Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:541

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2663
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete vanwege kamergewijze verhuur zonder omzettingsvergunning. Beroep ongegrond. Voldoende duidelijk dat de woning was verhuurd aan meer dan twee huursters. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2663

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te Giethoorn, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: J.E. Carter).

Procesverloop

In het besluit van 6 december 2018 (het primaire besluit) heeft het college aan [eiser] een bestuurlijke boete van € 6.000,- opgelegd vanwege het omzetten van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimten zonder vergunning. In ditzelfde besluit heeft het college de boete ingevorderd.

In het besluit van 1 april 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 januari 2020. [eiser] was aanwezig, vergezeld door zijn partner C. Sonnemans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. [eiser] is eigenaar van een woning aan de [adres] in Amsterdam (de woning). Twee inspecteurs van de gemeente hebben de woning op 4 juli 2018 bezocht. Zij hebben een rapport gemaakt van hun bevindingen. Uit dit rapport blijkt dat zij ’s ochtends vroeg mevrouw [bewoner 1] hebben aangetroffen in de woning. Zij heeft verklaard dat zij met drie anderen in de woning woont. Zij woont zelf aan de achterkant, twee personen wonen aan de voorkant (met ieder een eigen kamer) en één persoon woont op zolder. De toezichthouders hebben de kamer van mevrouw [bewoner 1] gezien. Verder hebben zij vastgesteld dat er op de derde verdieping aan de voorkant twee deuren zijn, die waren afgesloten met een slot. Op de zolder hebben zij een deur gezien die was afgesloten met een hangslot. Op deze deur hing een briefje met de tekst: “Bij wet is het verboden zonder toestemming een verhuurde ruimte te betreden zonder autorisatie van de huurder.”

2. Op basis van dit rapport heeft het college geconstateerd dat [eiser] de woning heeft omgezet van een zelfstandige woonruimte naar meerdere onzelfstandige woonruimten. Hiervoor had [eiser] geen vergunning. Omdat [eiser] daarmee volgens het college artikel 21, sub c, van de Huisvestingswet 2014 heeft overtreden, is aan hem een boete opgelegd.

Het standpunt van [eiser]

3. [eiser] is het hier niet mee eens. Volgens hem werd de woning slechts door twee huursters permanent bewoond. Het rapport van bevindingen bevat volgens [eiser] veel onjuistheden. De conclusies zijn slechts gebaseerd op vermoedens. Bovendien heeft de bewoonster die tijdens het huisbezoek is aangetroffen, geen toestemming gegeven voor binnentreden. [eiser] wijst er verder op dat hij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek van de inspecteurs contact heeft gehad met de gemeente over het beëindigen van de situatie.

Het oordeel van de rechtbank

4. Tussen partijen is in geschil of [eiser] de woning kamergewijs heeft verhuurd aan meer dan twee personen.

Toestemming voor binnentreden

5. [eiser] stelt zich allereerst op het standpunt dat het college het rapport van bevindingen niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen, omdat [bewoner 1] geen toestemming heeft gegeven om de woning te betreden.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat [bewoner 1] de inspecteurs geen toestemming heeft gegeven om de woning binnen te treden. Uit het rapport van bevindingen blijkt namelijk dat [bewoner 1] de toezichthouders heeft uitgenodigd om verder te komen. Uit de e-mailwisseling tussen [bewoner 1] en [eiser] in het dossier volgt niet dat zij de toezichthouders geen toestemming tot binnentreden zou hebben gegeven. Zij vermeldt hierover slechts dat de toezichthouders op een moment kwamen dat zij haast had, omdat zij naar haar werk moest.

Werd de woning aan meer dan twee personen verhuurd?

7. Verder stelt [eiser] zich op het standpunt dat op 4 juli 2018 alleen [bewoner 2] en [bewoner 1] in de woning woonden. In maart 2018 is de woning namelijk bezocht door een inspecteur van Bouw & woningtoezicht die heeft gemeld dat er op de zolder niemand mag wonen. [eiser] stelt dat hij toen het huurcontract met [bewoner 2] en [bewoner 4] heeft beëindigd, aangezien zij op de zolder woonden. [bewoner 4] is toen vertrokken. Zij zou op de derde verdieping gaan wonen zodra een van de huursters op de derde verdieping zou verhuizen. In de tussentijd zou zij bij haar vriend en haar ouders logeren. [eiser] stelt dat hij de kamer van [bewoner 2] op dat moment heeft afgesloten met een hangslot en dat hij het gas, water en licht op de zolder heeft afgesloten. Hij heeft [bewoner 2] daarna niet meer gezien.

8. De rechtbank stelt op basis van de informatie in het dossier vast dat [eiser] de woning op 4 juli 2018 aan minimaal 3 personen had verhuurd. De rechtbank zal hieronder toelichten hoe zij tot deze vaststelling is gekomen.

9. Op 4 juli 2018 stonden er vier personen ingeschreven op het adres: [bewoner 2] , [bewoner 1] , [bewoner 4] en [bewoner 2] . [bewoner 1] heeft tegenover de toezichthouders verklaard dat er vier personen in de woning woonden. [eiser] stelt dat [bewoner 1] dit niet heeft gezegd. In een e-mail van [bewoner 1] aan [eiser] van 30 september 2018 schrijft zij echter: “If I am at home, I invited my roommates to have dinner together in the living room (..) one of them was having dinner and spending time with me at the living room almost every night.”. Dit duidt er op dat zij méér dan een huisgenoot had en dat er dus meer dan twee mensen in de woning woonden. Het dossier bevat geen andersluidende verklaringen van [bewoner 1] .

10. Volgens de rechtbank volgt uit het dossier dat [bewoner 2] op 4 juli 2018 nog in de woning woonde. [bewoner 2] heeft op 19 juli 2018 een e-mail gestuurd naar de toezichthouder. Zij schrijft daarin dat zij sinds januari 2016 op de vierde verdieping woont. Zij stuurt daarbij haar huurcontract mee. Verder heeft [eiser] op 13 augustus 2018 een e-mail gestuurd aan de gemeente, waarin hij aan mevrouw [naam 2] vraagt of zij met haar collega mevrouw [naam 3] nog contact heeft gehad over de vertrekdatum van [bewoner 2] . Op 2 september 2018 schrijft [eiser] in zijn zienswijze dat hij het huurcontract met [bewoner 2] heeft opgezegd, maar dat zij met hulp van een advocaat heeft geweigerd te vertrekken. Daarnaast schrijft [eiser] in zijn zienswijze dat [bewoner 2] inmiddels heeft gemeld over twee weken te vertrekken, in verband met ontvangst van de sleutel van haar nieuwe woning. Op grond hiervan is het voldoende duidelijk dat [bewoner 2] nog in de woning woonde op 4 juli 2018.

11. Daarnaast woonden in ieder geval [bewoner 2] en [bewoner 1] op 4 juli 2018 in de woning. [bewoner 1] is immers aangetroffen in de woning. Daarnaast heeft [eiser] op 2 augustus 2018 in een e-mail aan de afdeling Handhaving Wonen van de gemeente geschreven dat [bewoner 2] en [bewoner 4] tot eind 2018 samen de huishouding zullen vormen. In zijn zienswijze heeft [eiser] daarnaast geschreven dat [bewoner 2] en [bewoner 4] terecht ingeschreven stonden. Hieruit volgt dat in ieder geval ook [bewoner 2] op 4 juli 2018 in de woning woonde. Dit betekent dat [eiser] de woning op 4 juli 2018 had verhuurd aan minstens drie personen. Daarmee kan in het midden blijven of [bewoner 4] op 4 juli 2018 in de woning woonde of dat zij tijdelijk elders verbleef.

Het vertrouwensbeginsel

12. [eiser] heeft tot slot nog aangevoerd dat hij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek contact heeft gehad met de gemeente over het beëindigen van de situatie. De rechtbank vat dit op als een beroep op het vertrouwensbeginsel en begrijpt dat [eiser] vindt dat de gemeente daarom niet direct een boete had mogen opleggen.

13. Dit beroep kan niet slagen. Voor een beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat een concrete toezegging is gedaan. In dit geval betekent dit dat tussen [eiser] en een vertegenwoordiger van de gemeente moet zijn besproken dat hij handelt in strijd met de Huisvestingswet, maar dat hier niet direct op zal worden gehandhaafd. Dat is niet het geval. [eiser] heeft weliswaar contact gehad met een inspecteur van Bouw- en woningtoezicht, maar dit was een bezoek in het kader van elektra en brandveiligheid op de vierde etage. In dit kader is aan [eiser] meegedeeld dat de vierde etage niet bewoond mag worden. Er zijn geen toezeggingen gedaan in het kader van kamerverhuur zonder omzettingsvergunning.

Conclusie

14. De rechtbank stelt daarom vast dat [eiser] de Huisvestingswet heeft overtreden door de woning te verhuren aan meer dan twee personen en dat het college terecht een boete van € 6.000,- heeft opgelegd.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht, een proceskostenveroordeling of vergoeding van reiskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2020.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.