Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5387

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
C/13/686651 / FA RK 20-4253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzing verzoek van de pleeg/stiefmoeder tot beeindiging gezag moeder. Ontvankelijkheid op grond van artikel 1:267 BW; bedreigde ontwikkeling;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Amsterdam

Zaakgegevens : C/13/686651 / FA RK 20-4253

datum uitspraak: 4 november 2020

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

[de moeder] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te [woonplaats] ,

betreffende de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

[de moeder] , wonende te [woonplaats] , is de (biologische) moeder, hierna te noemen de moeder.

[de vader] , de vader, is op [overlijdensdatum] 2019 overleden.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de pleegmoeder ingekomen bij de griffie op 6 juli 2020;

- het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen bij de griffie op 1 september 2020.

1.2

Op 6 oktober 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: de pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.J.M. Kleiweg, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. J. van Koesveld, en mevrouw [naam] namens de Raad.

1.3

De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft de rechtbank op 24 juli 2020 laten weten dat zij niet gehoord wil worden.

2 De feiten

2.1

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

2.2

Uit deze relatie is geboren:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006, hierna te noemen [minderjarige] .

2.3

De vader en de moeder waren samen met het ouderlijk gezag belast. Wegens het overlijden van de vader wordt het ouderlijk gezag over [minderjarige] nu alleen uitgeoefend door de moeder.

2.4

[minderjarige] woont sinds dat zij een paar maanden oud is bij haar vader en zijn partner, de pleegmoeder. Vanaf het moment van overlijden van de vader woont zij tot op heden alleen bij de pleegmoeder.

3 Het verzoek en het verweer

3.1

De pleegmoeder verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en haar tot voogd over [minderjarige] te benoemen.

3.2

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de pleegmoeder en verzoekt de rechtbank het verzoek af te wijzen.

Bij zelfstandig verzoek verzoekt de moeder:

- haar samen met de pleegmoeder met het ouderlijk gezag te belasten op grond van

artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW);

- een informatieregeling vast te stellen waarbij de pleegmoeder wordt verplicht periodiek

over belangrijke aangelegenheden over [minderjarige] te berichten aan moeder.

4 De standpunten

4.1

De pleegmoeder heeft het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. [minderjarige] is een paar maanden na haar geboorte bij de vader en de pleegmoeder komen wonen omdat de moeder op dat moment niet in staat was voor [minderjarige] te zorgen. [minderjarige] is sindsdien door de pleegmoeder en de vader opgevoed en [minderjarige] ziet de pleegmoeder als haar moeder. Vanaf dat [minderjarige] zes jaar oud is heeft zij geen enkel contact meer gehad met haar biologische moeder.

De pleegmoeder is van mening dat de huidige situatie ongewenst is. [minderjarige] wil bij pleegmoeder blijven wonen, maar pleegmoeder heeft geen enkele juridische zeggenschap over [minderjarige] terwijl de moeder, waar [minderjarige] geen contact mee wil hebben, het gezag heeft. Gelet hierop verzoekt de pleegmoeder het gezag van de moeder te beëindigen en haar tot voogd over [minderjarige] te benoemen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de pleegmoeder toegevoegd niets te zien in het voorstel van de moeder om samen met de moeder belast te worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De pleegmoeder verklaart dat er geen enkele vorm van communicatie tussen hen is en gezamenlijk gezag ook niet in het belang is van [minderjarige] . Daarnaast wordt ook niet voldaan aan de wettelijke gronden en voorwaarden zoals gesteld in artikel 1:253t BW. Wel is de pleegmoeder bereid om eenmaal per drie maanden de moeder van informatie over [minderjarige] te voorzien.

4.2

De moeder voert aan dat zij de afgelopen jaren steeds heeft geprobeerd met [minderjarige] in contact te komen. De moeder stelt dat door de houding van de vader, die fel tegen contact tussen haar en [minderjarige] was, contact niet mogelijk bleek. De vader heeft nooit uitvoering gegeven aan de door de rechtbank opgelegde omgangsregeling. Om [minderjarige] niet in een loyaliteitsconflict te brengen en te belasten, heeft de moeder steeds een afwachtende houding aangenomen. De moeder stelt dat na het overlijden van de vader er sprake is van een belangrijke wijziging in de situatie. De moeder hoopt dat er nu ruimte ontstaat voor contact tussen haar en [minderjarige] . De moeder benadrukt dat er geen enkele discussie kan bestaan over het feit dat [minderjarige] bij de pleegmoeder blijft wonen. Zij wil alleen niet helemaal uit beeld verdwijnen en wil nog een rol van betekenis in het leven van [minderjarige] spelen. De moeder geeft aan dat zij het gevoel heeft dat als zij instemt met een beëindiging van het gezag, zij haar dochter opgeeft.

Gelet hierop verzoekt de moeder de rechtbank om samen met de pleegmoeder belast te worden met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] . Verder verzoekt de moeder de rechtbank een informatieregeling vast te stellen.

4.3

De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de huidige situatie, waarbij [minderjarige] bij de pleegmoeder woont en geen contact heeft met haar biologische moeder, al gedurende lange tijd bestaat. Ook is [minderjarige] heel stellig in haar mening dat ze geen contact met haar biologische moeder wil hebben. De Raad voert aan dat door het niet hebben van contact tussen de moeder en [minderjarige] het moeilijk is om het ouderlijk gezag op een goede manier te kunnen uitoefenen. Daarnaast is het een belemmering dat er geen enkele vorm van communicatie tussen de moeder en de pleegmoeder is. De Raad geeft aan dat hopelijk in de loop van de tijd [minderjarige] nieuwsgierig wordt naar haar biologische moeder en er enige vorm van contact tot stand komt. Het afdwingen van contact is niet in het belang van [minderjarige] , mede gelet op haar leeftijd. De Raad merkt op dat het van belang is dat [minderjarige] weet dat bij haar biologische moeder de deur altijd open staat. Ook is het van belang dat er een informatieregeling wordt vastgesteld waarbij de moeder op de hoogte wordt gesteld door de pleegmoeder van de gewichtige aangelegenheden in het leven van [minderjarige] . De Raad ondersteunt het verzoek tot beëindiging van het gezag van de pleegmoeder.

