Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5372

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2020
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
C/13/668057 / HA ZA 19-652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0097
OR-Updates.nl 2021-0125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/668057 / HA ZA 19-652

Vonnis van 7 oktober 2020

in de zaak van

mr. ROBIN PIETER ALEXANDER DE WIT

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,

kantoorhoudende te Amsterdam,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. P.C. Nieuwenhuizen te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUNOMIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUCTIONISTA.CO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. K.E.H. de Klerk te Tilburg.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] in vrouwelijk enkelvoud (afzonderlijk [gedaagde 1] , Eunomia, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] ) genoemd worden. Gedaagden in conventie/eisers in reconventie sub 1 tot en met 5 zullen hierna gezamenlijk de bestuurders worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 7 juni 2019, met producties

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties

  • -

    het tussenvonnis van 19 februari 2020

  • -

    het proces-verbaal van de niet gehouden behandeling van 15 april 2020

  • -

    het proces-verbaal van de op 20 augustus 2020 gehouden comparitie van partijen, met de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het faxbericht van 4 september 2020 van mr. Van Veldhuizen met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    het faxbericht van 7 september 2020 van mr. Nieuwenhuizen met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 juli 2003 is de [volledige naam stichting] (hierna: STDD) opgericht met als bestuurders [gedaagde 4] en [gedaagde 5] . Artikel 2 van de statuten van STDD luidt, voor zover hier relevant:

“1. Het doel van de stichting is:

a. het ontvangen van gelden en andere vermogensbestanddelen ten behoeve van rechthebbenden (…);

b. het tijdelijk beheren van hetgeen de stichting heeft ontvangen, één en ander voor rekening en risico van de rechthebbende (…)’

c. het betalen of overdragen van hetgeen de stichting heeft ontvangen aan de rechthebbende (…);

2. De stichting zal de hiervoor bedoelde werkzaamheden zodanig verrichten dat de door de stichting beheerde gelden en andere vermogenswaarden te allen tijde gescheiden zijn en blijven van het vermogen van (…) [eiser] B.V. (…) (“de vennootschap”), de aandeelhouders van de vennootschap en diegenen die bij de vennootschap werkzaam zijn. (…)”

2.2.

[eiser] B.V. (hierna: [eiser] ), een online veilingbureau, is op 23 december 2010 opgericht. De opdrachtgevers van [eiser] waren veelal curatoren die via het online platform van [eiser] bedrijfsmiddelen en voorraden van failliete ondernemingen verkochten aan zowel particulieren als bedrijven. Voor de oprichting van [eiser] fungeerde [gedaagde 1] (vanaf 2003) als werkmaatschappij. Sinds de oprichting van [eiser] is [gedaagde 1] bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] . [gedaagde 4] (via Eunomia) en [gedaagde 5] (via [gedaagde 3] ) zijn aandeelhouders, indirect bestuurders en feitelijk leidinggevenden van [gedaagde 1] en daarmee ook van [eiser] .

2.3.

[eiser] was een logistiek bedrijf en hield zich bezig met het verrichten van fysieke verkoopactiviteiten, zoals het veiligstellen en schoonmaken van activa, het transport en de opslag, en het daadwerkelijk verkopen en het uitleveren van de verkochte activa. [eiser] sloot daartoe met haar opdrachtgever een bemiddelingsovereenkomst met betrekking tot het tot stand brengen van koopovereenkomsten. [eiser] had voor die werkzaamheden recht op een een commissie van 10% over de gerealiseerde veilingopbrengst en opgeld van 16% over de koopsom.

2.4.

De algemene voorwaarden van [eiser] maakten onderdeel uit van de bemiddelingsovereenkomst. Artikel 6 van de (tot de hierna te noemen aanpassing van de bedrijfsprocessen geldende) algemene voorwaarden luidde:

“6.1 Voor de door [eiser] verrichte diensten is Verkoper een vergoeding, bestaande uit een tussen [eiser] en Verkoper overeen te komen percentage over de omzet van de veiling, te vermeerderen met omzetbelasting, aan [eiser] verschuldigd. Voorts is [eiser] gerechtigd de door [eiser] gemaakte bijkomende kosten die betrekking hebben op de veiling van de Zaken van Verkoper bij Verkoper in rekening te brengen (bijvoorbeeld schoonmaakkosten, reiskosten, bewaar- en opstalkosten etc.).

6.2

Na het sluiten van een veiling worden op een door [eiser] vast te stellen tijdstip automatisch facturen verzonden naar de Kopers. Deze facturen worden geïnd op de bankrekening van [volledige naam stichting] B.V.

6.3

[eiser] stelt na de ophaaldag de eindafrekening op. In deze eindafrekening is een lijst van de verkochte Kavels opgenomen met daarbij de veilingopbrengst van elke Kavel. [eiser] bewerkstelligt vervolgens dat de opbrengst onder aftrek van de in lid 1 van dit artikel aan [eiser] toekomende bedragen vanaf de bankrekening van [volledige naam stichting] B.V. worden overgemaakt naar de bankrekening van Verkoper. [eiser] is te allen tijde gerechtigd te bewerkstelligen dat door Verkoper aan [eiser] toekomende bedragen vanaf de bankrekening van de [volledige naam stichting] B.V. rechtstreeks aan [eiser] worden overgemaakt ter voldoening van vorderingen van [eiser] . Voorts is [eiser] te allen tijde gerechtigd vorderingen van [eiser] te verrekenen met aan Verkoper verschuldigde bedragen.

