Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5242

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
13/088071-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van inbraak. Herkenningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/088071-20 (Promis)

Datum uitspraak: 23 oktober 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2020.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de

medeverdachte [naam medeverdachte] (13/086535-20).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Jironet en van wat verdachte en zijn raadsman mr. F.N. Dijkers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij samen met anderen een woninginbraak heeft gepleegd op 4 mei 2019 in Amsterdam. Er zou een kluis zijn weggenomen met een grote waarde aan sieraden en tassen.

Aan verdachte is daarom ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 4 mei 2019 te Amsterdam omstreeks 03:00, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, op of aan de [adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meer goederen (waaronder een kluis en/of diamanten oorringen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam benadeelde partij] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang

tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming.

3 Vrijspraak

3.1.

Feiten en omstandigheden

In de nacht van 4 mei 2019 is ingebroken in een woning aan de [adres 2] in Amsterdam. Toen aangever in de ochtend met zijn gezin thuis kwam van vakantie, zag hij dat alle sloten uit de deur waren geboord. Aangever heeft toen de politie gebeld. Nadat de politie het huis veilig had verklaard, is aangever naar binnen gegaan. In de slaapkamer zag hij dat de kluis – die vast zat aan een stalen plaat - was verdwenen. Bij de inbraak zijn meerdere goederen weggenomen, waaronder een grote hoeveelheid kostbare sieraden en designertassen.

Op de bewegende beelden van de beveiligingscamera van de woning is te zien dat de inbraak door drie mannen is gepleegd. Alle drie de mannen hebben tussen 00:27 uur en 02:05 uur handelingen aan de voordeur verricht met vermoedelijk een schroevendraaier en een slotentrekker. Vervolgens zijn ze naar binnen gegaan. Om 03:14 uur verlieten de mannen de woning. Op de camerabeelden van restaurant [naam restaurant] is zichtbaar dat één van de mannen een groot rechthoekig voorwerp wegdroeg. De verbalisant die de beelden bekeken en beschreven heeft merkt op dat de drie mannen zeer alert waren op de beveiligingscamera van de woning. Zij probeerden hun gezicht van de camera af te wenden, bedekten hun gezicht met hun handen en droegen capuchons.

De camerabeelden zijn bij de politie intern verspreid. Dit heeft echter geen resultaat opgeleverd. Vervolgens zijn de beelden op 14 januari 2020 in een uitzending van Opsporing Verzocht getoond. Naar aanleiding van die uitzending zijn bij het Team Criminele Inlichtingen drie meldingen binnengekomen waarin verdachte wordt genoemd als één van de daders van de inbraak.

3.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat de inbraak kan worden bewezen. De herkenningen van de verbalisanten in het dossier zijn niet vooringenomen. Het zijn onafhankelijke en specifieke herkenningen, die op ambtseed zijn opgemaakt. Deze herkenningen kunnen volgens de officier van justitie dus worden gebruikt voor het bewijs.

3.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – onder verwijzing naar de op schrift gestelde pleitnotities – vrijspraak bepleit. De vier herkenningen door de verbalisanten [naam verbalisant 1] , [naam verbalisant 2] , [naam verbalisant 3] en [naam verbalisant 4] zijn beïnvloed door voorkennis. Het enige andere bewijsmiddel dat op betrokkenheid van verdachte duidt, de herkenning van verbalisant [naam verbalisant 5] , is te summier om een bewezenverklaring op te baseren. [naam verbalisant 5] heeft pas op een later moment gespecificeerd waaraan hij verdachte herkent en aan deze invulling achteraf komt geen bewijswaarde toe. Het dossier bevat verder geen objectief ondersteunend bewijs dat verdachte bij de inbraak betrokken was.

3.4.

Oordeel van de rechtbank

Deze zaak staat of valt met de vraag welke (bewijs)waarde de rechtbank toekent aan de gezichtsherkenningen en vergelijkingen die de verbalisanten hebben gedaan. De rechtbank zal eerst ingaan op het toetsingskader daarvan en vervolgens beschrijven hoe dat uitwerkt in deze zaak.

Beoordeling van de gezichtsherkenningen

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met de beoordeling van herkenningen. Dit geldt te meer als deze herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het hem ten laste gelegde kunnen aantonen. Het komt bij de beoordeling van het bewijs erop aan dat kan worden getoetst of de aan de hand van foto’s of beelden door de verbalisanten gedane herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het is noodzakelijk een onderscheid te maken tussen herkenningen en gezichtsvergelijkingen. Uit de wetenschap volgt dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Gezichtsvergelijkingen daarentegen geschieden door een foto van een verdachte te vergelijken met beschikbare camerabeelden.

Om de betrouwbaarheid van gezichtsvergelijkingen te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat degene die tot een positieve vergelijking komt, aangeeft op welke overeenstemmende onderscheidende gezichtskenmerken die vergelijking gebaseerd is, bij afwezigheid van zichtbare verschillen.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning zijn de volgende elementen van belang. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de camerabeelden of stills daarvan, voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren. Hierbij is van belang wat de mate van kwaliteit van de beelden is en in hoeverre hierop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Het tweede beoordelingselement staat daarmee in nauw verband, namelijk hoe goed de herkenner verdachte kent. Hoe beter men verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht. Ten slotte dient de rechtbank te bekijken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken.

