Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5331

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
13/751257-20
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toewijzing aan Belgie. Feiten geweigerd wegens ongenoegzaamheid of ontbreken van dubbele strafbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751257-20

RK nummer: 20/1509

Datum uitspraak: 21 oktober 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 maart 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 maart 2020 door de onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1993,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 8 mei 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Maastricht.

De opgeëiste persoon heeft wegens de uitbraak van het coronavirus de zitting vanuit de penitentiaire inrichting (PI) via een videoverbinding bijgewoond.

De rechtbank heeft de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken alle feiten te voorzien van nummering, pleegdatum, pleegplaats, de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon en de strafrechtelijke verdenking of kwalificatie. Daarbij is verzocht dat wordt aangegeven welke feiten onder lijstfeiten vallen en welke niet. Dit heeft geresulteerd in een aanvulling van het EAB van 9 juni 2020.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Zitting 12 juni 2020

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 12 juni 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsvrouw mr. Geurts.

De opgeëiste persoon heeft wegens de uitbraak van het coronavirus de zitting vanuit de PI via een videoverbinding bijgewoond.

De rechtbank heeft de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in gelegenheid te stellen de door de raadsvrouw in het schriftelijke standpunt van 11 juni 2020 beschreven vragen met betrekking tot een aantal feiten voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft uitdrukkelijk verzocht te benoemen welke feiten onder welke lijstfeiten gebracht kunnen worden Dit heeft geleid tot twee aangepaste EAB’s die op 21 september 2020 naar de rechtbank zijn verstuurd.

Zitting 7 oktober 2020

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 oktober 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsvrouw mr. Geurts.

De opgeëiste persoon heeft wegens de uitbraak van het coronavirus de zitting vanuit de PI via een videoverbinding bijgewoond.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft de overleveringsdetentie niet geschorst. Zij verwijst daartoe naar de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729). Hierin is geoordeeld dat als een zeer groot vluchtgevaar bestaat, dat niet door het opleggen van passende maatregelen tot aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht, artikel 22, vierde lid, van de OLW zo moet worden verstaan dat de termijn waarbinnen de beslissing over de overlevering door de rechtbank dient te worden gedaan na het verstrijken van de in het derde lid van artikel 22 OLW genoemde termijn voor onbepaalde tijd kan worden verlengd, zonder gelijktijdige schorsing (onder het stellen van voorwaarden) van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk geval zich hier voordoet.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd door de onderzoeksrechter van 12 maart 2020 (OR Bie Melis 2019/048).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 41 naar Belgisch recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van onderdeel e) van het EAB dat op 21 september 2020 door de uitvaardigende justitiële autoriteit is verstrekt met daarin alle feiten is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de zaak van de opgeëiste persoon geldt het volgende.

Met betrekking tot feit 3

Blijkens onderdeel e) van het originele EAB van 12 maart 2020 wordt de opgeëiste persoon beschuldigd van twee feiten. Het eerste feit betreft ‘misbruik van vertrouwen’ waarvan aangifte is gedaan op 23 november 2016. De opgeëiste persoon zou een bedrag in contanten hebben aangenomen voor een reis die nooit door is gegaan. Het tweede feit betreft ‘valsheid in geschriften’ door op een aanrijdingsformulier valse gegevens in te vullen, waar op 15 juni 2017 aangifte van is gedaan.

De rechtbank heeft op 8 mei 2020 de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht alle feiten waar het EAB op ziet overzichtelijk op te stellen, met benoeming van onder meer pleegdatum, pleegplaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vervolgens op 9 juni 2020 een aanvullend EAB verstrekt, waaruit blijkt dat feit 3 zou zijn gepleegd op 8 oktober 2016 te Antwerpen.

De rechtbank heeft op 12 juni 2020 de zaak aangehouden en naar aanleiding van het verweer van de raadsvrouw de officier van justitie verzocht ten aanzien van feit 3 vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, omdat feit 3 lijkt te bestaan uit twee feiten. Hierdoor bestaat nog steeds onduidelijkheid omtrent de pleegplaats en pleegdatum. Bovendien valt 8 oktober 2016 buiten de pleegperiode zoals genoemd op het A Formulier behorend bij het EAB. Ten aanzien van ‘valsheid in geschriften’ ontbreekt ook een omschrijving van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft naar aanleiding van die vragen geen nieuwe informatie verstrekt. De rechtbank is daarom, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de overlevering ten aanzien van dit feit dient te worden geweigerd wegens ongenoegzaamheid van het EAB.

Met betrekking tot feit 12

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon inmiddels duidelijk is ten aanzien van feit 12, maar dat er geen pleegplaats meer staat in het EAB, waardoor de overlevering dient te worden geweigerd.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het EAB met de gegeven aanvullingen ten aanzien van feit 12 genoegzaam is. Uit de aanvulling van 2 juni 2020 blijkt dat feit 12 op 31 juli 2018 is gepleegd. Gelet op de omschreven pleegplaats, pleegdatum en betrokkenheid van de opgeëiste persoon, is de rechtbank van oordeel dat het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk is waarvoor haar overlevering wordt verzocht. Het specialiteitsbeginsel is ten aanzien van dit feit voldoende gewaarborgd.

Met betrekking tot feit 15

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van feit 15 moet worden geweigerd. In de aanvullingen staat namelijk 26 juli 2019 als pleegdatum vermeld, terwijl op 17 maart 2019 aangifte is gedaan, wat eerder in de tijd ligt.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat deze omstandigheid niet leidt tot weigering van de overlevering. Gelet op de veelomvattende omschrijving van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn gepleegd, is het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor haar overlevering wordt verzocht. Het specialiteitsbeginsel is ten aanzien van feit 15 daarom voldoende gewaarborgd. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat de overlevering wordt verzocht in verband met een vervolging en dat het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond. Het EAB is dan ook met betrekking tot dit feit genoegzaam.

