Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5290

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
13/012616-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

opruiing; afwijzing vordering benadeelde partij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.012616.20

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/012616-20

Datum uitspraak: 2 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

wonende op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. Velleman en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Inleiding

Op 17 november 2018 vond tijdens de intocht van Sinterklaas in Amstelveen een demonstratie tegen Zwarte Piet plaats. Een van de aanwezige demonstranten, [aangeefster] , plaatste op haar privépagina op Facebook een livestream van deze demonstratie. Hierop kreeg zij duizenden (in overwegende mate negatieve) reacties.

[aangeefster] (hierna: aangeefster) heeft op 20 november 2018 aangifte gedaan van racistische, seksistische, beledigende en bedreigende berichten. Uit de aangifte volgt dat het lezen van deze teksten heel heftig en ingrijpend voor aangeefster is geweest. Zij geeft aan dat zij zich onveilig voelt door de berichten. Aangeefster heeft materiaal dat voor een deel door haarzelf en voor een deel door vrienden van haar is verzameld aan de politie ter beschikking gesteld.

Naar aanleiding van de aangifte is onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) het onderzoek 13Bitburg gestart. Het aangedragen materiaal is onderzocht en geprobeerd is de identiteit te achterhalen van de personen die berichten hebben geplaatst.

Verdachte is één van de 25 personen in het onderzoek 13Bitburg waarvan het OM tot dagvaarding heeft besloten. Elk van de 25 zaken staat op zich, maar de aanleiding (de reactie op de livestream van het protest tegen Zwarte Piet) is hetzelfde.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting uitgelegd hoe het OM tot de vervolging van juist deze 25 personen, waaronder verdachte, is gekomen. De basis voor het politie onderzoek is het door en namens aangeefster overhandigde materiaal, bestaande uit ongeveer 200 berichten. Het OM heeft deze berichten beoordeeld aan de hand van de volgende wegingsfactoren: de ernst van de uitlating (waarbij als criterium is aangelegd of de berichten een aantoonbaar racistisch dan wel geweldselement bevatten), of het bericht direct aan aangeefster is gericht en of meerdere malen een bericht is geplaatst. Naar de 40 Facebookprofielen die overbleven is een onderzoek gestart. Na voltooiing van dit onderzoek heeft het OM een keuze gemaakt welke afdoeningsmodaliteit passend en geboden was. Dit heeft er toe geleid dat een vijfde van de zaken (al dan niet voorwaardelijk) is geseponeerd, al dan niet met bijzondere voorwaarden. Tevens zijn er strafbeschikkingen aangeboden. De overige verdachten hebben een dagvaarding ontvangen.

3 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 november 2018 te Amstelveen en/of te Leiden, in elk geval
in Nederland, in het openbaar bij geschrift, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft verdachte middels een Facebookaccount “ [verdachte] ” een bericht op Facebook geplaatst en/of gedeeld met de inhoud: “Dood slaan die gasten Te triest voor woorden Land uit opkankeren”.

4 Voorvragen

4.1

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard hij het niet eerlijk vindt dat hij wordt vervolgd vanwege deze uitlating terwijl rapper [naam] op 1 juni 2020 tijdens de demonstratie van Black Lives Matter op de Dam eveneens opruiende teksten heeft geroepen. Als [naam] niet wordt vervolgd, dan zou verdachte ook niet vervolgd moeten worden. De rechtbank vat dit op als een verweer dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij gehandeld heeft in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is aan het OM de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, zoals het gelijkheidsbeginsel.

Het OM heeft ter terechtzitting naar voren gebracht waarom het tot een voorwaardelijk sepot is gekomen in de zaak van [naam] . Uit het persbericht van het OM blijkt dat het tot de beslissing is gekomen waar volgens het OM het grootste maatschappelijk effect mee kan worden bereikt. Gestreefd is naar een afdoening die recht doet aan de ernst van de situatie en die kan bijdragen aan het voorkomen van geweld in de toekomst. [naam] draagt daar met zijn voorbeeldfunctie en statement in de visie van het OM aan bij.12 Gezien deze toelichting en gelet op de terughoudendheid die de rechtbank in acht dient te nemen bij de toetsing is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Er is daarom geen schending van de goede procesorde en het OM is dan ook ontvankelijk in haar vervolging van verdachte. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in de zaak van [naam] (waarschijnlijk) een artikel 12-procedure bij het gerechtshof zal volgen zodat er nog niet sprake is van een definitieve beslissing.

4.2

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat het puur een uiting van frustratie was, omdat zulke demonstraties in Den Haag gehouden moeten worden en niet voor de ogen van kinderen tijdens de intocht van Sinterklaas. Verder heeft verdachte verklaard dat hij met zijn reactie niet wilde aanzetten tot een strafbaar feit. Dat soortgelijke uitingen op straat niet mogen worden geroepen begrijpt verdachte, maar hij dacht dat op Facebook andere regels golden. Aangeefster heeft de livestream bovendien zelf geplaatst en had daarmee kunnen bedenken dat zij ook negatieve reacties zou ontvangen. De rechtbank vat dit op als een verweer dat de vereiste (voorwaardelijke) opzet voor de opruiing ontbreekt.

5.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen.

Verdachte heeft met de uitlating de grens van het toelaatbare overschreden. Dit maakt dat er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestaat om verdachte in het recht op vrijheid op meningsuiting te beperken. Een veroordeling is in dit geval een geoorloofde en ook noodzakelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat verdachte het bericht “Dood slaan die gasten Te triest voor woorden Land uit opkankeren” onder de livestream van aangeefster heeft geplaatst. Hij heeft dit bekend en het blijkt ook uit het dossier. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het bericht als opruiend is aan te merken.

Algemeen juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van opruiing moet aan de volgende – kort weergegeven – vier vereisten zijn voldaan.

1. Er moet zijn aangezet tot iets ongeoorloofds. Dit ongeoorloofde moet een naar Nederlands recht strafbaar feit zijn. Het is niet nodig dat het feit waartoe wordt aangezet ook daadwerkelijk wordt gepleegd.

2. Er moet sprake zijn van opzet. Dat kan voorwaardelijk opzet zijn: het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat wordt opgeruid tot het plegen van een strafbaar feit.

3. Vereist is verder dat de uitlating in het openbaar is gedaan. Dat wil zeggen onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat deze door het publiek gehoord, gelezen, of gezien kon worden.

4. De uitlating moet bovendien mondeling of bij geschrift of afbeelding zijn gedaan. Daaronder zijn inbegrepen tekstberichten op internet en social media.

Is de uitlating van verdachte opruiend?

De rechtbank is van oordeel dat met de woorden “Dood slaan die gasten Te triest voor woorden Land uit opkankeren” expliciet wordt opgeroepen tot het plegen van een in Nederland strafbaar feit, namelijk moord of doodslag.

Is er sprake van opzet?

Van belang is allereerst of sprake is van een aanmerkelijke kans dat wordt opgeruid tot het plegen van een strafbaar feit. Daarvoor zijn zowel de inhoud van de uitlating als de omstandigheden waaronder die is gedaan, van belang. Facebook is een medium op internet waarbij volstrekt onbekenden een reactie kunnen plaatsen op posts die gedeeld worden op de Facebookpagina’s van anderen. Daarmee wordt het moeilijk, zo niet onmogelijk, voor de overige lezers om een reactie te interpreteren precies op de manier zoals die door de plaatser van de uitlating is bedoeld. Nog minder duidelijk is wie de reactie leest en hoe deze persoon dit op zal vatten. De plaatser heeft hier nauwelijks tot geen invloed op. Als je iets plaatst op internet waar in principe iedereen het kan lezen (en kennelijk veel mensen dat ook doen) dan maakt dit de kans groter dat hier personen tussen kunnen zitten die een oproep letterlijk opvatten, dan wanneer deze uitlating alleen tot bekenden is gericht. Hiermee wordt de kans vergroot dat iemand door het lezen van de uitlating daadwerkelijk overgaat tot het plegen van een strafbaar feit. Daarnaast staat de uitlating van verdachte niet op zichzelf. De vele reacties onder de livestream samen hebben een aanzwellend effect. De berichten versterken elkaar, waardoor de aanmerkelijke kans dat mensen overgaan tot het plegen van strafbare handelingen toeneemt. Het bericht is geplaatst in de context van de discussie rondom Zwarte Piet, die al jarenlang heftige emoties oproept. Het plaatsen van het bericht onder deze livestream, waar veel gelijkgestemden naar kijken, vergroot verder de kans dat iemand het idee zou kunnen opvatten iets strafbaars te gaan doen. De voornoemde omstandigheden waren voor verdachte kenbaar, zodat hij zich ook van die aanmerkelijke kans bewust moet zijn geweest. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij dacht dat op Facebook andere regels golden over wat er wel/niet mag worden gezegd, maar het moge duidelijk zijn dat juist een forum als Facebook meer mensen bereikt en daarmee een grotere impact kan hebben dan wanneer verdachte zijn uitlating op straat zou roepen.

Ten slotte komt aan de woorden zelf veel betekenis toe. De gebruikte woorden laten niets aan de verbeelding over. Door een bericht inhoudend “Dood slaan die gasten Te triest voor woorden Land uit opkankeren” op Facebook te plaatsen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hiermee zou opruien tot het plegen van een strafbaar feit.

Openbaar

Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan het vereiste van openbaarheid is voldaan. Door het plaatsen van uitingen op social media worden deze in de openbaarheid gebracht. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven (zie onder meer: HR 5 juli 2011, NJ 2011/325, Rechtbank Den Haag 26 oktober 2016, NJFS 2017/6 en Hof Amsterdam 23 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4139). Verdachte heeft de betreffende uitlating op Facebook geplaatst. Facebook heeft een potentieel groot publieksbereik doordat posts gedeeld kunnen worden op verschillende Facebookpagina's. Alleen al uit het feit dat aangeefster de uitlating van verdachte aan de politie heeft overhandigd, valt af te leiden dat een breed publiek, waaronder ook personen die niet tot de Facebookvrienden van verdachte behoren, het bericht onder ogen konden krijgen.

Conclusie

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing door het plaatsen van het bericht “Dood slaan die gasten Te triest voor woorden Land uit opkankeren”.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 17 november 2018 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, in het openbaar bij geschrift, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft verdachte middels een Facebookaccount “ [verdachte] ” een bericht op Facebook geplaatst en gedeeld met de inhoud: “Dood slaan die gasten Te triest voor woorden Land uit opkankeren”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen.

9.2

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank hecht er aan om enkele opmerkingen vooraf te maken. In de eerste plaats over de wijze waarop de zaken aan de rechtbank zijn voorgelegd. De zaak van iedere verdachte zou normaal gesproken afzonderlijk bij de politierechter worden aangebracht, in de regel in het arrondissement waar verdachte woont. De aanpak in de onderhavige zaak, waarbij verdachte samen met 24 medeverdachten is gedagvaard om voor de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam te verschijnen, staat het OM vrij, maar het gevolg hiervan is dat de behandeling van de zaak meer impact op verdachte heeft dan wanneer de zaak door de politierechter in het eigen arrondissement was afgedaan. De zaak heeft immers mede hierdoor veel aandacht in de nationale media gekregen.

Daarnaast zijn er veel meer reacties onder de livestream van aangeefster geweest dan dat er verdachten worden vervolgd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet in strijd met gelijkheidsbeginsel, maar is de wijze waarop de selectie door het OM heeft plaatsgevonden, met name dat een groot deel van de uitlatingen door vrienden van aangeefster is geselecteerd en niet zelf door het OM is bekeken, onvoldoende zorgvuldig.

De rechtbank kan zich gelet op het voorgaande voorstellen dat de wel vervolgde verdachten zich enigszins ‘kop van jut’ voelen, en zal daar bij de strafmaat (in beperkte mate) rekening mee houden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opruiing door op Facebook onder de livestream van aangeefster voornoemde reactie te plaatsen. De rechtbank vindt dit een ernstig feit. Verdachte heeft zich op sociale media bediend van grof en gewelddadig taalgebruik waarbij hij in de eerste plaats heeft aangezet tot in ieder geval (zware) mishandeling, dan wel het plegen van een moord of doodslag op de demonstranten. Gelukkig is dit niet daadwerkelijk gebeurd, maar verdachte had iemand op het idee kunnen brengen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, ondanks dat hij zich bewust moet zijn geweest van de consequenties die zijn woorden mogelijk zouden hebben, de reactie niettemin onder de livestream op Facebook heeft geplaatst. De openbare orde is hierdoor in gevaar gebracht en aangeefster heeft zich, zoals blijkt uit haar aangifte, bedreigd gevoeld. De berichten hebben een flinke impact op haar leven gehad. Verdachte heeft hier met zijn uitlating een bijdrage aan geleverd.

Voor alle veroordeelde verdachten heeft de rechtbank dezelfde criteria toegepast bij het bepalen van de straf.

De rechtbank heeft in straf verzwarende zin meegewogen:

- of sprake is van meerdere uitlatingen;

- in de zaken waarin het aanzetten tot discriminatie of het beledigen wegens ras bewezen is verklaard, of sprake is van uitingen die oproepen tot geweld tegen de zwarte mensen;

- in de zaken waarin opruiing is bewezen verklaard, of sprake is van een discriminatoir aspect;

De rechtbank heeft in alle zaken in straf verminderende zin meegewogen:

- of de verdachte oprecht inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn of haar gedrag;

- ( in beperkte mate) of verdachte ter terechtzitting is verschenen (behoudens in de gevallen waar voor het niet verschijnen een goede reden was);

- met het feit dat sprake is van vervolging door middel van een dagvaarding voor de meervoudige kamer in het kader van een megaproces in Amsterdam, dat veel aandacht heeft gehad in de media;

- met de lange tijd die het heeft geduurd voor de zaak op zitting kwam.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de rede ligt.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf van 38 uren passend en geboden.

10 Benadeelde partij

De benadeelde partij [naam] vordert € 150,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Niet is vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). De omstandigheid dat opruiing een feit is dat strekt tot bescherming van de openbare orde, staat dus op zichzelf niet in de weg aan het aannemen van een rechtstreeks verband tussen het feit en de door de benadeelde partij gevorderde schade.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing door een uitlating te plaatsen op Facebook onder de livestream van benadeelde. De uitlating is niet alleen opruiend maar ook beledigend en discriminerend. Het beledigende en discriminerende aspect ziet niet alleen op zwarte mensen in het algemeen maar is in het bijzonder gericht tegen de zwarte betogers die deel uitmaakten van de groep demonstranten. Benadeelde maakte deel uit van deze groep. Daarnaast was de uiting rechtstreeks aan haar gericht omdat zij de livestream op Facebook had geplaatst en de uitlating van verdachte op haar pagina terecht kwam. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden de uitlating voldoende specifiek op de benadeelde is gericht en dat daardoor sprake is van rechtstreekse schade.

Het beledigen door te discrimineren op basis van ras betreft het openlijk kwetsen en in diskrediet brengen van een groep mensen, wat in de kern neerkomt op aantasting van de eer en goede naam of de morele integriteit van mensen die behoren tot die groep. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit in haar eer of goede naam is aangetast.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 150,-.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 150,-.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 131 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

het in het openbaar bij geschrift opruien tot enig strafbaar feit

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 38 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 19 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] toe tot een bedrag van € 150,- (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam] . voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam] aan de Staat € 150,- (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2020.

[--]

  1. [--]

  2. [--]

1 [--]

2 [--]