Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5245

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
Parketnummer: 13/751480-19
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB Duitsland - dubbele strafbaarheid designerdrugs - genoegzaamheid stukken- artikel 13 OLW - terugkeergarantie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751480-19

RK nummer: 19/3503

Datum uitspraak: 10 september 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 mei 2019 door het Amtsgericht Köln (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [plaats]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 29 oktober 2019

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 oktober 2019. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat uit een e-mail van

24 oktober 2019 van de Duitse autoriteit blijkt dat overleg gaande is tussen de zaaksofficier van justitie in Duitsland en de verdediging waarbij ook betrokken is de Duitse advocaat van de opgeëiste persoon en dat niet kan worden uitgesloten dat de uitkomst van die besprekingen van belang kan zijn voor de beslissing op dit verzoek tot overlevering.

Bij e-mail van 20 januari 2020 heeft de Duitse autoriteit laten weten dat zij niet de intentie heeft om het EAB in te trekken en dat het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon gehandhaafd blijft.

Zitting 27 augustus 2020

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 27 augustus 2020.

Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie

mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen met terugwerkende kracht voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, uitgevaardigd door het Amtsgericht Köln en gedateerd 6 mei 2019. Zaaknummer: 506 Gs 966/19.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 52 naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid van de stukken

De raadsman heeft aangevoerd dat de feitsomschrijving van het EAB ongenoegzaam is en dat de overlevering dient te worden geweigerd dan wel dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om aanvullende informatie bij de Duitse autoriteit op te vragen over de betrokkenheid van de opgeëiste persoon.

De raadsman voert hiertoe aan dat uit het Duitse strafdossier blijkt dat de opgeëiste persoon geen bemoeienis heeft gehad met de inkoop of verkoop van de in het EAB genoemde psychotrope stoffen. De beschuldiging dat de opgeëiste persoon betrokken zou zijn bij de verkoopstructuur van de psychotrope stoffen is dan ook ongefundeerd. De opgeëiste persoon heeft weliswaar met de medeverdachten samengewerkt in een legale onderneming maar wist niks van de handel in psychotrope stoffen af. Bovendien blijkt uit het Duitse strafdossier dat de in Nederland strafbaar gestelde stoffen nooit in Duitsland zijn aangetroffen. Op de websites waar de opgeëiste persoon aan wordt gelinkt zijn inderdaad strafbare stoffen genoemd. Die stoffen werden als lokkertje op de website gezet maar werden in werkelijkheid nooit verkocht.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het EAB genoegzaam is en het specialiteitsbeginsel kan waarborgen. Volgens de officier van justitie is de overlevering derhalve toelaatbaar.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient de overlevering een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In het EAB onder e) staat in dit verband, zakelijk weergegeven, het volgende vermeld.

De opgeëiste persoon zou in de periode van juli 2016 tot en met april 2019 te Gronau (Duitsland) en op ander plaatsen, in vereniging met in elk geval drie andere Nederlandse verdachten, verboden synthetische drugs via verschillende internethandelplatforms aan afnemers in heel Europa hebben afgeleverd. Er worden 52 leveringen genoemd, onder vermelding van de daarbij verzonden hoeveelheden stoffen.

Vermeld is verder, dat de opgeëiste persoon was betrokken bij de verkoopstructuur en in verschillende mate participeerde in de op deze wijze gegenereerde inkomsten. In 52 gevallen brachten de daders synthetische drugs vanuit Nederland de Duitse grens over.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht genoegzaam zijn omschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder is de omschrijving van de feiten zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en is de specialiteit voldoende gewaarborgd.

Vermelding van de gronden van de verdenking is niet vereist. Eventuele bewijsverweren, zoals het verweer van de raadsman dat de opgeëiste persoon niet betrokken was bij de verkoopstructuur, zullen in geval van overlevering aan de orde kunnen komen in de Duitse strafprocedure. De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat sprake is van een strafrechtelijk onderzoek dat kennelijk nog niet is afgerond, zodat de omvang van de verdenking nog niet vast staat. De rechtbank ziet gelet op al het voorgaande geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Senior officier van justitie te Keulen heeft op 29 mei 2019 met betrekking tot de ‘overlevering van de Nederlandse staatsburger [opgeëiste persoon] ’ de volgende garantie gegeven:

De verzekering wordt gegeven dat de vervolgde persoon ingeval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland teruggezonden zal worden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Dubbele strafbaarheid

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De raadsman stelt zich aan de hand van zijn ter zitting van de rechtbank overhandigde pleitnota op het standpunt dat conform de uitspraak van de rechtbank in de zaak van de medeverdachte van 20 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6196) de stoffen met de volgende nummers dubbel strafbaar zijn: 6, 12, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50 en 51, voor zover deze zien op de middelen 4-FA, 4MEC, α-PVP, AB CHMINACA, 5F-MDMB-PINACA, methylon, ethylfenidaat en fentanyl. De overlevering met betrekking tot die stoffen kan worden toegestaan in het geval de rechtbank voorbij gaat aan het gevoerde genoegzaamheidsverweer. Voor het overige dient de overlevering te worden geweigerd.

