Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5408

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
C/13/686187 / HA ZA 20-669
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Civielrechtelijke (risico)aansprakelijkheid van de centrale vergunninghouder voor handelen door aangesloten ondernemingen? Strekking van art. 2:105 Wft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2021/66 met annotatie van Claassen, M.H.P.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/686187 / HA ZA 20-669

Vonnis van 4 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HYPOTHEEK VISIE CENTRALE B.V.,

gevestigd te Best,

eiseres,

advocaat mr. A.Ch.H. Franken te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. F.H. Oosterloo te Amsterdam.

Partijen zullen hierna HVC en [gedaagden] (en gedaagde 1 afzonderlijk: [gedaagde sub 1] ) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord.

1.2.

Partijen hebben verklaard geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling en hebben verzocht de zaak direct te beslissen. Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hypotheek Visie is een franchiseorganisatie. Een van de franchisenemers is Hypotheek Visie Apeldoorn (hierna: HVA).

2.2.

[gedaagden] heeft zich voor advies en bemiddeling bij de aankoop en financiering van een nieuwe woning gewend tot HVA.

2.3.

Bij HVA was [naam medewerker] werkzaam. [naam medewerker] heeft fraude gepleegd bij zijn advisering en bemiddeling, waardoor [gedaagden] een schade heeft geleden van € 33.000,-. De fraude bestond hierin dat [gedaagden] op advies en met bemiddeling van [naam medewerker] een lening heeft afgesloten bij Defam. Deze lening was bedoeld voor het aflossen van de restschuld op de oude woning en de financieringskosten in verband met een nieuwe woning. Op het moment van afsluiten van de lening bij Defam bleek [gedaagden] deze lening niet meer nodig te hebben. Inmiddels was namelijk gebleken dat zowel de restschuld als de financieringskosten konden worden gefinancierd door een eveneens via [naam medewerker] ten behoeve van de nieuwe woning lopende kredietaanvraag bij ABN AMRO. Niettemin stelde [naam medewerker] voor het kredietverleningsproces bij Defam niet te staken, maar bij totstandkoming van de lening deze direct via hem weer af te lossen. [gedaagde sub 1] betaalde daartoe op 22 februari 2017 de door Defam verstrekte lening aan [naam medewerker] (op een rekening op naam van [naam bedrijf] ). Anders dan afgesproken, heeft [naam medewerker] het door [gedaagden] betaalde bedrag niet gebruikt om de lening bij Defam volledig af te lossen.

2.4.

De advisering en bemiddeling van HVA geschiedden op basis van het ‘Informatiedocument Hypotheek Visie Apeldoorn’, waarin [gedaagden] werd geïnformeerd over de door HVA aan [gedaagden] te verlenen diensten. Onderdeel van dit document vormen de Algemene Voorwaarden Hypotheek Visie, die op grond van het Informatiedocument op de dienstverlening van toepassing zijn. Artikel 11 van deze Algemene Voorwaarden bepaalt:


“Artikel 11 Franchiseorganisatie

Hypotheek Visie is een franchiseorganisatie met vestigingen die werkzaam zijn voor eigen rekening en risico. Hypotheek Visie Centrale B.V. is als franchisegever jegens derden niet

aansprakelijk voor het handelen en of nalaten van haar vestigingen en de eventuele gevolgen daarvan.”

2.5.

[gedaagde sub 1] heeft over de onder 2.3 bedoelde fraude een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: Kifid). Dit heeft geleid tot een tussenuitspraak van 29 januari 2020, waarin onder meer als volgt is overwogen:

“4.4 HVC voert in het verweerschrift aan, voor zover HVA aansprakelijk zou zijn voor de door Consument geleden schade, als franchisegever niet aansprakelijk te zijn voor het handelen van HVA. Volgens HVC zijn zij (als franchisegever) en HVA als franchisenemer zelfstandige entiteiten, zowel economisch als juridisch. HVC kan (op grond van de voorwaarden tussen HVC en HVA) niet aansprakelijk worden gehouden voor fouten van HVA.

