Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5287

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
13/01260420
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

opruiing; afwijzing vordering benadeelde partij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.012604.20

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/01260420

Datum uitspraak: 2 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

wonende op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.P. Groot naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Op 17 november 2018 vond tijdens de intocht van Sinterklaas in Amstelveen een demonstratie tegen Zwarte Piet plaats. Een van de aanwezige demonstranten, [aangeefster] , plaatste op haar privépagina op Facebook een livestream van deze demonstratie. Hierop kreeg zij duizenden (in overwegende mate negatieve) reacties.

[aangeefster] (hierna: aangeefster) heeft op 20 november 2018 aangifte gedaan van racistische, seksistische, beledigende en bedreigende berichten. Uit de aangifte volgt dat het lezen van deze teksten heel heftig en ingrijpend voor aangeefster is geweest. Zij geeft aan dat zij zich onveilig voelt door de berichten. Aangeefster heeft materiaal dat voor een deel door haarzelf en voor een deel door vrienden van haar is verzameld aan de politie ter beschikking gesteld.

Naar aanleiding van de aangifte is onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) het onderzoek 13Bitburg gestart. Het aangedragen materiaal is onderzocht en geprobeerd is de identiteit te achterhalen van de personen die berichten hebben geplaatst.

Verdachte is één van de 25 personen in het onderzoek 13Bitburg waarvan het OM tot dagvaarding heeft besloten. Elk van de 25 zaken staat op zich, maar de aanleiding (de reactie op de livestream van het protest tegen Zwarte Piet) is hetzelfde.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting uitgelegd hoe het OM tot de vervolging van juist deze 25 personen, waaronder verdachte, is gekomen. De basis voor het politie onderzoek is het door en namens aangeefster overhandigde materiaal, bestaande uit ongeveer 200 berichten. Het OM heeft deze berichten beoordeeld aan de hand van de volgende wegingsfactoren: de ernst van de uitlating (waarbij als criterium is aangelegd of de berichten een aantoonbaar racistisch dan wel geweldselement bevatten), of het bericht direct aan aangeefster is gericht en of meerdere malen een bericht is geplaatst. Naar de 40 Facebookprofielen die overbleven is een onderzoek gestart. Na voltooiing van dit onderzoek heeft het OM een keuze gemaakt welke afdoeningsmodaliteit passend en geboden was. Dit heeft er toe geleid dat een vijfde van de zaken (al dan niet voorwaardelijk) is geseponeerd, al dan niet met bijzondere voorwaarden. Tevens zijn er strafbeschikkingen aangeboden. De overige verdachten hebben een dagvaarding ontvangen.

3 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 november 2018 te Amstelveen en/of te Woldendorp, in elk
geval in Nederland, in het openbaar bij geschrift, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft verdachte middels een Facebookaccount “ [verdachte] ” een bericht op Facebook geplaatst en/of gedeeld met de inhoud: “homo's. dood houwn. iemand die een machine geweer heeft zijn we dr zo af. Dood houwn dat volk.”

4 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen.

Verdachte heeft met de uitlating de grens van het toelaatbare overschreden. Dit maakt dat er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestaat om verdachte in het recht op vrijheid op meningsuiting te beperken. Een veroordeling is in dit geval een geoorloofde en ook noodzakelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat verdachte ontkent het bericht geplaatst te hebben. Volgens verdachte is hij gehackt of heeft iemand anders de berichten geplaatst. Er is geen onderzoek gedaan naar de telefoon van verdachte, naar een IP-adres of naar de Facebook geschiedenis. De enkele omstandigheid dat het bericht is verstuurd onder de naam van verdachte is niet voldoende om het feit te bewijzen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte ontkent dat hij het bericht heeft geplaatst. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het misschien iets te maken heeft met een virus op zijn Facebook. Hij heeft eerst verklaard dat hij het bericht er niet op heeft gezet en later dat hij niet weet of hij het heeft gedaan.

Het verweer van de raadsman, dat geen aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden om vast te stellen of het verhaal van verdachte klopt, wordt door de rechtbank verworpen. De politie heeft immers onderzoek gedaan of er een virus bestaat waar verdachte naar verwijst. De politie concludeert dat de verklaring van verdachte niet mogelijk is omdat virussen die reacties plaatsen op Facebook onder de posts van anderen niet bestaan.

Nu uit het onderzoek van de politie blijkt dat een virus als genoemd door verdachte niet bestaat en verdachte niet stellig ontkent dat hij de reactie heeft geplaatst (bij de politie verklaart verdachte meermalen dat hij zich niet herinnert of hij de reactie heeft geplaatst), is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met het aanvullend onderzoek zoals door de politie is verricht. Op basis van het dossier kan worden bewezen dat verdachte het bericht zelf heeft geplaatst.

Vast staat dat verdachte het bericht “homo's. dood houwn. iemand die een machine geweer heeft zijn we dr zo af. Dood houwn dat volk.” onder de livestream van aangeefster heeft geplaatst. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of het bericht als opruiend is aan te merken.

Algemeen juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van opruiing moet aan de volgende – kort weergegeven – vier vereisten zijn voldaan.

1. Er moet zijn aangezet tot iets ongeoorloofds. Dit ongeoorloofde moet een naar Nederlands recht strafbaar feit zijn. Het is niet nodig dat het feit waartoe wordt aangezet ook daadwerkelijk wordt gepleegd.

2. Er moet sprake zijn van opzet. Dat kan voorwaardelijk opzet zijn: het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat wordt opgeruid tot het plegen van een strafbaar feit.

3. Vereist is verder dat de uitlating in het openbaar is gedaan. Dat wil zeggen onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat deze door het publiek gehoord, gelezen, of gezien kon worden.

4. De uitlating moet bovendien mondeling of bij geschrift of afbeelding zijn gedaan. Daaronder zijn inbegrepen tekstberichten op internet en social media.

Is de uitlating van verdachte opruiend?

De rechtbank is van oordeel dat met de woorden “homo's. dood houwn. iemand die een machine geweer heeft zijn we dr zo af. Dood houwn dat volk.” expliciet wordt opgeroepen tot het plegen van een in Nederland strafbaar feit, namelijk moord of doodslag.

Is er sprake van opzet?

Van belang is allereerst of sprake is van een aanmerkelijke kans dat wordt opgeruid tot het plegen van een strafbaar feit. Daarvoor zijn zowel de inhoud van de uitlating als de omstandigheden waaronder die is gedaan, van belang. Facebook is een medium op internet waarbij volstrekt onbekenden een reactie kunnen plaatsen op posts die gedeeld worden op de Facebookpagina’s van anderen. Daarmee wordt het moeilijk, zo niet onmogelijk, voor de overige lezers om een reactie te interpreteren precies op de manier zoals die door de plaatser van de uitlating is bedoeld. Nog minder duidelijk is wie de reactie leest en hoe deze persoon dit op zal vatten. De plaatser heeft hier nauwelijks tot geen invloed op. Als je iets plaatst op internet waar in principe iedereen het kan lezen (en kennelijk veel mensen dat ook doen) dan maakt dit de kans groter dat hier personen tussen kunnen zitten die een oproep letterlijk opvatten, dan wanneer deze uitlating alleen tot bekenden is gericht. Hiermee wordt de kans vergroot dat iemand door het lezen van de uitlating daadwerkelijk overgaat tot het plegen van een strafbaar feit. Daarnaast staat de uitlating van verdachte niet op zichzelf. De vele reacties onder de livestream samen hebben een aanzwellend effect. De berichten versterken elkaar, waardoor de aanmerkelijke kans dat mensen overgaan tot het plegen van strafbare handelingen toeneemt. Het bericht is geplaatst in de context van de discussie rondom Zwarte Piet, die al jarenlang heftige emoties oproept. Het plaatsen van het bericht onder deze livestream, waar veel gelijkgestemden naar kijken, vergroot verder de kans dat iemand het idee zou kunnen opvatten iets strafbaars te gaan doen. De voornoemde omstandigheden waren voor verdachte kenbaar, zodat hij zich ook van die aanmerkelijke kans bewust moet zijn geweest.

Ten slotte komt aan de woorden zelf veel betekenis toe. De gebruikte woorden laten niets aan de verbeelding over. Door een bericht inhoudend “homo's. dood houwn. iemand die een machine geweer heeft zijn we dr zo af. Dood houwn dat volk.” op Facebook te plaatsen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hiermee zou opruien tot het plegen van een strafbaar feit.

Openbaar

Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan het vereiste van openbaarheid is voldaan. Door het plaatsen van uitingen op social media worden deze in de openbaarheid gebracht. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven (zie onder meer: HR 5 juli 2011, NJ 2011/325, Rechtbank Den Haag 26 oktober 2016, NJFS 2017/6 en Hof Amsterdam 23 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4139). Verdachte heeft de betreffende uitlating op Facebook geplaatst. Facebook heeft een potentieel groot publieksbereik doordat posts gedeeld kunnen worden op verschillende Facebookpagina's. Alleen al uit het feit dat aangeefster de uitlating van verdachte aan de politie heeft overhandigd, valt af te leiden dat een breed publiek, waaronder ook personen die niet tot de Facebookvrienden van verdachte behoren, het bericht onder ogen konden krijgen.

Conclusie

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing door het plaatsen van het bericht “homo's. dood houwn. iemand die een machine geweer heeft zijn we dr zo af. Dood houwn dat volk.”.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 17 november 2018 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, in het openbaar bij geschrift, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft verdachte middels een Facebookaccount “ [verdachte] ” een bericht op Facebook geplaatst en gedeeld met de inhoud: “homo's. dood houwn. iemand die een machine geweer heeft zijn we dr zo af. Dood houwn dat volk.”

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt de eis van de officier van justitie fors is. Een geldboete zou passender zijn. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het tijdsverloop.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank hecht er aan om enkele opmerkingen vooraf te maken. In de eerste plaats over de wijze waarop de zaken aan de rechtbank zijn voorgelegd. De zaak van iedere verdachte zou normaal gesproken afzonderlijk bij de politierechter worden aangebracht, in de regel in het arrondissement waar verdachte woont. De aanpak in de onderhavige zaak, waarbij verdachte samen met 24 medeverdachten is gedagvaard om voor de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam te verschijnen, staat het OM vrij, maar het gevolg hiervan is dat de behandeling van de zaak meer impact op verdachte heeft dan wanneer de zaak door de politierechter in het eigen arrondissement was afgedaan. De zaak heeft immers mede hierdoor veel aandacht in de nationale media gekregen.

Daarnaast zijn er veel meer reacties onder de livestream van aangeefster geweest dan dat er verdachten worden vervolgd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet in strijd met gelijkheidsbeginsel, maar is de wijze waarop de selectie door het OM heeft plaatsgevonden, met name dat een groot deel van de uitlatingen door vrienden van aangeefster is geselecteerd en niet zelf door het OM is bekeken, onvoldoende zorgvuldig.

De rechtbank kan zich gelet op het voorgaande voorstellen dat de wel vervolgde verdachten zich enigszins ‘kop van jut’ voelen, en zal daar bij de strafmaat (in beperkte mate) rekening mee houden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opruiing door op Facebook onder de livestream van aangeefster voornoemde reactie te plaatsen. De rechtbank vindt dit een ernstig feit. Verdachte heeft zich op sociale media bediend van grof en gewelddadig taalgebruik waarbij hij in de eerste plaats heeft aangezet tot in ieder geval (zware) mishandeling, dan wel het plegen van een moord of doodslag op de demonstranten. Gelukkig is dit niet daadwerkelijk gebeurd, maar verdachte had iemand op het idee kunnen brengen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, ondanks dat hij zich bewust moet zijn geweest van de consequenties die zijn woorden mogelijk zouden hebben, de reactie niettemin onder de livestream op Facebook heeft geplaatst. De openbare orde is hierdoor in gevaar gebracht en aangeefster heeft zich, zoals blijkt uit haar aangifte, bedreigd gevoeld. De berichten hebben een flinke impact op haar leven gehad. Verdachte heeft hier met zijn uitlating een bijdrage aan geleverd. De rechtbank houdt eveneens rekening met de proceshouding van verdachte, waaruit blijkt dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

Voor alle veroordeelde verdachten heeft de rechtbank dezelfde criteria toegepast bij het bepalen van de straf.

De rechtbank heeft in straf verzwarende zin meegewogen:

- of sprake is van meerdere uitlatingen;

- in de zaken waarin het aanzetten tot discriminatie of het beledigen wegens ras bewezen is verklaard, of sprake is van uitingen die oproepen tot geweld tegen de zwarte mensen;

- in de zaken waarin opruiing is bewezen verklaard, of sprake is van een discriminatoir aspect;

De rechtbank heeft in alle zaken in straf verminderende zin meegewogen:

- of de verdachte oprecht inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn of haar gedrag;

- ( in beperkte mate) of verdachte ter terechtzitting is verschenen (behoudens in de gevallen waar voor het niet verschijnen een goede reden was);

- met het feit dat sprake is van vervolging door middel van een dagvaarding voor de meervoudige kamer in het kader van een megaproces in Amsterdam, dat veel aandacht heeft gehad in de media;

- met de lange tijd die het heeft geduurd voor de zaak op zitting kwam.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de rede ligt.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om een geldboete op te leggen. Dit zou geen recht doen aan de ernst van het feit.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf van 28 uren passend en geboden.

10 Benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert € 150,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De Hoge Raad overweegt in het arrest van 15 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:376 (https://www.navigator.nl/document/id4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279?anchor=id-dc176ad2-2261-4bb4-93f7-f638e9a45b03)) het volgende over het toekennen van schadevergoeding.

Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van de in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is (vgl. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2551, rov. 3.4 (NJ 1998/366; red.)).

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet heeft onderbouwd dat de handelingen van verdachte hebben geleid tot psychische schade. Evenmin is de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank op andere wijze in de persoon aangetast doordat door verdachte inbreuk is gemaakt op het recht van betoging, vrije nieuwsgaring of vrijheid van meningsuiting van de benadeelde partij. In voormeld arrest van 15 maart 2019 heeft de Hoge Raad bepaald dat van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW niet reeds sprake is bij de enkele schending van een fundamenteel recht, maar dat dit afhangt van de aard en de ernst van de schending en van de gevolgen die dit voor de benadeelde partij heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de opruiende uitlatingen van verdachte zodanige gevolgen hebben gehad voor de benadeelde partij dat op grond hiervan sprake is van een wettelijke grondslag voor het toekennen van een schadevergoeding. Daarbij weegt de rechtbank mee dat niet is gebleken dat de benadeelde partij en haar mededemonstranten hun recht op betoging, vrije nieuwsgaring en vrijheid van meningsuiting ten gevolge van de opruiende berichten van verdachte en anderen niet hebben kunnen uitoefenen.

Hoewel de bewezenverklaarde uitlating wel als beledigend en discriminerend aangemerkt kan worden voor homoseksuelen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een aantasting van de eer of goede naam van de benadeelde partij. In de zaken in het onderzoek 13Bitburg waar sprake is van een beledigend of discriminatoir aspect jegens de benadeelde partij is de vordering wel toegewezen, omdat zij in die gevallen wel in haar eer of goede naam is aangetast.

De rechtbank concludeert dat de vordering van de benadeelde partij in de zaak van verdachte moet worden afgewezen omdat de gevorderde vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor vergoeding.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 131 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

het in het openbaar bij geschrift opruien tot enig strafbaar feit

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 28 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 14 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2020.

[--]

.