De officier van justitie acht dezelfde stoffen dubbel strafbaar als de raadsman, alsmede de stof Etizolam. Van deze stof heeft de officier van justitie gesteld dat het verhandelen daarvan strafbaar is op grond van artikel 40, eerste en tweede lid, van de Geneesmiddelenwet.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de feitomschrijving in het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon tezamen met anderen sinds juli 2016 via verschillende internethandelplatforms aan afnemers in heel Europa synthetische drugs heeft aangeboden die zijn aangeduid als “Synthetic Cannabinoids”, “Research Chemicals”, “Blot’s Benzo’s Blends & Pills” en “Blots and Pills” en ook aan afnemers in Duitsland heeft afgeleverd. Vervolgens worden 52 leveringen genoemd, onder vermelding van de daarbij verzonden hoeveelheden stoffen.

Een aantal van de volgens het EAB door de opgeëiste persoon aangeboden en verzonden stoffen zijn strafbaar volgens lijst I van de Opiumwet, te weten: 4-FA, 4‑MEC, α-PVP, AB‑CHMINACA, 5F-MDMB-PINACA, methylon, ethylfenidaat en fentanyl. Voor de vervolging van de opgeëiste persoon vanwege het aanbieden, verkopen, in- of uitvoeren en verzenden van die stoffen wordt de overlevering daarom toegestaan. Dat betreft de feiten vermeld onder nummer 6, 12, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50 en 51 uit het EAB voor zover zij zien op de hiervoor vermelde stoffen.

Het EAB vermeldt bovendien dat het middel Etizolam op de daar genoemde websites is aangeboden en ook enkele malen aan afnemers is verzonden. In de e-mail van het NFI van

23 juli 2019 wordt vermeld dat Etizolam in Nederland als geneesmiddel wordt aangemerkt en dat artikel 40, eerste en tweede lid, Geneesmiddelenwet van toepassing is. De rechtbank neemt deze informatie van het NFI over en is dan ook van oordeel dat kan worden vastgesteld dat het aanbieden en leveren van de stof Etizolam zonder handelsvergunning naar Nederlands recht strafbaar is zodat de overlevering ten aanzien van de feiten 27 en 32, voor zover deze zien op de stof Etizolam moet worden toegestaan.

Voor de overige stoffen is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het aanbieden en leveren van daarvan naar Nederlands recht strafbaar is, zodat de overlevering voor de feiten die zien op deze stoffen moet worden geweigerd.

De feiten vermeld onder nummer 6, 12, 27, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50 en 51 uit het EAB zijn naar Nederlands recht strafbaar voor zover zij zien op de hiervoor vermelde middelen op lijst 1 van de Opiumwet en voor zover zij zien op de stof Etizolam:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 2, aanhef, onder A en B van de Opiumwet gegeven verboden, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van overtreding van een voorschrift, strafbaar gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, terwijl het feit opzettelijk is begaan, meermalen gepleegd.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:

- de middelen zijn op Duits grondgebied ingevoerd;

- de rechtsorde van Duitsland is geschaad;

- de vervolging is in Duitsland aangevangen;

- de medeverdachten worden in Duitsland vervolgd;

- het bewijs bevindt zich grotendeels in Duitsland.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW ten aanzien van het aanbieden, de invoer en het afleveren van de stoffen waarvoor de overlevering wordt gevraagd en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor de feiten vermeld onder nummer 6, 12, 27, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50 en 51 te worden toegestaan voor zover deze zien op de middelen 4-FA, 4 MEC, α-PVP, AB CHMINACA, 5F-MDMB-PINACA, methylon, ethylfenidaat, etizolam en fentanyl. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

9 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1 en 40 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Köln ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder 6, 12, 27, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50 en 51 omschreven feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, voor zover deze zien op de middelen 4-FA, 4 MEC, α-PVP, AB CHMINACA, 5F-MDMB-PINACA, methylon, ethylfenidaat, etizolam en fentanyl.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de hiervoor vermelde feiten en deze niet zien op de hiervoor vermelde middelen en voor de overige feiten.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.