Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5256

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
13/012622-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak discriminatie van anti Zwarte Piet demonstrant

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.012622.20

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/012622-20

Datum uitspraak: 2 november 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. Nijkerk en van wat de raadsvrouw verdachte mr. I. Djordjevic naar voren heeft gebracht.

2 Inleiding

Op 17 november 2018 vond tijdens de intocht van Sinterklaas in Amstelveen een demonstratie tegen Zwarte Piet plaats. Een van de aanwezige demonstranten, [slachtoffer] , plaatste op haar privépagina op Facebook een livestream van deze demonstratie. Hierop kreeg zij duizenden (in overwegende mate negatieve) reacties.

[slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft op 20 november 2018 aangifte gedaan van racistische, seksistische, beledigende en bedreigende berichten. Uit de aangifte volgt dat het lezen van deze teksten heel heftig en ingrijpend voor aangeefster is geweest. Zij geeft aan dat zij zich onveilig voelt door de berichten. Aangeefster heeft materiaal dat voor een deel door haarzelf en voor een deel door vrienden van haar is verzameld aan de politie ter beschikking gesteld.

Naar aanleiding van de aangifte is onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) het onderzoek 13Bitburg gestart. Het aangedragen materiaal is onderzocht en geprobeerd is de identiteit te achterhalen van de personen die berichten hebben geplaatst.

Verdachte is één van de 25 personen in het onderzoek 13Bitburg waarvan het OM tot dagvaarding heeft besloten. Elk van de 25 zaken staat op zich, maar de aanleiding (de reactie op de livestream van het protest tegen Zwarte Piet) is hetzelfde.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting uitgelegd hoe het OM tot de vervolging van juist deze 25 personen, waaronder verdachte, is gekomen. De basis voor het politie onderzoek is het door en namens aangeefster overhandigde materiaal, bestaande uit ongeveer 200 berichten. Het OM heeft deze berichten beoordeeld aan de hand van de volgende wegingsfactoren: de ernst van de uitlating (waarbij als criterium is aangelegd of de berichten een aantoonbaar racistisch dan wel geweldselement bevatten), of het bericht direct aan aangeefster is gericht en of meerdere malen een bericht is geplaatst. Naar de 40 Facebookprofielen die overbleven is een onderzoek gestart. Na voltooiing van dit onderzoek heeft het OM een keuze gemaakt welke afdoeningsmodaliteit passend en geboden was. Dit heeft er toe geleid dat een vijfde van de zaken (al dan niet voorwaardelijk) is geseponeerd, al dan niet met bijzondere voorwaarden. Tevens zijn er strafbeschikkingen aangeboden. De overige verdachten hebben een dagvaarding ontvangen.

3 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 november 2018 te Amstelveen en/of te Assen, in elk geval
in Nederland, zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten negroïde personen wegens hun ras, door middels Facebookaccount “ [naam account] ” een bericht op Facebook te plaatsen en te delen met de inhoud: “kanker op zwarte kanker leiers dan no more black face kk op naar je eige kk lang”.

4 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging

5 Vrijspraak

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen. Het is niet aannemelijk dat de uitlating door iemand anders dan verdachte is geplaatst.

Verdachte heeft met de uitlating de grens van het toelaatbare overschreden. Dit maakt dat er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestaat om verdachte in het recht op vrijheid op meningsuiting te beperken. Een veroordeling is in dit geval een geoorloofde en ook noodzakelijk beperking van de vrijheid van meningsuiting.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat alhoewel vastgesteld kan worden dat de grievende reactie vanaf het Facebookaccount van verdachte is geplaatst, niet uitgesloten kan worden dat de uiting door een ander dan verdachte middels zijn account zijn geplaatst. Verdachte woonde destijds in een instelling voor personen met psychische- en drugsproblemen. In die instelling woonden ook twintig anderen. Verdachte is een kwetsbare en beperkte man, die ten tijde van het ten laste gelegde feit vaak andere bewoners uit de instelling in zijn woonruimte ontving. Het is niet ondenkbaar dat iemand anders uit de instelling bij verdachte heeft ingelogd zonder dat hij dit door had, en via zijn Facebookaccount de reactie heeft geplaatst. Ook kan het zijn dat verdachte op de gezamenlijke computer stond ingelogd op Facebook en vergeten is om weer uit te loggen, waarna een ander via zijn Facebookaccount de reactie heeft geplaatst. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat verdachte het bericht heeft geplaatst, zodat hij moet worden vrijgesproken.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat het ten laste gelegde bericht via het Facebookaccount van verdachte is gestuurd. Verdachte heeft steeds stellig ontkend dat hij dit bericht heeft verstuurd. Hij heeft bij de politie de mogelijkheid geopperd te zijn gehackt. Daarnaast heeft hij verklaard dat er meerdere mensen bij hem thuis komen, die mogelijk op zijn account hebben ingelogd.

De rechtbank stelt vast dat ondanks de ontkenning van verdachte en het mogelijke alternatieve scenario dat door hem is geschetst, geen enkel aanvullend onderzoek is verricht om na te gaan of de stelling van verdachte kan kloppen. Zo is de telefoon van verdachte niet onderzocht. Evenmin is onderzoek verricht of bij het plaatsen van het bericht gebruik is gemaakt van een IP-adres dat overeenkomt met de instelling waar verdachte destijds verbleef. Nu dergelijk technisch onderzoek naar de oorsprong van het betreffende bericht ontbreekt en niet is onderzocht op welke wijze, wanneer of door wie het bericht is geplaatst, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte het bericht heeft geplaatst. De enkele omstandigheid dat het bericht is verstuurd vanuit zijn Facebookaccount is daarvoor in dit geval onvoldoende. Het kan onvoldoende worden uitgesloten dat het is gegaan zoals verdachte stelt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 18 april 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:1331).

Gelet op het voorgaande zal verdachte worden vrijgesproken.

6 Ten aanzien van benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 100,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2020.