie is immers niet uitgesloten dat de opgeëiste persoon toch in HMP Birmingham of HMP Bedford zal worden geplaatst. De overlevering moet daarom worden geweigerd.

7.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Gelet op de detentiegarantie is geen sprake van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt bovendien dat de uitvoerende autoriteit verplicht is uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

Deze rechtbank heeft in eerdere uitspraken overwogen dat in de penitentiaire inrichtingen HMP Birmingham en HMP Bedford een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling. Uit bovengenoemde aanvullende informatie van 18 augustus 2020 blijkt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst in een detentie-instelling in Londen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze aanvullende informatie er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de detentieomstandigheden in HMP Birmingham en HMP Bedford.

De mededeling in de brief van the HM Prison & Probation Service dat niet volledig is uitgesloten dat de opgeëiste persoon, in uitzonderlijke omstandigheden, zou kunnen worden overgeplaatst naar een detentie-instelling in een andere regio - en dus ook naar HMP Birmingham of Bedford - leidt niet tot een andere conclusie. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018 in de zaak ML (C-220/18 PPU) is de uitvoerende autoriteit verplicht uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 239 en 246 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Inner London Crown Court (het Verenigd Koninkrijk).


Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en C. Klomp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 november 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Zie o.a. rechtbank Amsterdam, 31 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:654.

2 Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 september 2018, C-327/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:733.

3 Parketnummer: 13/751270-17.

4 C-327/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:733.

5 C-314/18, ECLI:EU:C:2020:191.