Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5247

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
Parketnummer: 13/751532-20
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB België - Terugkeerkeergarantie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751532-20

RK nummer: 20/3057

Datum uitspraak: 10 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juni 2020 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres], [plaats]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek, afgeleverd op 23 juni 2020 door Johan Desseyn, onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid van de stukken

De raadsman voert aan dat de stukken ongenoegzaam zijn aangezien in het EAB de pleegperiode als volgt wordt omschreven: "In de periode van 1 januari 2019 tot en met heden, minstens op

23 november 2019 en 30 november 2019." Deze omschrijving voldoet niet voor toetsing aan het specialiteitsbeginsel omdat de pleegperiode niet eenduidig is.

De officier van justitie voert aan dat de stukken van het EAB genoegzaam is, nu uit de feitsomschrijving in het EAB voldoende naar voren komt welke pleegperiode wordt bedoeld.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient de overlevering een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In het EAB onder e) staat in dit verband, zakelijk weergegeven, dat de feiten werden gepleegd als daden van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging en vervolgens worden in de feitsomschrijving verschillende strafbare handelingen in verband met het bezit en de handel in verdovende middelen beschreven die passen in de pleegperiode van 1 januari 2019 tot en met 23 juni 2020.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht genoegzaam zijn omschreven. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder is de omschrijving van de feiten zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en is de specialiteit voldoende gewaarborgd. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de overlevering wordt gevraagd ten behoeve van vervolging, terwijl het strafrechtelijk onderzoek kennelijk nog niet is afgerond, zodat de omvang van verdenking nog niet volledig vast staat. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Procureur des Konings heeft op 17 augustus 2020 de volgende garantie gegeven:

"Met verwijzing naar uw verzoek van 13/08/2020, inzake het Europees aanhoudingsbevel dd.

17/06/2020, uitgaande van Johan Desseyn, onderzoeksrechter te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, lastens de genaamde [opgeëiste persoon] ([geboortedag]2001) heb ik de eer u volgende garantie te verstrekken:

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar NEDERLAND van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon].

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar NEDERLAND zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ). Na de terugkeer kan de Belgische vrijheidsbenemende straf of maatregel worden aangepast naar NEDERLANDSE maatstaven."

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan. De strafbare feiten leveren naar Nederlands recht op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:

- de drugs werden ingevoerd in België;

- de Belgische rechtsorde is hierdoor geschokt;

- België heeft door middel van het uitvaardigen van het EAB aangegeven te willen vervolgen;

- de medeverdachten van de opgeëiste persoon worden ook in België vervolgd.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2 en 10 Opiumwet, artikel 47 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.


Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.