6.4

Het overmaken van de opbrengst van de veiling aan Verkoper, zoals omschreven in artikel 6.3, vindt in beginsel plaats binnen zeven dagen nadat Verkoper de eindafrekening van [eiser] ontvangen heeft.”

2.5.

Bij brief van 7 februari 2017 heeft ING Bank STDD, als rekeninghouder van een zakelijke rekening waarvan in de tenaamstelling de term ‘derden’ of ‘derdengelden’ stond, erop gewezen dat een notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder verplicht is derdengelden te beheren op een speciale derdengeldrekening en STDD verzocht om de tenaamstelling van haar zakelijke rekening te wijzigen in het geval STDD geen notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder is en geen derdengelden mag beheren.

2.6.

Naar aanleiding van de onder 2.5 genoemde brief van ING heeft STDD besloten te stoppen met het incasseren van de verkoopopbrengsten op een derdengeldrekening, zichzelf op te heffen en haar bankrekening over te zetten naar [eiser] , in die zin dat de rekening op naam zou worden gezet van [eiser] Services, een handelsnaam van [eiser] .

2.7.

Bij e-mailbericht van 25 juli 2017 heeft [gedaagde 4] aan de medewerkers van [eiser] het volgende bericht:

“(…) [eiser] (…) mag dus geen stichting derdengelden beheren. We zullen de wet moeten volgen en daarom hebben besloten de naam aan te passen van de rekening.
Per vandaag hebben we de algemene voorwaarden voor zowel kopers als verkopers aangepast alsmede vermeldingen op de website met betrekking tot de stichting beheer derdengelden. De naam van de bankrekening is gewijzigd in “ [eiser] services” zodat we wel dezelfde rekeningnummers kunnen blijven gebruiken.
@Sales hou er rekening mee dat met offertes en opdrachtbevestigingen de nieuwe algemene voorwaarden worden gestuurd. (…) Controleer tevens de offertes of hierin stichting beheer derdengelden staat vermeld. (…)”

2.8.

De betalingen tussen [eiser] en STDD werden verwerkt in een rekening-courant verhouding die aanvankelijk werd geadministreerd onder grootboekrekening 1450. In 2013 is een schuld ontstaan van [eiser] aan STDD, die in de jaren nadien is opgelopen. In de loop van 2017 is grootboekrekening 1450 gesloten met een schuld van [eiser] aan STDD van

€ 712.973,04.

2.9.

Op 30 augustus 2017 is in verband met de beoogde liquidatie van STDD grootboekrekening 1445 in gebruik genomen waarin de rekening-courantverhouding tussen [eiser] en [eiser] Services werd verwerkt. Op deze grootboekrekening stond per ultimo 2017 een schuld aan van [eiser] aan [eiser] Services van € 42.414,60 vermeld.

2.10.

Op 1 oktober 2017 is de tenaamstelling van de zakelijke rekening van STDD, waarop op dat moment een creditsaldo van € 21.672,01 stond, gewijzigd in [eiser] Services.

2.11.

Bij bestuursbesluit van 25 oktober 2017 is STDD ontbonden.

2.12.

Het bestuur van [eiser] heeft in november 2017 twee presentaties gegeven om investeerders in [gedaagde 1] aan te trekken. Daarbij was uitgangspunt dat het bedrijfsmodel van [eiser] zou moeten worden aangepast om verder te kunnen groeien.

2.13.

In januari 2018 is er een presentatie gegeven voor het businessmodel van een nieuw op te richten onderneming ‘Auctionista.co’, een veilingplatform zonder veilingmeesters, waarbij de nadruk zou liggen op self service door opdrachtgevers. In februari 2018 is Auctionista daadwerkelijk opgericht, met [gedaagde 4] en [gedaagde 5] als (middellijk) bestuurders en aandeelhouders.

2.14.

Bij e-mail van 20 februari 2018 heeft [gedaagde 4] aan een werknemer van een dochtervennootschap van [gedaagde 1] bericht, voor zover hier relevant:

“(…) Op dit moment wordt er met man en macht gewerkt door een softwareontwikkelaar om het nieuwe Auctionista platform in de lucht te krijgen. Een platform dat ervoor zorgt dat de opdrachtgever in control is dat er tevens voor zorgt dat de opdrachtgever de hem toekomende opbrengsten zo mogelijk al op de dag na uitlevering overgemaakt krijgt.

De financiering van dit platform wordt grotendeels gedragen door externe financiers daarnaast verschaffen Bairbre ( [gedaagde 5] , rb) en ik (met geleend geld) een deel van de financiering. Ondanks onze lange en intensieve pogingen om [eiser] te financieren zijn al die pogingen op niets uitgelopen helaas. De telkens opverende en dan weer terugzakkende omzet en de andere legacy maakt financiers terughoudend. De financiers in het nieuwe platform hebben als voorwaarde dat de nieuwe technologie in een nieuwe entiteit wordt ondergebracht. Als we een andere beslissing hadden genomen zouden we de handdoek direct in de ring moeten gooien. (…)

Waar we nu mee bezig zijn moet er niet alleen voor zorgen dat er een geliefd, transparant, voordelig en snel betalend alternatief voor onze concurrenten komt maar tevens dat [eiser] in zijn voortbestaan wordt gegarandeerd. Auctionista gaat niet zelf veilingen organiseren. Auctionista is alleen een platform voor veilingaanbieders zoals [eiser] , maar ook velen anderen (…).

We zijn van mening hiervoor een winstgevend model voor [eiser] te hebben gevonden. Veel partijen willen of kunnen immers niet zelf veilingen organiseren en zullen [eiser] of een andere Auctionista inhuren om een veiling te organiseren. (…)”

2.15.