Met betrekking tot feiten 24 en 25

In het originele EAB (van 12 maart 2020) staat dat de opgeëiste persoon wordt beschuldigd van bedreigingen via sociale media tegen een in dat EAB bij naam genoemd persoon op 27 juni 2019 en 2 juli 2019. De rechtbank heeft op 12 juni 2020 de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze feiten te beschrijven en duidelijkheid te verschaffen omtrent de strafbare verdenking, omdat de feiten staan omschreven als bedreiging maar volgens de ‘oplijsting’ vallen onder afpersing.

De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit weliswaar heeft vermeld waaruit de bedreiging zou hebben bestaan en dat de opgeëiste persoon als verdachte wordt aangemerkt, maar overige informatie, bijvoorbeeld over de rol die de opgeëiste persoon hierbij zou hebben gespeeld, ontbreekt. Bovendien ontbreekt voor beide feiten een pleegplaats. De rechtbank is daarom, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de overlevering voor feiten 24 en 25 moet worden geweigerd wegens ongenoegzaamheid van het EAB.

Met betrekking tot feiten 35 en 36

De raadsvrouw heeft betoogd dat feiten 35 en 36 niet genoegzaam zijn omschreven, omdat uit de omschrijvingen niet volgt welke strafbare feiten zouden zijn gepleegd.

De zaak is op 12 juni 2020 mede aangehouden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De feiten zijn nader omschreven in het op 21 september 2020 verstrekte EAB waarin alleen de lijstfeiten zijn opgenomen. Uit de omschrijving van feit 35 volgt dat de opgeëiste persoon ervan wordt beschuldigd op 28 oktober 2019 vanuit Nederland telefonisch contact te hebben opgenomen met instanties om kraamgeld te laten uitbetalen of leningen af te sluiten. Dit is, volgens het EAB, te kwalificeren als oplichting en valsheid in geschriften. Uit de omschrijving van feit 36 blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt beschuldigd dat zij op 17 augustus 2018 te Antwerpen een lening heeft afgesloten, het geld heeft opgehaald en nooit heeft terugbetaald. Dit is, volgens het EAB, te kwalificeren als valsheid in informatica en oplichting.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de feiten genoegzaam zijn omschreven, nu zij zijn gespecifieerd naar pleegdatum, pleegplaats, de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon en de strafrechtelijke verdenking. Het is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor haar overlevering wordt verzocht. Het specialiteitsbeginsel is ten aanzien van de feiten 35 en 36 voldoende gewaarborgd.

4 Strafbaarheid

4.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 26, 27, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 39 en 41 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet (gedeeltelijk) achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 8, 11, 20 en 23 te weten:

8. Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;

11. Informatiecriminaliteit;

20. Oplichting; en

23. Vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2.

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De rechtbank stelt voorop dat voor feiten die niet zijn aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt, de overlevering alleen kan worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. Te weten dat het feit zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is en dat daarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Met betrekking tot ‘aanmatiging van naam’

De rechtbank stelt vast dat uit onderdeel c) van het EAB blijkt dat op het feit ‘aanmatiging van naam’ naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van drie maanden is gesteld. De overlevering kan ten aanzien van de feiten met die kwalificatie daarom niet worden toegestaan.

De rechtbank stelt vast dat, uitgaande van de kwalificaties zoals die bij de feiten staan vermeld in de aanvulling op het EAB dat is verstrekt op 21 september 2020 en dat ziet op alle feiten, als gevolg daarvan de overlevering voor de feiten 2, 4, 5, 9, 28, 38 en 40 geheel moet worden geweigerd, en dat de overlevering voor feit 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 26, 27, 29, 30, 31, 32, 37, 39 en 41 gedeeltelijk moet worden geweigerd.

Met betrekking tot feit 13

De rechtbank stelt vast dat feit 13 door de uitvaardigende justitiële autoriteit mede is gekwalificeerd als diefstal en dat die kwalificatie niet is aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank stelt vast dat voor feit 13, voor zover dat ziet op diefstal, aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW is voldaan.

Dit feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden. Daartoe heeft zij de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek is in België aangevangen;

- het bewijs bevindt zich in België; en

- de slachtoffers bevinden zich in België.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

6 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten 1, 8, 19, 20, 33, 34, 35 en 36 en de feiten 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 26, 27, 29, 30, 31, 32, 37, 39 en 41 - voor zover deze niet op het feit ‘aanmatiging van naam’ zien - waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan.

De overlevering voor de feiten 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 26, 27, 29, 30, 31, 32, 37, 39 en 41 moet gedeeltelijk worden geweigerd, namelijk alleen voor zover deze zien op ‘aanmatiging van naam’.

Voor de overige feiten moet de overlevering worden geweigerd.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 310 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 13 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen (België) ten behoeve van het in België tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten 1, 8, 19, 20, 33, 34, 35 en 36 en de feiten 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 26, 27, 29, 30, 31, 32, 37, 39 en 41 - voor zover deze niet op het feit ‘aanmatiging van naam’ zien - waarvoor haar overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor de feiten 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 26, 27, 29, 30, 31, 32, 37, 39 en 41 zover het EAB betrekking heeft de kwalificatie ‘aanmatiging van naam’.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de feiten 2, 3, 4, 5, 9, 24, 25, 28, 38 en 40.


Aldus gedaan door

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en M.C. Eggink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 oktober 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.