5 De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

5.1

In artikel 267, eerste lid, van het BW is bepaald dat beëindiging van het gezag kan worden uitgesproken op verzoek van de Raad of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot een verzoek overgaat. In deze regeling dienen de pleegouders eerst de Raad te verzoeken tot het indienen van een verzoek tot gezagsbeëindiging; indien de Raad niet tot een verzoek overgaat, zijn zij ontvankelijk in hun verzoek.

5.1.1

De rechtbank is van oordeel dat de pleegmoeder ontvankelijk is in haar verzoek ondanks dat zij niet eerst de Raad heeft verzocht tot het doen van onderzoek. De nu veertien jarige [minderjarige] woont al sinds dat zij enkele maanden oud is bij de pleegmoeder die haar verzorgt en opvoedt. Daarnaast heeft de Raad tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek nu er al veel bekend is en raadsonderzoek geen nieuwe gezichtspunten op zal leveren. De Raad ondersteunt het verzoek van de pleegmoeder tot beëindiging van het gezag. Onder deze uitzonderlijke omstandigheden brengt een redelijke wetsuitleg mee dat pleegmoeder ontvankelijk is in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

5.2

Ingevolge artikel 1:266, eerste lid, sub a van het BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.2.1

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de moeder na de geboorte van [minderjarige] niet in staat was om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. Verder blijkt dat [minderjarige] sinds enkele maanden na haar geboorte is opgenomen in het gezin van, de inmiddels overleden, vader en pleegmoeder, waar zij tot op heden woont en waar zij zich positief ontwikkelt. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij bij pleegmoeder wil blijven wonen met wie zij een gehechtheidsrelatie heeft.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er al jarenlang, vanaf dat [minderjarige] zes jaar oud is, geen contact is tussen [minderjarige] en de moeder en dat [minderjarige] geen contact wil hebben met moeder. Hieruit volgt dat er bij [minderjarige] een loyaliteitsconflict kan zijn ontstaan hetgeen dan een ernstige bedreiging vormt voor haar ontwikkeling. Ook blijkt dat er geen enkele vorm van communicatie is tussen de moeder en de pleegmoeder.

5.2.2

De situatie zoals die is gegroeid is een uitzonderlijke. [minderjarige] woont al bijna haar hele leven bij haar vader en pleegmoeder. Omdat haar vader onlangs is overleden, ligt het gezag nu bij moeder alleen. Dat is niet wenselijk, de feitelijk situatie strookt niet met de juridische. Het is voor de rust van [minderjarige] van belang dat pleegmoeder de beslissingen over [minderjarige] kan nemen. Bovendien is de moeder niet in staat gebleken de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, mede door de opstelling van [minderjarige] naar de moeder toe. Deze termijn is reeds lang geleden verstreken.

5.2.3

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen. Daarmee wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke.

5.2.4

Voor het verzoek van de moeder tot vaststelling van gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW ziet de rechtbank geen aanleiding, nu dit verzoek gezamenlijk door beide partijen moet worden ingediend. Daarvan is in dit geval geen sprake. Daarbij heeft de pleegmoeder tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht niets te voelen voor gezamenlijk gezag. Ook is er geen enkele vorm van contact of communicatie tussen de pleegmoeder en moeder. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5.2.5

De rechtbank overweegt dat door de gezagsbeëindiging sprake is van een inmenging in het familie- en gezinsleven van [minderjarige] en moeder, zoals bedoeld in artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze inmenging in het familie- en gezinsleven is evenwel bij de wet voorzien en, gelet op het voorgaande, noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De inmenging in het familie- en gezinsleven van [minderjarige] en de moeder is derhalve gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van [minderjarige] .

5.2.6

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over haar te benoemen. De rechtbank acht het van belang dat de belangen van de minderjarige door de pleegmoeder worden behartigd nu zij al vanaf enkele maanden na de geboorte de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich heeft genomen. De pleegmoeder heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de pleegmoeder moet worden belast met de voogdij.

5.2.7

De rechtbank overweegt dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet betekent dat de moeder geen rol van betekenis meer in het leven van [minderjarige] zal kunnen hebben. Moeder is en blijft de biologische moeder van [minderjarige] . Mogelijk is in de toekomst een vorm van contact tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk, indien [minderjarige] aangeeft dit te willen. In dit verband heeft de moeder op de zitting benadrukt dat zij [minderjarige] graag wil leren kennen en dat haar deur voor [minderjarige] altijd open staat.

5.2.8

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de moeder recht heeft op informatie over de ontwikkeling van [minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de pleegmoeder zich bereid verklaard de moeder te informeren. Hieronder zal de wijze waarop de informatie door de pleegmoeder aan de moeder dient te worden verschaft, nader worden bepaald.

6 De beslissing


De rechtbank:

- beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] over voornoemde minderjarige [minderjarige] ;

- benoemt tot voogd over genoemde minderjarige:

 [de moeder], geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] ;

- bepaalt dat de pleegmoeder gehouden is de moeder eenmaal per drie maanden schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden (schoolprestaties, gezondheid, en activiteiten etc.) met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] , waarbij de schriftelijke informatie tenminste tweemaal per jaar vergezeld dient te gaan van een foto van [minderjarige] ;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. Duker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam