Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5414

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
13/751059-17
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

EAB Verenigd Koninkrijk. Brexit. Terugkeergarantie. Detentieomstandigheden. Overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751059-17

RK-nummer: 17/1095

Datum uitspraak: 3 november 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 februari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juli 2016 door the Deputy Senior District Judge (Magistrates’ Court) sitting at Westminster Magistrates’ Court (het Verenigd Koninkrijk, hierna ook: het VK) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] (alias [alias] ),

geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedag] 1977,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres:

[adres opgeëiste persoon] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

Zitting 11 mei 2017

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 mei 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek.

De raadsman heeft ter zitting geen inhoudelijk verweer gevoerd, maar verzocht om aanhouding van de zaak om via een advocaat in het Verenigd Koninkrijk te bewerkstelligen dat het EAB wordt ingetrokken. In dit verband heeft hij gewezen op, kort samengevat, de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon en gesteld dat sprake is van een valse aangifte tegen hem.

Nadat de rechtbank de officier van justitie, die zich heeft verzet tegen aanhouding van de zaak, heeft gehoord, heeft zij het verzoek om aanhouding afgewezen. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de aangevoerde persoonlijke belangen onvoldoende klemmend zijn voor aanhouding van de zaak, in het licht van het feit dat er nog geen enkel formeel verzoek aan de Engelse autoriteiten is gedaan tot intrekking van het EAB en dat het vertrouwensbeginsel meebrengt dat de rechtbank erop vertrouwt dat het EAB door de Britse autoriteiten niet lichtvaardig is uitgevaardigd.

Tussenuitspraak 24 mei 2017

Bij uitspraak van 24 mei 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vervolgens geschorst om met partijen de terugkeergarantie in relatie tot de tenaamstelling op het verblijfsdocument te bespreken.

Zitting 19 oktober 2017

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 19 oktober 2017 hervat. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen – met terugwerkende kracht – eerst met dertig dagen verlengd en vervolgens voor onbepaalde tijd op grond van respectievelijk het derde en vierde lid van voormeld artikel van de OLW. De reden hiervan was gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagde binnen de in de wet bepaalde (verlengde) termijn uitspraak te doen.

Tussenuitspraak 2 november 2017

Op 2 november 2017 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen, waarin zij heeft geoordeeld dat de opgeëiste persoon voldoet aan voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst in afwachting van de uitkomst in een andere zaak (13/751270-17) waarin de Britse autoriteiten een terugkeergarantie hebben verstrekt.

Zitting 22 september 2020

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 22 september 2020 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon kon vanwege een mogelijke besmetting met het coronavirus niet op de zitting van 22 september 2020 aanwezig zijn. Hij werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek.

Met toestemming van de raadsman en de officier van justitie heeft de rechtbank het onderzoek op 20 oktober 2020 enkelvoudig gesloten en doet de rechtbank op 3 november 2020 uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 19 oktober 2017 verklaard dat de bovenvermelde personalia ( [opgeëiste persoon] ) juist zijn en dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraak 2 november 2017

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 2 november 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:8555), waarin zij is ingegaan op de inhoud en de grondslag van het EAB en zij de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen en met betrekking tot de tekst onder 5. van de tussenuitspraak (‘Heropening van het onderzoek’) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4 Gevolgen brexit voor de overleveringsprocedure

In eerdere uitspraken1 heeft deze rechtbank geoordeeld, onder verwijzing naar het arrest RO2

van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat de omstandigheid dat het VK voornemens is zich uit de Europese Unie (hierna: de EU) terug te trekken, op zichzelf beschouwd niet meebrengt dat de behandeling van het EAB in afwachting daarvan moet worden uitgesteld of geweigerd. Dit is alleen anders als er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon, na terugtrekking van het VK uit de EU, het gevaar loopt dat hem zijn grondrechten en de rechten die hij ontleent aan kaderbesluiten worden ontnomen.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 oktober 2020 in een andere zaak (ECLI:NL:RBAMS:2020:5051), dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat het VK na de overgangsperiode de rechten van de opgeëiste persoon, zoals die zijn vervat in de artikelen 4 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en die overeenkomen met de artikelen 3 en 6 van het EVRM, niet zal waarborgen. De brexit vormt geen beletsel voor de overlevering.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De rechtbank heeft al in haar tussenuitspraak van 2 november 2017 overwogen dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, zoals bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de OLW. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien is gewaarborgd dat, als hij tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

Bij brief van 11 april 2017 heeft Head of MLA & Extradition Policy, on behalf of the Secretary of State een terugkeergarantie verstrekt waarin onder meer staat:

“(…) be returned to the Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed and any other proceedings in respect of the offence for which extradition was sought are concluded.”

en

“(...) It is considered that a transfer under EAW FD does not allow the Netherlands to alter the duration of any sentence imposed by a UK court.”

In een andere zaak,3 waarin de Britse autoriteiten een terugkeergarantie hebben verstrekt die vergelijkbare passages bevat, heeft de rechtbank het onderzoek heropend om (mede) naar aanleiding van het verweer van de verdediging partijen in de gelegenheid te stellen om zich nader over die passages uit te laten. Bij tussenuitspraak van 2 november 2017 heeft de rechtbank ook het onderzoek in de onderhavige zaak heropend en geschorst, in afwachting van de uitkomst in genoemde andere zaak. In die zaak heeft de rechtbank inmiddels op 20 oktober 2020 een einduitspraak gewezen (ECLI:NL:RBAMS:2020:5051).

In een brief van 14 augustus 2020 heeft the Home Office in de onderhavige zaak de volgende informatie verstrekt:

In accordance with Article 5(3) of the Council Framework Decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States of 13 June 2002 (‘EAW FD’), you have requested that [opgeëiste persoon] (11/05/1977) be returned to the Netherlands to serve any custodial sentence which is imposed by a UK court in relation to the conduct for which his surrender to the UK from the Netherlands has been sought.

The UK undertakes that should [opgeëiste persoon] receive a custodial sentence in the UK, he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be returned to the Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed, unless concrete grounds relating to his rights of defence or to the proper administration of justice make his presence in the UK essential pending a definitive decision on any procedural step coming within the scope of the criminal proceedings relating to the offence underlying the European Arrest Warrant. Such procedural steps may include:

(a) The exhaustion of any available avenues of appeal;

(b) Consideration of confiscation; and

(c) The procedure for setting any period of imprisonment which will fall to be served in default of payment of any financial penalty.

Full details of any sentence imposed on [opgeëiste persoon] will be provided when he is returned to the Netherlands. It is considered that a transfer under the Prisoner Transfer Framework Decision (2008/909) allows the Netherlands to alter the duration of any sentence imposed by a UK court only within the strict conditions set out in Article 8(2) of that Framework Decision, as amended by Framework Decision 2009/299.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5051), als volgt.

Het VK is op grond van de verstrekte terugkeergarantie verplicht om de opgeëiste persoon, indien hij eenmaal tot een onherroepelijke vrijheidsstraf is veroordeeld, terug te zenden. Mede in aanmerking genomen dat artikel 5, punt 3, Kaderbesluit 2002/584/JBZ ertoe dient om de kansen op sociale re-integratie van de opgeëiste persoon te vergroten en dus - mede - zijn belangen beoogt te beschermen, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon met de verstrekte terugkeergarantie een recht ontleent aan Kaderbesluit 2002/584/JBZ om in Nederland een opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan.

De vraag die echter voorligt is of de opgeëiste persoon de essentiële inhoud van dat recht op terugkeer nog steeds geldend kan maken indien en op het moment dat hij tot een onherroepelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, nu Kaderbesluit 2002/584/JBZ op dat moment niet langer geldend is voor het VK.

In het licht van het arrest RO4 (punt 58) moet worden beoordeeld of het VK een bepaling van nationaal recht kent die de essentiële inhoud van het recht op terugkeer waarborgt en die ook na het verstrijken van de overgangsperiode van kracht zal zijn. Naar de rechtbank ambtshalve bekend is, bevat de wetgeving van Engeland en Wales een recht op terugkeer voor personen die worden uitgeleverd door een niet-lidstaat van de EU (Section 153C Extradition Act 2003). Er is verder niet gebleken van een tastbare aanwijzing dat het VK deze bepaling ten nadele van opgeëiste personen zal wijzigen.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank, ook na het verstrijken van de overgangsperiode, de essentiële inhoud van het recht op terugkeer gewaarborgd.

Verder merkt de rechtbank het volgende op. Gelet op hetgeen in arrest SF5 is geoordeeld door het Hof van Justitie van de Europese Unie, mag de duur van de in het VK opgelegde sanctie alleen worden aangepast onder de strikte voorwaarden van artikel 8, tweede lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ. Dit houdt in dat een in het VK aan de opgeëiste persoon opgelegde en onherroepelijk geworden vrijheidsstraf, na zijn terugkeer in Nederland op basis van voornoemd Kaderbesluit, niet naar Nederlandse maatstaven mag worden omgezet.

Na 31 december 2020 zal de terugkeer echter geschieden op basis van het Verdrag tot overbrenging van gevonniste personen (hierna: het VOGP) en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: de WOTS). Het VOGP biedt de mogelijkheid de straf naar Nederlandse maatstaven aan te passen. Aangezien Kaderbesluit 2008/909/JBZ dan niet meer geldt voor het VK en het VOGP de mogelijkheid tot aanpassing van de straf biedt, kan niet worden gesteld dat de rechtspositie van de opgeëiste persoon daardoor na 31 december 2020 zal verslechteren.

Daarnaast vormt Section 153C Extradition Act 2003 na 31 december 2020 de grondslag voor terugkeer van de opgeëiste persoon naar Nederland, in samenhang met het VOGP en de WOTS.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de verstrekte terugkeergarantie toereikend is.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan. De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van
2 november 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:8555).

6 Detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk

Bij tussenuitspraak van 29 maart 2019 in een andere zaak (ECLI:NL:RBAMS:2019:2381) heeft de rechtbank vastgesteld dat er vanwege de algemene detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichtingen HMP Birmingham, HMP Bedford en HMP Liverpool - in het bijzonder de geconstateerde beperkte individuele ruimte en onvoldoende compenserende omstandigheden in genoemde inrichtingen - een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

In haar tussenuitspraak van 2 juli 2019 in weer een andere zaak (ECLI:NL:RBAMS:2019:4524) heeft de rechtbank - kort gezegd - geoordeeld dat geen sprake meer is van een reëel gevaar op een behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest voor gedetineerden in de detentie-instelling in Liverpool.

Bij brief van 18 augustus 2020 in de onderhavige zaak heeft the HM Prison & Probation Service onder meer de volgende informatie verstrekt:

The EAW for Mr. [opgeëiste persoon] was issued by Westminster Magistrates Court and it is likely that a trial would take place at a nearby Crown Court in the area of London. It is usual practice to make efforts to house suspects close to the location of their trial and it is therefore most likely that Mr. [opgeëiste persoon] would be held in HMP Wandsworth. HMP Birmingham and Bedford are both outside this region of the United Kingdom and so the likelihood of Mr. [opgeëiste persoon] being located there is remote. However, this cannot be discounted entirely as if operational necessary or the behaviour of the individual necessitates transfer, there remains the possibility that an individual will be located outside the geographical region in which they are being tried.

Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat geen reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering aan het Verenigd Koninkrijk zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. De opgeëiste persoon zal naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst in HMP Wandsworth. De mededeling in de brief van the HM Prison & Probation Service dat niet volledig is uitgesloten dat de opgeëiste persoon, in uitzonderlijke omstandigheden, zou kunnen worden overgeplaatst naar een detentie-instelling in een andere regio - en dus ook naar HMP Birmingham of Bedford - leidt niet tot een andersluidende conclusie. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018 in de zaak ML (C-220/18 PPU) is de uitvoerende autoriteit verplicht uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.

7 Medische gesteldheid van de opgeëiste persoon; artikel 35 OLW

7.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de officier van justitie verzocht om – in het geval de overlevering wordt toegestaan – rekening te houden met de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon.
Uit een overzicht van 21 september 2020 van zijn huisarts blijkt dat de opgeëiste persoon lijdt aan hypertensie, insulineafhankelijke diabetes, vetstofwisselingsstoornissen, een cornealitteken na cornea-ulcus aan zijn rechteroog en depressieklachten. Als gevolg hiervan heeft de opgeëiste persoon volgens zijn huisarts een verhoogd risico op hart- en vaatziekten.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verwezen naar de hem op grond van artikel 35 van de OLW toekomende bevoegdheden en naar de zorg die het Openbaar Ministerie zal betrachten bij het overdragen aan en het informeren van de uitvaardigende justitiële autoriteit.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De medische gesteldheid van de opgeëiste persoon kan niet leiden tot weigering van de overlevering, maar kan wel een rol spelen bij de afweging of de feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege zou moeten blijven. Overeenkomstig artikel 35, derde lid, van de OLW is het aan de officier van justitie om te beoordelen of de medische omstandigheden tot uitstel van de feitelijke overlevering zouden moeten leiden. De beslissing over de feitelijke overlevering staat los van de door de rechtbank daaraan voorafgaand te nemen beslissing over de toelaatbaarheid van de overlevering.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 242 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] (alias [alias] ) aan the Deputy Senior District Judge (Magistrates’ Court) sitting at Westminster Magistrates’ Court (het Verenigd Koninkrijk).

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en C. Huizing-Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 november 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Zie o.a. rechtbank Amsterdam, 31 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:654.

2 Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 september 2018, C-327/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:733.

3 Parketnummer: 13/751270-17. Dit is de hiervoor onder 4., tweede alinea, genoemde zaak.

4 Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 september 2018, C-327/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:733.

5 Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 maart 2020, C-314/18, ECLI:EU:C:2020:191.