Kwaliteit van de stills en camerabeelden

De bewegende camerabeelden zijn op de zitting bekeken. De rechtbank vindt, op basis van haar eigen waarneming, de camerabeelden en de stills van voldoende kwaliteit en voldoende duidelijk om als basis voor herkenning te dienen. Ten aanzien van NN1, de persoon die door de verbalisanten wordt herkend als verdachte, heeft de rechtbank geconstateerd dat de voorkant van het gezicht goed zichtbaar is, maar dat een deel van het gezicht wordt bedekt door zijn capuchon.

Betrouwbaarheid van de vergelijkingen en herkenningen

In het dossier bevinden zich de volgende twee vergelijkingen (verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 4] ) en drie herkenningen (verbalisanten [naam verbalisant 2] , [naam verbalisant 3] en [naam verbalisant 5] ).

Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft naar aanleiding van de TCI-informatie een foto van verdachte vergeleken met de camerabeelden. Hij zag overeenkomstige kenmerken tussen verdachte en NN1 op de camerabeelden, namelijk zijn opvallend spitse neus, smalle mond, haarlijn en lange kin. [naam verbalisant 1] had daardoor sterk het vermoeden dat verdachte NN1 is.

Verbalisant [naam verbalisant 4] heeft op verzoek van haar collega de camerabeelden en een foto van verdachte vergeleken. [naam verbalisant 4] herkent verdachte aan zijn lichte baardgroei/ringbaardje en zijn spitse, recht aflopende neus.

Verbalisant [naam verbalisant 2] heeft in het proces-verbaal van herkenning verklaard dat hij de camerabeelden heeft bekeken, verdachte daarna heeft aangehouden en verhoord en vervolgens heeft herkend aan zijn lichte baardgroei/snorretje en spitse, recht aflopende neus.

Verbalisant [naam verbalisant 3] heeft verdachte gezien tijdens het verhoor. Voorafgaande aan het verhoor heeft zij de camerabeelden bekeken en tijdens het verhoor heeft zij verdachte vergeleken met de stills van de camerabeelden. Zij zag zeer veel overeenkomsten en specifieke gelijkenissen en herkende verdachte aan zijn puntige smalle neus, de ingevallen vorm van zijn ogen en zijn haargrens.

Verbalisant [naam verbalisant 5] kreeg via een e-mail een fotoserie van de inbraak te zien. Hij herkende verdachte als zijnde NN1. [naam verbalisant 5] kent verdachte van meerdere straatcontacten in het werkgebied [werkgebied] in de periode tussen 2010 en 2016. In een aanvullend proces-verbaal heeft [naam verbalisant 5] toegelicht dat hij verdachte herkent aan zijn opvallende rimpels op het voorhoofd, zijn spitse neus, haargroei van de baard en zijn kleine mond met smalle lippen.

Ten aanzien van de vergelijkingen en herkenningen door de verbalisanten overweegt de rechtbank als volgt.

Voor [naam verbalisant 2] , [naam verbalisant 3] , [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 4] geldt dat zij verdachte niet kenden voordat hij in beeld kwam als verdachte in deze zaak.

[naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 4] hebben verdachte aangewezen als NN1 nadat zij een foto van hem hebben vergeleken met de camerabeelden. Daarmee is geen sprake van herkenning maar van een gezichtsvergelijking. De door de verbalisanten genoemde persoonskenmerken zijn naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderscheidend. De rechtbank zal de vergelijkingen van [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 4] dan ook als bewijsmiddel terzijde schuiven.

Voor [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] geldt dat zij de camerabeelden hebben bekeken en daarna verdachte, voor het eerst, hebben gezien tijdens het verhoor. Vervolgens hebben zij verdachte herkend als de NN1 op de camerabeelden. Die herkenning is dus gedaan in de wetenschap dat verdachte als verdachte van de inbraak was aangemerkt. Zo’n herkenning heeft minder waarde dan wanneer de verbalisanten verdachte spontaan, zonder enige voorkennis, zouden hebben herkend. De rechtbank acht de bewijskracht van de herkenningen door [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] om die reden beperkt.

Tenslotte heeft verbalisant [naam verbalisant 5] verdachte zonder voorkennis herkend op de camerabeelden. De rechtbank merkt allereerst op dat het opvallend is dat deze herkenning is gedaan op 26 maart 2020, bijna 11 maanden na de inbraak, en het proces-verbaal pas is opgemaakt op 28 juni 2020, een dag voor de aanhouding van verdachte. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat [naam verbalisant 5] verdachte kent uit de periode tussen 2010 en 2016. [naam verbalisant 5] heeft verdachte dus kennelijk al enkele jaren niet gezien. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank ook aan de herkenning door [naam verbalisant 5] slechts beperkte bewijskracht toekomt.

Nu aan de herkenningen - bij gebreke van ondersteuning in het overige bewijsmateriaal - niet de kracht en waarde kan worden toegekend die nodig zijn om tot een bewezenverklaring te komen, is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken was bij de inbraak. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken.

4 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen: 1 STK Hennep (5939967)

4.1.

Onttrekking aan het verkeer

Nu dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar het misdrijf waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van een misdrijf en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

5 Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] vordert € 139.540,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1 STK Hennep (5939967)

Verklaart [naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. A.C.J. Klaver en J.M.R. Vastenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2020.