Op 19 maart 2018 heeft [eiser] een mailing aan haar klanten gestuurd, waarin staat, voor zover hier relevant:

“We hebben geweldig nieuws, via deze mail willen wij u voorstellen aan het nieuwe platform dat wij gaan betreden met onze veilingen.

Onze veilingen brengen wij vanaf datum onder bij auctionsta.co, ondersteunende diensten bieden wij uiteraard nog steeds aan via [eiser] . Wij worden de eerste grote klant van auctionista.co. Onze ervaren [eiser] veilingmeesters zullen nog steeds veilen en onze vertrouwde klantenservice zal u nog steeds te woord staan. De voordelen liggen bij u!

[eiser] zal zich nu gespecificeerd richten op het aanbieden van ondersteunende diensten waardoor de kwaliteit daarvan aanzienlijk zal uitbreiden! (…)

Het account wat u had op onze website kan direct worden gebruikt op auctionista.co, dit betekent dat u gebruikersnaam en wachtwoord hetzelfde zijn. (…)”

2.16.

Bij e-mail van 20 maart 2018 heeft [gedaagde 5] aan diverse personeelsleden van [eiser] bericht, voor zover hier relevant:

“(…) Even een update (…) vooral ivm voortgang [eiser] en Auctionista. (…)
Site is anders natuurlijk maar heel herkenbaar, heel veel elementen overgenomen van daanauctions, voor snelheid van release (…)”

2.17.

Op 22 maart 2018 is de website van Auctionista live gegaan. Daaraan voorafgaand heeft [gedaagde 5] bij e-mail van 22 maart 2018 aan diverse personeelsleden bericht, voor zover hier relevant:

“(…) 1. Aub GEEN FACTUREN aanmaken (…) tot nader bericht, morgen komt factuur model erbij (…)”

2.18.

Op 30 maart 2018 hebben twee schuldeisers verzocht om [eiser] failliet te verklaren. Bij vonnis van 17 april 2018 is [eiser] failliet verklaard met benoeming van de curator als zodanig.

2.19.

Bij brieven van 26 juni 2018 heeft de curator [gedaagde 1] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort van [eiser] .

2.20.

Op 24 mei 2019 heeft de curator conservatoir beslag doen leggen op de onverdeelde helft van de woning van [gedaagde 4] en op de woning van [gedaagde 5] .

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De curator vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:

Ia. te verklaren voor recht dat de bestuurders op grond van artikel 2:248 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort van [eiser] ;

Ib. hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van het boedeltekort, op te maken bij staat;

IIa. te verklaren voor recht dat de bestuurders op grond van artikel 2:9 BW jo. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade;

IIb. primair: hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van het boedeltekort, op te maken bij staat;

IIc. subsidiair: hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van € 150.000,-- als vergoeding voor de onder IIa geleden schade;

IIIa. te verklaren voor recht dat de bestuurders op grond van artikel 6:162 BW jo. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade;

IIIb. primair: hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van het boedeltekort, op te maken bij staat;

IIIc. subsidiair: hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van € 150.000,-- als vergoeding voor de onder IIIa geleden schade;

IV. hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van een voorschot van
€ 700.000,-- op het onder Ib en/of IIb en/of IIIb gevorderde bedrag ;

Va. te verklaren voor recht dat de rechtshandelingen die ten grondslag liggen aan de overdracht van bedrijfsactiviteiten en/of de database van [eiser] aan Auctionista kwalificeren als paulianeuze rechtshandelingen, primair op grond van artikel 42 Faillissementswet (Fw) en subsidiair op grond van artikel 47 Fw, die reeds buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans deze alsnog te vernietigen;

Vb. veroordeling van Auctionista tot betaling van € 150.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

VI. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, waaronder de beslagkosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

De curator legt – kort gezegd – de volgende verwijten aan zijn vorderingen op de bestuurders en Auctionista ten grondslag.
a. gebruik geoormerkte gelden

[eiser] had op grond van de door haar met haar opdrachtgevers gesloten bemiddelingsovereenkomsten slechts aanspraak op de overeengekomen commissie en het opgeld. Na aftrek van de commissie en het opgeld diende het restant van de koopsom (‘de geoormerkte gelden’) te worden afgedragen aan de opdrachtgevers. [eiser] is echter vanaf 2013, buiten medeweten van haar opdrachtgevers, die in de veronderstelling verkeerden dat hun gelden veilig stonden bij STDD, de geoormerkte gelden gaan gebruiken voor de financiering van haar eigen bedrijfsactiviteiten. In totaal is bijna € 1,3 miljoen aan geoormerkte gelden door [eiser] gebruikt om haar sterk verlieslatende activiteiten te financieren.
b. het te lang voortzetten van de bedrijfsactiviteiten van [eiser]

Vanaf 2013 werden door [eiser] jaarlijks substantiële verliezen geleden, wat resulteerde in een negatief eigen vermogen van € 1.504.908,-- per ultimo 2017. [eiser] is uitsluitend in staat geweest haar bedrijfsactiviteiten voort te zetten door de geoormerkte gelden, die toebehoorden aan haar opdrachtgevers, jarenlang onrechtmatig te gebruiken. De bestuurders hadden ervoor moeten kiezen om de bedrijfsactiviteiten te staken toen duidelijk was dat er geen geld was om de verliezen te financieren. Als de bedrijfsactiviteiten tijdig waren gestaakt, zou de huidige schuldenlast niet zijn ontstaan.
c. overdragen bedrijfsactiviteiten

Begin 2018 is een nieuwe groepsstructuur opgezet van waaruit de veilingactiviteiten van Auctionista werden geëxploiteerd. Als gevolg daarvan kwam de omzet die werd gegenereerd met deze activiteiten niet langer binnen bij [eiser] . [eiser] werd aldus van haar voornaamste inkomstenbron afgesneden. Daarbij komt dat [eiser] geen koopsom heeft ontvangen voor het overdragen van de veilingactiviteiten, ondanks dat de goodwill en de immateriële activa wel een substantiële waarde vertegenwoordigden. Aldus is door [gedaagde] een sterfhuisconstructie opgezet.

d. opheffen STDD

Door de wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening van STDD werd het aanwezige creditsaldo feitelijk overgedragen aan [eiser] en werden de veilingopbrengsten niet meer door STDD ontvangen. [eiser] had een kredietfaciliteit bij ING Bank, waarbij ING Bank onder meer het recht had om de saldi van diverse bankrekeningen van [eiser] , waaronder die op naam van [eiser] Services, met elkaar te verrekenen. Zo kon het creditsaldo op de rekening van [eiser] Services worden verrekend met het debetsaldo van [eiser] en kwam het bedrag dat toebehoorde aan de opdrachtgevers van [eiser] in eerste instantie alleen ten goede aan ING Bank. Voor zover de opdrachtgevers voorheen nog werden beschermd door het gebruik van STDD, kwam deze veiligheid te vervallen. De opdrachtgevers zijn niet geïnformeerd over het ontbinden van STDD en waanden zich ten onrechte nog veilig. Op briefpapier en in de algemene voorwaarden behorende bij de opdrachtbevestigingen die na de ontbinding van STDD werden getekend werd veelvuldig nog verwezen naar STDD.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de curator tot betaling van € 62.500,--, vermeerderd met rente en kosten.

3.6.

Daartoe stelt [gedaagde] dat [gedaagde 4] als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag op zijn woning (zie onder 2.20) schade heeft geleden, bestaand uit de boete die hij verschuldigd is geworden omdat hij vanwege het gelegde beslag zijn verkochte woning niet heeft kunnen leveren.

3.7.

De curator voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

de vorderingen tegen de bestuurders op grond van artikel 2:248 lid 1 BW (hiervoor onder 3.1.Ia en Ib)

4.1.

De curator legt tegen de achtergrond van de hiervoor onder 3.2 opgesomde verwijten aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. De jaarrekeningen 2014 - 2016 van [eiser] zijn te laat gedeponeerd. De jaarrekening 2014 had uiterlijk op 31 januari 2016 gedeponeerd moeten worden, maar is gedeponeerd op 29 april 2016. De jaarrekening 2015 is niet binnen 8 dagen na vaststelling daarvan op 31 december 2016 gedeponeerd, maar pas op 31 januari 2017. De jaarrekening 2016 had, uitgaande van een uiterste deponeringsdatum van 12 maanden, uiterlijk op 31 december 2017 gedeponeerd moeten worden en is gedeponeerd op 24 januari 2018. Dergelijke lange termijnoverschrijdingen kwalificeren niet als een onbelangrijk verzuim. Nu hiervoor door de bestuurders geen legitieme reden is gegeven, staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [eiser] (artikel 2:248 lid 2 BW).

Daarnaast is er sprake van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van [eiser] door samengevat (1) gebruik te maken van de aan de opdrachtgevers toebehorende geoormerkte veilingopbrengsten voor de financiering van de bedrijfsactiviteiten van [eiser] in plaats van met de bedrijfsactiviteiten te stoppen (zie onder 3.2 a en b) en (2) de bedrijfsactiviteiten van [eiser] om niet over te dragen aan Auctionista (zie onder 3.2 c). Geen redelijk denkend bestuurder had onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld.

Op grond van het voorgaande is iedere bestuurder ingevolge artikel 2:248 leden 1 en 2 BW juncto artikel 2:394 BW juncto artikel 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort.

4.2.

De bestuurders voeren het volgende verweer. De jaarrekeningen 2014 en 2016 zijn inderdaad te laat gedeponeerd, maar dat is veroorzaakt door een wisseling van boekhouder in 2015 en in 2016 door een fout van de boekhouder die simpelweg was vergeten de jaarrekening tijdig te deponeren. Gezien de korte termijnoverschrijdingen is er echter sprake van een onbelangrijk verzuim. Bovendien is niet het te laat deponeren van de jaarrekeningen een belangrijke oorzaak van het faillissement, maar de snel veranderende markt en het onvoldoende kunnen inspelen daarop.

Op grond van de met de opdrachtgevers gesloten bemiddelingsovereenkomsten en artikel 6 van haar algemene voorwaarden was [eiser] gerechtigd om ‘redelijk vrij’ te beschikken over de veilingopbrengsten die bij STDD werden geïncasseerd. [eiser] beschikte niet over een kwaliteitsrekening zoals een advocaat, notaris of deurwaarder die heeft; van enig ‘oormerken’ van gelden was dan ook geen sprake. [eiser] heeft in verband met de brief van ING Bank van 7 februari 2017 en de op handen zijnde ontbinding van STDD haar bedrijfsprocessen aangepast, in die zin dat in haar overeenkomsten met opdrachtgevers werd gecommuniceerd dat de veilingopbrengsten voortaan niet langer op een bankrekening van STDD maar op een bankrekening van [eiser] zelf werden geïncasseerd. Op een enkele uitzondering na zijn klanten steeds goed geïnformeerd. Anders dan de curator stelt zijn de schuldeisers door deze overzetting niet benadeeld, maar zijn hun belangen juist beschermd. Door het samenvoegen van de banktegoeden op één rekening kwam [eiser] (en kwamen daarmee haar gezamenlijke schuldeisers) namelijk in een betere positie terecht. [eiser] heeft bovendien in 2016, 2017 en 2018 een groot deel van haar klanten betaald. De post onbetaalde klanten, met wie was overeengekomen dat de verkoopopbrengst door STDD zou worden geïncasseerd, bedroeg uiteindelijk slechts € 183.272,52.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 2:248 lid 6 BW de vordering als bedoeld in artikel 2:248 BW slechts kan worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement, zodat de hier van belang zijnde periode voor de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is geweest aanvangt op 17 april 2015. Op grond van artikel 2:394 lid 1 BW dient de openbaarmaking van de jaarrekening plaats te vinden binnen acht dagen na de vaststelling. Verder geldt dat de jaarrekening 2016 ingevolge artikel 2:394 lid 3 BW uiterlijk twaalf maanden en de jaarrekeningen 2014 en 2015 ingevolge artikel 2:394 lid 3 BW oud uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar openbaar dienden te worden gemaakt.

Vaststaat dat de jaarrekening 2014 op 29 april 2016 (in plaats van uiterlijk op 31 januari 2016) is gedeponeerd. De jaarrekening 2015 is wel binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar vastgesteld (te weten op 31 december 2016), maar vervolgens niet binnen acht dagen na de vaststelling gedeponeerd (te weten op 31 januari 2017 in plaats van op 8 januari 2017). De jaarrekening 2016, die al op 11 oktober 2017 was vastgesteld, is op 24 januari 2018 (in plaats van uiterlijk op 31 december 2017) gedeponeerd.

Tussen partijen is niet in geschil dat vanwege voornoemde termijnoverschrijdingen sprake is van een verzuim. Wel is in geschil of dit verzuim als een onbelangrijk verzuim moet worden aangemerkt in de zin van artikel 2:248 lid 2 BW.

4.4.

Van een onbelangrijk verzuim is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen op grond van artikel 2:394 BW in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Als het, zoals hier, gaat om de overschrijding van de termijn van artikel 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het in het bijzonder afhangt van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid of sprake is van een onbelangrijk verzuim. Daarbij geldt dat hogere eisen aan die redenen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is. De stelplicht en bewijslast van deze redenen rusten op de aangesproken bestuurder.

4.5.

In het onderhavige geval is in de jaren 2014 en 2016 sprake van forse overschrijdingen, namelijk van enkele weken tot enkele maanden, zodat aan de redenen daarvoor hoge eisen moeten worden gesteld. Als verklaring voor de te late publicatie heeft [gedaagde] slechts gesteld dat er sprake was van een wisseling van boekhouder en een fout van de boekhouder. Nog daargelaten dat het de verantwoordelijkheid van het bestuur is, ook wanneer een boekhouder wordt ingeschakeld, om ervoor zorg te dragen dat de jaarrekening tijdig openbaar wordt gemaakt, heeft [gedaagde] die verklaring niet onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Zij heeft dan ook niet aangetoond dat de termijnoverschrijdingen als een onbelangrijk verzuim kunnen worden aangemerkt.

Nu het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:394 BW heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW).

Tegen dit wettelijke vermoeden kan [gedaagde] tegenbewijs leveren. Volgens vaste rechtspraak dient [gedaagde] , om dit wettelijke vermoeden te ontzenuwen, aannemelijk te maken dat andere van buitenaf komende feiten of omstandigheden dan haar kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde] hierin niet geslaagd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.6.1.

Ter ontzenuwing van het vermoeden heeft [gedaagde] gesteld dat er sprake was van een snel veranderende markt. Vooral vanwege een scherpe en onvoorspelbare terugval in het aantal faillissementen en daarmee haar opdrachten in de directe jaren voorafgaand aan het faillissement vielen de resultaten van [eiser] tegen. Het bestuur van [eiser] heeft vervolgens zijn verantwoordelijkheid genomen door een plan op te stellen met diverse maatregelen om te proberen de continuïteit van [eiser] te waarborgen. Zo heeft het bestuur van [eiser] sinds de terugval van de marktomvang focus gehouden op kostenreductie en het zoveel mogelijk vasthouden van bestaande omzet en getracht te investeren in externe kennis voor het aantrekken van financiering. Ondanks deze pogingen heeft zij uiteindelijk onvoldoende op de veranderende markt kunnen inspelen, aldus steeds [gedaagde]

4.6.2.

Dat het aantal faillissementen na 2013 (welk jaar een hoogtepunt in de markt vormde) is gedaald, is door de curator niet betwist. Anders dan [gedaagde] meent kan dat gegeven evenwel niet als belangrijke oorzaak van het in 2018 uitgesproken faillissement worden beschouwd. Met deze uitleg gaat [gedaagde] immers voorbij aan het (hoofd)verwijt dat de curator de bestuurders (ook) maakt, namelijk dat zij op de veranderende markt op een onjuiste wijze hebben ingespeeld door geen externe financiering aan te trekken of de bedrijfsvoering te stoppen en daarentegen te blijven ondernemen met gebruikmaking van geoormerkt geld. Dat aan opdrachtgevers toekomende gelden voor de bedrijfsvoering van [eiser] zijn ingezet en een belangrijke bron voor de financiering van [eiser] vormden heeft [gedaagde] niet betwist. De curator heeft, mede aan de hand van de door hem overgelegde overzichten van de grootboekrekeningen 1450 en 1455 uit 2016 en 2017, aangetoond dat regelmatig overboekingen van ronde bedragen werden gedaan van STDD naar [eiser] , en later van [eiser] Services naar [eiser] , die evident geen betrekking hadden op de afrekening van commissies en opgeld. Vaststaat dat volgens de administratie van [eiser] per datum faillissement een (vanaf 2013 opgelopen) schuld van [eiser] aan STDD bestond van € 712.973,-- en aan [eiser] Services van € 42.415,--, nog daargelaten twee debet boekingen (ten laste van STDD en [eiser] Services) in 2016 en 2017 van € 343.866,53 en € 196.000,-- waarvan de curator gemotiveerd betoogt dat deze ten onrechte zijn gedaan.

4.6.3.

De curator heeft er daarnaast op gewezen dat:
- al vanaf 2013 door [eiser] verliezen werden geleden en een negatief eigen vermogen is ontstaan, terwijl de markt voor [eiser] in dat jaar, met grote aantallen faillissementen, op een hoogtepunt verkeerde;

- in de daaropvolgende jaren het eigen vermogen van [eiser] verder is gedaald tot – in 2017 – een bedrag van meer dan € 1,5 miljoen, terwijl ook het werkkapitaal van [eiser] in dezelfde periode is afgenomen tot een negatief bedrag van € 754.000,--;

- de post openstaande crediteuren in dezelfde periode is toegenomen van circa € 114.000,-- eind 2013 tot € 443.000,-- eind 2017.

Dat [eiser] sinds 2013 financieel toenemend in zwaar weer verkeerde is aldus door de curator voldoende aangetoond.

4.6.4.

Desondanks heeft het bestuur, zonder dat concreet zicht op verbetering bestond (de recessie was immers ten einde en er bestond geen reële verwachting dat het aantal faillissementen weer zou oplopen), ervoor gekozen de bedrijfsvoering te blijven voortzetten met gebruikmaking van aan haar opdrachtgevers toekomende gelden. Juist deze keuze van de bestuurders heeft ervoor gezorgd dat de vorderingen van de crediteuren in de periode vanaf 2013 tot het faillissement zijn toegenomen. Door gebruik te maken van de veilingopbrengsten als werkkapitaal in plaats van die aan de opdrachtgevers af te dragen was voorzienbaar dat de schuldenlast van [eiser] zou oplopen en dat faillissement zou volgen. Dit gevaar heeft zich uiteindelijk ook gerealiseerd door de faillissementsaanvraag van twee crediteuren.

4.6.5.

De curator heeft dan ook aannemelijk weten te maken dat het gebruik gaan maken van de veilingopbrengsten in de jaren vanaf 2013, in plaats van de bedrijfsactiviteiten te stoppen of externe financiering aan te zoeken, een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

4.6.6.

De rechtbank merkt dit gebruik, anders dan de bestuurders, als kennelijk onbehoorlijk bestuur aan en overweegt daartoe als volgt. Dat [eiser] , zoals [gedaagde] stelt, redelijk vrij was om over de door STDD geïncasseerde veilingopbrengsten te beschikken kan niet als juist worden aanvaard. Anders dan [gedaagde] aanvoert, valt dit niet uit artikel 6 van de algemene voorwaarden van [eiser] , zoals die in elk geval tot 25 juli 2017 door haar werden gehanteerd, (zie onder 2.4) af te leiden. Daaruit blijkt immers slechts dat [eiser] gerechtigd was de aan haar toekomende commissie, het opgeld en de eventuele kosten rechtstreeks over te maken vanaf de rekening van STDD naar haar eigen rekening en haar vorderingen met het aan haar opdrachtgevers verschuldigde te verrekenen. Daarnaast was [eiser] op grond van dit artikel gehouden de veilingopbrengsten in beginsel binnen zeven dagen na ontvangst van de eindafrekening aan haar opdrachtgevers over te maken. Het gebruik van de veilingopbrengsten door [eiser] was verder ook in strijd met het in de statuten omschreven doel van STDD om de gelden tijdelijk te beheren, de beheerde gelden af te scheiden van het vermogen van [eiser] en af te dragen aan de opdrachtgevers. De opdrachtgevers van [eiser] mochten er op basis van de door hen met [eiser] gesloten overeenkomst dan ook vanuit gaan dat de hen toekomende gelden veilig gesteld waren bij STDD en niet zouden worden gebruikt voor de financiering van [eiser] . Bij dit alles komt dat deze handelwijze mogelijk was omdat [gedaagde 4] en [gedaagde 5] een dubbele pet ophadden, in die zin dat zij naast (middellijk) bestuurders van [eiser] ook de bestuurders van STDD waren.

Dat [eiser] , nadat zij in 2017 (na de liquidatie van STDD) haar bedrijfsprocessen had aangepast, wel gerechtigd was de aan haar opdrachtgevers toekomende veilingopbrengsten voor haar bedrijfsactiviteiten in te zetten, kan evenmin als juist worden aanvaard. Allereerst geldt dat [eiser] na de liquidatie van STDD in een aantal gevallen haar opdrachtgevers onjuist heeft geïnformeerd, in die zin dat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat de opbrengsten nog door STDD zouden worden geïncasseerd. Daarnaast blijft overeind dat [eiser] voor de financiering van haar eigen bedrijfsactiviteiten gebruik is blijven maken van gelden die niet haar, maar haar opdrachtgevers toebehoorden, waardoor zij hoe dan ook niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld in de zin van artikel 7:403 lid 2 BW. Op grond van de door haar met haar opdrachtgevers gesloten overeenkomsten was zij immers gehouden om de veilingopbrengsten, na aftrek van de haar toekomende commissie en opgeld, aan haar opdrachtgevers uit te keren. Daarbij komt dat zij, door gebruik te maken van een rekening op naam van [eiser] Services, bij haar opdrachtgevers de indruk heeft gewekt dat de veilingopbrengsten gescheiden van het vermogen van [eiser] zouden worden gehouden. Geen redelijk denkend bestuurder zou naar het oordeel van de rechtbank onder dezelfde omstandigheden aldus jarenlang de aan derden toekomende gelden voor de financiering van haar eigen onderneming hebben gebruikt.

4.7.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bestuurders niet zijn geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden en wordt aangenomen dat in de relevante jaren voorafgaand aan het faillissement sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, die een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Dit brengt mee dat iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is voor het boedeltekort in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW. Bij deze stand van zaken behoeven de andere grondslagen voor aansprakelijkheid van de bestuurders, die feitelijk op dezelfde verwijten zijn gegrond, geen bespreking. Ook kan in het midden blijven of er (tevens) sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in verband met de door de curator gestelde overdracht van de bedrijfsactiviteiten van [eiser] aan Auctionista.

4.8.

Het voorgaande brengt mee dat de gevorderde verklaring voor recht (3.1.Ia) zal worden toegewezen, evenals de hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van het boedeltekort van [eiser] , op te maken bij staat (3.1.Ib).

4.9.

Gelet op de door de curator overgelegde crediteurenlijst van [eiser] van 4 juni 2020, welke lijst door [eiser] niet concreet is weersproken, bedragen de vorderingen van de voorlopig erkende concurrente vorderingen € 825.574,68. Evenmin is door [gedaagde] weersproken dat het al gerealiseerde boedelactief ruimschoots niet voldoende is om de boedelkosten te betalen en dat er, afgezien van de vorderingen op de bestuurders, vrijwel geen ander boedelactief te verwachten is, waardoor het boedeltekort in elk geval zal bestaan uit de totale omvang van de vorderingen van de faillissementscrediteuren. Dit alles brengt mee dat het gevorderde voorschot van € 700.000,-- (vordering onder 3.1.IV) eveneens toewijsbaar is.

de vordering tegen Auctionista (3.1.V a en b)

4.10.

De curator stelt, onder verwijzing naar de onder 2.12 tot en met 2.17 aangehaalde feiten, dat sprake is geweest van een overdracht van (een deel van) de bedrijfsactiviteiten van [eiser] aan Auctionista zonder dat daarvoor enig bedrag werd betaald, waardoor een faillissement onvermijdelijk werd. Deze overdracht kwalificeert als paulianeus in de zin van artikel 42 Fw, dan wel 47 Fw. Dat er sprake is geweest van een overdracht blijkt uit de presentatie van Auctionista in januari 2018, waarin staat dat Auctionista, net als [eiser] , beschikt over een verkoopkanaal met 250.000 bieders en Bol.com klant is. Verder wordt de plek van [eiser] in de presentatie van november 2017 (zie onder 2.12) ingenomen door Auctionista in die van januari 2018. Bovendien is de opzet van de structuur van Auctionista identiek aan die van [eiser] . Verder is aan de klanten van [eiser] in de mailing op 19 maart 2018 meegedeeld dat de veilingactiviteiten van [eiser] zijn overgegaan naar Auctionista, dat [eiser] nog uitsluitend ondersteunende diensten gaat leveren en dat zij op de website van Auctionista gebruik kunnen maken van de reeds bestaande inloggegevens. Bovendien is aan het personeel van [eiser] bij e-mail van 20 maart 2018 bericht dat heel veel elementen van de site van Auctionista zijn overgenomen van [eiser] en is het personeel van [eiser] bij e-mail van 22 maart 2019 opgedragen om geen facturen meer te sturen vanuit [eiser] , aldus steeds de curator.

4.11.

[gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van overdracht van bedrijfsactiviteiten van [eiser] aan Auctionista. De oprichting van Auctionista was bedoeld als aanvulling op de dienstverlening van [eiser] , waarbij [eiser] de eerste klant en grootste gebruiker van Auctionista zou worden en haar eigen klanten behield. [eiser] was een logistiek bedrijf en verrichtte slechts de fysieke verkoopactiviteiten; [gedaagde 1] verzorgde de ontwikkeling van het platform en de website. Het klantenbestand, de ICT, de website noch enig platform heeft ooit toebehoord aan [eiser] en het is ook nooit de bedoeling geweest dat [eiser] het platform zou gaan exploiteren of ontwikkelen. [eiser] beschikte ook niet over de kennis of het geld om dit te gaan doen. Aangezien [gedaagde 1] niet meer over de financiële middelen beschikte om het nieuwe platform te exploiteren en er geen financiers bereid waren om te investeren in [gedaagde 1] is Auctionista opgericht, wat niet tot enige benadeling van de schuldeisers heeft geleid. De oprichting van Auctionista was één van de maatregelen die is genomen om de groep waartoe [eiser] behoorde financieel sterker te maken. Binnen Auctionista is er een nieuwe technologie ontwikkeld waardoor de opdrachtgevers ook zelf konden gaan veilen. Verwacht werd dat de opdrachtgevers toch zouden kiezen voor de ervaring van [eiser] , zodat [eiser] naast haar eigen opdrachten door de extra opdrachten vanuit Auctionista aanvullende omzet zou kunnen genereren en daarmee de schuldeisers zou kunnen betalen. Door de faillissementsaanvragen heeft [eiser] echter te weinig tijd gekregen om dit nieuwe bedrijfsmodel tot een succes te maken en om haar schuldeisers te betalen.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat de curator, tegenover dit gemotiveerde verweer, zijn stelling dat bedrijfsactiviteiten van [eiser] zijn overgedragen aan Auctionista, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit het verweer van [gedaagde] , bezien in samenhang met de door de curator aangehaalde feiten, volgt veeleer dat de oprichting van Auctionista een aanvulling op de werkzaamheden van [eiser] betrof, waarbij ten behoeve van Auctionista weliswaar gebruik werd gemaakt van het klantenbestand van [eiser] , maar [eiser] ook nog gewoon haar eigen activiteiten zou blijven verrichten. Door middel van een nieuwe in Auctionista ingebrachte technologie konden de opdrachtgevers zelf veilingen organiseren, maar verwacht werd dat zij ervoor zouden kiezen van de werkzaamheden van [eiser] gebruik te maken. Een en ander valt ook te lezen in de e-mail van 20 februari 2018 van [gedaagde 4] (zie hiervoor onder 2.14). Verder heeft de curator niet gemotiveerd weersproken dat [eiser] na de oprichting van Auctionista ook haar eigen klanten heeft behouden. Met het verweer van [gedaagde] is ook te rijmen de mailing op 19 maart 2018 (zie hiervoor onder 2.15) aan de klanten van [eiser] dat de ondersteunende diensten aangeboden blijven via [eiser] , dat de veilingmeesters van [eiser] blijven veilen en dat bestaande inloggegevens kunnen worden gebruikt. Dit geldt ook voor de e-mail van 20 maart 2018 (zie hiervoor onder 2.16), waarin staat dat de website van Auctionista heel herkenbaar is en dat heel veel elementen van [eiser] zijn overgenomen. Verder heeft [gedaagde] toegelicht dat de instructie aan het personeel bij e-mail van 22 maart 2018 (zie hiervoor onder 2.17) om geen facturen meer aan te maken is ingegeven door het tijdelijk niet functioneren van de facturatiemodule van Auctionista, welke toelichting door de curator niet is betwist.

4.13.

Nu niet kan worden aangenomen dat sprake is geweest van een overdracht van bedrijfsactiviteiten van [eiser] aan Auctionista, zullen de vorderingen tegen Auctionista worden afgewezen. Aan een bespreking van de overige in verband met de gestelde pauliana ingenomen standpunten komt de rechtbank dan ook niet toe.

proceskosten

4.14.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Auctionista worden veroordeeld. Nu er zes gedaagden zijn die gezamenlijk met één advocaat hebben geprocedeerd en de vorderingen tegen de bestuurders worden toegewezen, worden de proceskosten gesplitst in die zin dat de kosten van Auctionista worden berekend op 1/6e deel van de door [gedaagde] gemaakte kosten. De kosten aan de zijde van Auctionista worden aldus begroot op:

- griffierecht € 671,67 (€ 4.030,00 x 1/6e)

- salaris advocaat 1.033,00 (€ 6.198,00 (2,0 punten × tarief € 3.099,00) x 1/6e)

Totaal € 1.704,67

4.15.

De bestuurders zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten van de curator worden veroordeeld. Nu er zes gedaagden zijn en de proceskosten van Auctionista voor rekening van de curator komen, worden de proceskosten gesplitst in die zin dat de kosten aan griffierecht en salaris advocaat van de curator worden berekend op 5/6e deel van die kosten. De kosten aan de zijde van de curator worden aldus begroot op:

- dagvaardingen € 626,00

- griffierecht 1.085,00 (€ 1.302,00 x 5/6e)

- salaris advocaat 5.165,00 (€ 6.198,00 (2,0 punten × tarief € 3.099,00) x 5/6e)

Totaal € 6.876,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is als niet weersproken toewijsbaar.

beslagkosten

4.16.

De curator vordert betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar jegens de bestuurders. De beslagkosten worden begroot op in totaal € 2.065,49, te weten € 1.225,49 voor verschotten, € 297,00 voor griffierecht beslag en € 543,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 543,00).

nakosten

4.17.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

in reconventie

4.18.

Uit het oordeel in conventie vloeit voort dat niet is gebleken dat het beslag onder [gedaagde 4] onrechtmatig is gelegd, zodat [gedaagde 4] (laat staan de anderen van [gedaagde] ) geen aanspraak kan maken op schade die hij als gevolg daarvan stelt te hebben geleden. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.19.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op € 1.074,00

(2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 1.074,00) aan salaris advocaat.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is als niet weersproken toewijsbaar.

4.20.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen tegen Auctionista af,

5.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten van Auctionista, tot op heden begroot op € 1.704,67,

5.3.

veroordeelt de curator in de na dit vonnis voor Auctionista ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de curator niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart voor recht dat de bestuurders op grond van artikel 2:248 lid 1 BW jo. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van [eiser] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan,

5.5.

veroordeelt de bestuurders hoofdelijk tot betaling aan de curator van het bedrag gelijk aan de schulden van [eiser] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, één en ander nader op te maken bij staat,

5.6.

veroordeelt de bestuurders hoofdelijk om aan de curator als voorschot te betalen een bedrag van € 700.000,00 (zevenhonderdduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 7 juni 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt de bestuurders hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.065,49, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8.

veroordeelt de bestuurders hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 6.876,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de veroordelingen onder 5.2, 5.3, 5.5, 5.6, 5.7 en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.11.

wijst de vorderingen af,

5.12.

veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 1.074,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.13.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en in reconventie

5.14.

veroordeelt de bestuurders hoofdelijk in de na dit vonnis voor de curator ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de bestuurders niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.15.

verklaart dit vonnis wat betreft de nakosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, rechter, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2020.