4.5

De Commissie overweegt dat HVA ten tijde van het adviseer- en bemiddeltraject een franchisenemer van HVC was. De Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) heeft aan HVC een vergunning verleend voor het verlenen van financiële diensten. Op grond van artikel 2:105 eerste lid Wft bestaat de mogelijkheid dat deze aan HVC verstrekte vergunning mede strekt ten behoeve van bij HVC aangesloten ondernemingen. HVC heeft van die mogelijkheid gebruikt gemaakt, zo blijkt uit het register financiële dienstverlener van AFM. Dat register vermeldt namelijk onder meer HVA als aangesloten instelling bij HVC. Daar gebruik te maken van deze door de Wet geboden mogelijkheid, geldt het handelen en nalaten van HVA inzake het adviseren van financiële producten en de bemiddeling daarin, als het handelen en nalaten van HVC (artikel 2:105 lid 3 Wft). Dat betekent dat HVC aansprakelijk gehouden kan worden voor het handelen van HVA. Hoe HVC en HVA hun onderlinge verhouding hebben vormgegeven, valt buiten deze klachtprocedure (Geschillencommissie Kifid 2019-245).

2.6.

De onder 2.5 aangehaalde uitspraak is niet bindend en er staat geen hoger beroep tegen open.

3 Het geschil

3.1.

HVC vordert te verklaren voor recht dat zij als centrale vergunninghouder niet risicoaansprakelijk is jegens [gedaagden] voor het frauduleus handelen van [naam medewerker] c.a. (de rechtbank leest: c.q.) Hypotheek Visie Apeldoorn als aangesloten onderneming in de zin van artikel 2:105 lid 3 Wft.

3.2.

HVC legt kort gezegd aan het gevorderde ten grondslag dat het Kifid in de onder 2.5 aangehaald uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat uit artikel 2:105 lid 3 Wft een civielrechtelijke risicoaansprakelijkheid van HVC als centrale vergunninghouder kan worden afgeleid. Bij franchising zijn de franchisenemer en de franchisegever zelfstandige entiteiten zowel economisch als juridisch.
De ratio van de collectieve vergunning is dat het toezicht op de aangesloten instellingen via de centrale rechtspersoon loopt. De centrale vergunninghouder is in toezichtrechtelijk opzicht ‘risicoaansprakelijk’ voor gedragingen van de aangesloten ondernemingen. Dit geldt echter jegens de toezichthouder, hierop kan door derden geen beroep worden gedaan. Bovendien geldt in het algemeen dat de Wft is gericht op marktregulering en dat de doeleinden van de Wft anders zijn dan die van het burgerlijk recht. Het schenden van de Wft kan tot aansprakelijkheid leiden, maar dat hoeft niet. De civiele rechter maakt een eigen afweging, aldus HVC.

3.3.

HVC verzoekt de rechtbank alvorens te beslissen de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Brengt artikel 2:105 lid 3 Wft met zich dat een centrale vergunninghouder jegens derden risicoaansprakelijk is voor het handelen en nalaten van via deze collectieve vergunning aangesloten ondernemingen?

3.4.

[gedaagden] onderschrijft de feiten zoals omschreven in de dagvaarding. Hij betwist dat HVC niet aansprakelijk is jegens hem in verband met de fraude gepleegd door [naam medewerker] . Voor de onderbouwing van zijn standpunt verwijst [gedaagden] naar het oordeel van het Kifid in de onder 2.5 aangehaalde tussenuitspraak. [gedaagden] refereert zich voor de beantwoording van de in dit geding aan de orde gestelde zuivere rechtsvraag aan het oordeel van de rechtbank.

4 De beoordeling

4.1.

In de eerste plaats zal worden beslist op het verzoek van HVC prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Daarvoor zal ingevolge artikel 392 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten worden nagegaan of een antwoord op de voorgestelde prejudiciële vraag nodig is om op de vordering te beslissen en of het antwoord op de te stellen vraag rechtstreeks van belang is:

a. voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of

b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.

4.2.

Het enkele feit dat het Kifid een bepaalde uitleg aan artikel 2:105 Wft heeft gegeven, waarvan HVC de juistheid bestrijdt, is op zichzelf onvoldoende grond om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. Een dergelijke vraag behoeft slechts te worden gesteld als over de juiste uitleg van genoemde bepaling zoveel onduidelijkheid zou bestaan dat een richtinggevend oordeel van de Hoge Raad gewenst zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich niet voordoet. Aan dat oordeel doet niet af dat een andere uitspraak van het Kifid de hierboven genoemde uitspraak ondersteunt, of dat ook andere organisaties dan HVC van een vergunning in de zin van artikel 2:105 Wft gebruikmaken.

Bovendien is de rechtbank onvoldoende gebleken dat zoveel andere vorderingsrechten op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, dan wel dat zoveel geschillen aanhangig of te verwachten zijn waarvoor het antwoord op de te stellen prejudiciële vraag rechtstreeks van belang is dat dit het stellen van die vraag rechtvaardigt.
Daarbij komt dat, nu partijen deze procedure kennelijk als proefprocedure aan de rechtbank voorleggen, het hen vrij staat door middel van sprongcassatie een oordeel van de Hoge Raad uit te lokken.

4.3.

De rechtbank kan zelf een oordeel geven over de strekking van artikel 2:105 Wft en op basis daarvan oordelen over de gevorderde verklaring voor recht.

4.4.

Artikel 2:105 Wft maakt deel uit van Deel 2 van de Wft inzake Markttoegang financiële ondernemingen. Op grond van artikel 2:105 Wft is het mogelijk voor een centrale rechtspersoon met aangesloten ondernemingen om een centrale vergunning bij de AFM aan te vragen. Artikel 2:105 lid 3 Wft luidt:

“Voor de toepassing van de afdelingen 2.2.5, 2.2.6, 2.2.8, 2.2.9, 2.2.10, 2.2.11, 2.3.6 en 2.3.7 geldt het handelen en het nalaten te handelen van de aangesloten onderneming als het handelen onderscheidenlijk het nalaten te handelen van de rechtspersoon.”

4.5.

Het Kifid heeft overwogen dat HVA is aangesloten bij HVC en dat daardoor “het handelen en nalaten van HVA inzake het adviseren van financiële producten en de bemiddeling daarin” op grond van artikel 2:105 lid 3 Wft geldt als het handelen en nalaten van HVC. Naar HVC terecht stelt betekent dat in feite dat het Kifid een civielrechtelijke risicoaansprakelijkheid van de centrale vergunninghouder aanneemt voor onrechtmatig handelen van de bij haar aangesloten ondernemingen.

4.6.

De rechtbank komt hierover tot de volgende beoordeling. Vooropgesteld wordt dat HVA een van HVC te onderscheiden rechtspersoon is; zij vormt immers ondanks haar (franchise)relatie tot HVC geen orgaan van HVC. Voor de vraag of het handelen van [naam medewerker] /HVA aan HVC moet worden toegerekend moet daarom worden beoordeeld of de frauduleuze gedragingen in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als het handelen van HVC, dan wel aan haar kunnen worden toegerekend, zodat HVC civielrechtelijk als dader van de onrechtmatige daad respectievelijk wanprestatie kan worden aangemerkt. Daarbij is de vraag of het bepaalde in artikel 2:105 lid 3 Wft deze civielrechtelijke aansprakelijkheid met zich brengt.

4.7.

Afdeling 2.2.5 Wft betreft het aanbieden van beleggingsobjecten. Afdeling 2.2.6 geeft regels over het aanbieden van krediet. Afdeling 2.2.8 betreft het adviseren over andere financiële producten dan financiële instrumenten. Afdeling 2.2.9 betreft bemiddelen en Afdeling 2.2.10 herverzekeringsbemiddelen. Afdeling 2.2.11 is getiteld “Optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent”. Deze afdelingen hebben steeds dezelfde structuur: zij bevatten vergunningsplichten en –eisen, uitzonderingen op de vergunningsplicht en een vrijstellingsregeling, maar geen regeling met betrekking tot civiele aansprakelijkheid.

Afdeling 2.3.6. “Bemiddelen in verzekeringen” en afdeling 2.3.7 “Herverzekeringsbemiddelen” geven regels voor de situatie dat een bemiddelaar in verzekeringen (respectievelijk herverzekeringen) met zetel in Nederland voornemens is vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor te bemiddelen in verzekeringen (dan wel herverzekeringen). Ook in deze afdelingen is geen bepaling inzake civiele aansprakelijkheid opgenomen.

4.8.

Gezien dit wettelijk systeem is duidelijk dat de strekking van artikel 2:105 lid 3 Wft is, dat met “het handelen en het nalaten te handelen van de aangesloten onderneming” is bedoeld het handelen of nalaten dat relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de in de afdelingen 2.2.5-2.2.11 van de Wft bedoelde vergunningsplichten en –eisen en de in afdeling 2.3.6 en 2.3.7 Wft bedoelde meldingsplichten. Het gaat met andere woorden om een toezichtrechtelijke en niet een civielrechtelijke aansprakelijkheid van de centrale vergunninghouder voor de aangesloten ondernemingen.

4.9.

Dit oordeel vindt steun in de wetsgeschiedenis, waarin de wetgever overwoog dat de houder van een collectieve vergunning over voldoende statutaire bevoegdheden jegens de bij hem aangesloten ondernemingen moet beschikken “om gedragingen van een aangesloten onderneming tegen te kunnen gaan die in strijd zijn met de in het derde lid genoemde bepalingen” en dat de toezichthouder de collectieve vergunninghouder een aanwijzing kan geven voor gedragingen of nalaten van een bij die vergunninghouder aangesloten instelling, maar alleen “uiteraard voorzover het gaat om een normovertreding die op grond van de wet [bedoeld is: de Wft] aan de collectieve vergunninghouder kan worden toegerekend (…).” (Vierde NvW, Kamerstukken II 2005–2006, 29 708, nr. 19, p. 469 en 471).

4.10.

Een ruimere strekking zoals door het Kifid aangenomen, die neerkomt op een civielrechtelijke risicoaansprakelijkheid van de centrale vergunninghouder (een rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 2:105 lid 1), in dit geval HVC, voor het handelen en nalaten van een bij die rechtspersoon aangesloten onderneming (in dit geval HVA) inzake “het adviseren van financiële producten en de bemiddeling daarin” kan in artikel 2:105 lid 3 Wft niet worden gelezen. Of een franchisegever in civielrechtelijke zin aansprakelijk is voor het handelen of nalaten van een franchisenemer moet in een concreet geval worden beoordeeld aan de hand van de desbetreffende civielrechtelijke maatstaf. Daarbij kan een verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:105 Wft een relevante omstandigheid zijn, bijvoorbeeld als een aangesloten onderneming niet voldoet aan de vergunningseisen en derden daardoor schade lijden, maar dat is niet noodzakelijkerwijs het geval.

4.11.

Het zojuist gegeven oordeel betekent evenwel niet dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is. Deze is namelijk te ruim geformuleerd. In de eerste plaats is dat zo omdat [naam medewerker] daarin wordt genoemd en [naam medewerker] geen aangesloten onderneming is in de zin van artikel 2:105 Wft. Bovendien kan de vraag of het frauduleuze handelen van [naam medewerker] aan HVA kan worden toegerekend in dit geding niet worden beslist.
In de tweede plaats is de gevorderde verklaring voor recht ook met betrekking tot het handelen van HVA te vergaand, nu HVC een verklaring van afwezigheid van “risicoaansprakelijkheid” eist. Overwogen is reeds dat als een aangesloten onderneming bijvoorbeeld niet voldoet aan de vergunningseisen en derden daardoor schade lijden, dat civielrechtelijke aansprakelijkheid van de centrale vergunninghouder jegens die derde kan doen ontstaan.

Anders gezegd: uit artikel 2:105 lid 3 Wft kan niet worden afgeleid dat de centrale vergunninghouder voor het handelen en nalaten van een bij die rechtspersoon aangesloten onderneming inzake “het adviseren van financiële producten en de bemiddeling” altijd civielrechtelijk aansprakelijk is. Maar die bepaling kan wel meebrengen dat de centrale vergunninghouder naast de aangesloten onderneming aansprakelijk is voor een fout bij het door de aangesloten onderneming “adviseren van financiële producten en de bemiddeling”, indien die fout wordt veroorzaakt doordat de aangesloten onderneming niet voldoet aan de in artikel 2:105 lid 3 Wft bedoelde vergunningsplichten en –eisen. De gevorderde verklaring voor recht is met betrekking tot een risicoaansprakelijkheid van HVC voor HVA dus te algemeen geformuleerd. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.

4.12.

Nu HVC geen proceskostenveroordeling heeft gevorderd en [gedaagden] zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zal de rechtbank de kosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,
|

5.2.

compenseert de kosten tussen partijen, met dien verstande dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. C. Bakker en mr. M. Haentjens en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.1

1 type: RHCJ coll: