Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5187

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
Parketnummer: 13/751429-20
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Vervolging Frankrijk - Tussenuitspraak - Detentie omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751429-20

RK nummer: 20/3041

Datum uitspraak: 3 september 2020

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 mei 2020 door de Procureur van de Republiek te Nanterre (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Chili) op [geboortedag] 1993

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 augustus 2020. Het verhoor van de opgeëiste persoon heeft via telehoren plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman

mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Spaanse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Chileense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot aanhouding van 14 mei 2020, uitgesproken door de Ondervoorzitter belast met Onderzoeken bij de Gerechtelijke Rechtbank te Nanterre.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 18, te weten:

1. Deelname aan een criminele organisatie

18: Georganiseerde of gewapende diefstal

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens en de aanvullende informatie van de Franse autoriteiten in de e-mail van 24 augustus 2020 is op deze feiten naar Frans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘het
Handvest’)

5.1.

Standpunt raadsman

De raadsman is zich ervan bewust dat in deze zaak geen garanties zijn verstrekt dat de opgeëiste persoon na overlevering niet zal worden geplaatst in de penitentiaire instellingen van Bordeaux-Gradignan en Fresnes, in welke instellingen de detentieomstandigheden mogelijk in strijd zijn met artikel 4 Handvest. Bovendien blijkt uit de brief van de Franse autoriteiten van 17 juli 2020 dat er een mogelijkheid bestaat dat de opgeëiste persoon in één van deze penitentiaire inrichtingen zal worden geplaatst. De raadsman verzoekt namens de opgeëiste persoon, ondanks het voorgaande, dat zo spoedig mogelijk uitspraak in deze zaak zal worden gedaan.

5.2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie deelt mede dat in de zaak met parketnummer: 13.751.495-20 dezelfde problematiek speelt als in deze zaak. In die zaak zal op 3 september 2020 uitspraak worden gedaan. Daarom kan in deze zaak niet eerder dan op 3 september 2020 uitspraak worden gedaan.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Op 20 augustus 2020 is door de Franse autoriteiten de garantie verstrekt dat de opgeëiste persoon niet in de penitentiaire inrichting in Nîmes zal worden geplaatst.

Verder is bij schrijven van 17 juli 2020 nadere, geactualiseerde, informatie over de penitentiaire inrichtingen in Bordeaux-Gradignan en Fresnes verstrekt. Deze informatie houdt, kort gezegd, onder meer in dat er in deze penitentiaire inrichtingen 3 of meer m² ruimte beschikbaar is voor veruit de meeste gedetineerden.

Niet is meegedeeld dat de opgeëiste persoon niet in één van beide penitentiaire inrichtingen zal worden geplaatst.

Ten aanzien van de penitentiaire inrichting Bordeaux-Gradignan

Bij tussenuitspraak van 31 januari 20191 heeft de rechtbank met betrekking tot deze inrichting geoordeeld:

Ter onderbouwing heeft de raadsman ter zitting stukken aan de rechtbank overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat in deze instelling sprake is van een overbevolking van (ongeveer) 171,95 procent bij de mannen. (…)

De rechtbank is – ambtshalve en op basis van het gevoerde verweer – bekend met de berichtgeving in (onder andere) de Franse media over de detentieomstandigheden in bepaalde Franse detentie-instellingen.

Gelet op het hiervoor vermelde vereiste om te beslissen op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens, is de rechtbank van oordeel dat de op dit moment beschikbare gegevens – voornamelijk berichten uit de media – onvoldoende zijn om daar op dit moment het oordeel op te baseren dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in detentie-instelling Bordeaux-Gradignan zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De thans beschikbare gegevens – en in het bijzonder de gegevens afkomstig van het Observatoire International des Prisons met betrekking tot de overbevolking in de detentie-instelling in Bordeaux-Gradignan – geven echter, gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, wel aanleiding het onderzoek in deze zaak te heropenen en de behandeling van de vordering aan te houden om nadere gegevens te verkrijgen van de Franse uitvaardigende autoriteit teneinde de vraag naar het bestaan van genoemd reëel gevaar te kunnen beantwoorden.

De rechtbank heeft in voornoemde tussenuitspraak de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om aan de Franse uitvaardigende autoriteit te vragen om gegevens op basis waarvan de vraag kan worden beantwoord of er een reëel gevaar bestaat dat personen die in detentie-instelling Bordeaux-Gradignan zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten en conform het besliskader in het arrest Aranyosi en Căldăraru van het Hof van Justitie van de Europese Unie2.

De informatie van 17 juli 2020 bevat dergelijke gegevens. Hierin wordt over deze penitentiaire inrichting onder meer het volgende meegedeeld:

“As of May 29, 2020, the Gradignan-Bordeaux prison institution greeted 507 prisoners (men, women, minors) within the quartier mandat d'arrêt. Not including the confinement section (CS) and disciplinary quarter (DQ). Eighteen cells have a surface of 8 to 9 m2 and 325 cells a surface of 9 to 10 m2. Ninety eight percent of the penal population benefit from a space greater than 3 m2, all cells having a surface greater than 8 m2. Apart from two specific cells, all the cells have only two beds and no cell has more than two inmates. In addition, 26 % of the prison population benefits from an individual confinement.”

Op basis van voornoemde informatie ziet de rechtbank aanleiding om nog enkele nadere vragen te stellen, waarbij de rechtbank op dit moment nog in het midden laat of er naar haar oordeel een reëel gevaar bestaat dat personen die in detentie-instelling Bordeaux-Gradignan zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld.

De volgende vragen dienen nog te worden beantwoord:

  1. Over hoeveel m² personal space beschikken de 2% gedetineerden die niet over meer dan 3 m² personal space beschikken? Indien het om gedetineerden in een meerpersoonscel gaat, is het aantal m² personal space dan inclusief of exclusief het sanitair?

  2. Over hoeveel m² personal space beschikken de overige 98% gedetineerden in respectievelijk een éénpersoonscel dan wel een tweepersoonscel en - ten aanzien van de tweepersoonscellen - is dit inclusief of exclusief het sanitair?

Ten aanzien van de penitentiaire inrichting Fresnes

Op 21 februari 20203 heeft de rechtbank met betrekking tot de detentieomstandigheden in deze inrichting geoordeeld:

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de uitspraak van het EHRM van 30 januari 2020 4 . De rechtbank oordeelt dat hieruit volgt dat ook ten aanzien van de detentie-instelling in Fresnes sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. Uit de uitspraak (in het bijzonder rechtsoverwegingen 260, 300 en 301) volgt dat sprake is van (onder meer) overbevolking, onvoldoende personal space (minder dan 3 m² in een meerpersoonscel), oude en afgeleefde gebouwen, een gebrek aan renovatie, slechte hygiëne, schadelijk ongedierte, gebrek aan licht, vocht in de cellen en (te) kleine luchtplaatsen. Het gaat hier blijkens de uitspraak niet enkel om gegevens uit het verleden, maar om een situatie die voortduurt.

De rechtbank is van oordeel dat vanwege de door het EHRM geconstateerde gebreken en overbevolking een reëel gevaar bestaat dat detentie in detentie-instelling(en) in Fresnes in strijd komt met artikel 4 van het Handvest.

De informatie van 17 juli 2020 die door de Franse autoriteiten is verstrekt bevat met betrekking tot de penitentiaire inrichting in Fresnes onder meer de volgende gegevens:

“As of 29 May 2020, the prison of Fresnes allowed 1551 detained individuals (not including the Centre pour Peines a Aménagées, Etablissement Public de Sante National de Fresnes, Unité Hospitalière Sécurisée Interrégionale et Unité Hospitalière, Spécialement Aménagée, CS and DQ). Apart from a single cell, no cell accommodates more than two inmates. Six hundred and ninety three inmates are individually locked up, representing 44 % of the total number of inmates. The surface of all cells being greater than 9 m² and no cell accommodates more than two inmates except for one cell. All the prison population that is housed has an individual cell of more than 3 m² and 99.8 % has 4.5 m².”

Naar het oordeel van de rechtbank betreft de laatste zin van bovenstaande informatie overigens geen correcte vertaling, nu de Franse versie als volgt luidt:

“toute la population pénale hébergée dispose d’un espace individuel en cellule de plus de 3 m2 et 99,8% dispose de 4,5 m2.”

Hieruit blijkt dat de gehele gevangenispopulatie over een individuele ruimte van meer dan 3 m² beschikt, en dat 99,8% van de populatie over 4,5 m² individuele ruimte beschikt.

Het vorenstaande doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het oordeel van de rechtbank in voornoemde tussenuitspraak van 21 februari 2020. Het door de rechtbank geconstateerde bestaande reële gevaar dat personen die in de penitentiaire inrichting in Fresnes zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, is hiermee namelijk niet weggenomen.

Uit de door de Franse autoriteiten verstrekte informatie over de hoeveelheid m² waarover gedetineerden beschikken in de penitentiaire inrichting in Fresnes, blijkt allereerst niet of dit inclusief of exclusief sanitair is, voor zover dit ziet op tweepersoonscellen.

Daarnaast zijn er geen gegevens verstrekt over de overige detentieomstandigheden waarover in de uitspraak van het EHRM is gesproken, namelijk: “oude en afgeleefde gebouwen, een gebrek aan renovatie, slechte hygiëne, schadelijk ongedierte, gebrek aan licht, vocht in de cellen en (te) kleine luchtplaatsen”. De mededeling dat vanaf 2022 en 2028 respectievelijk 7000 en 8000 nieuwe detentieplaatsen worden opgeleverd, waardoor de druk op de capaciteit in de penitentiaire inrichting in Fresnes zal worden verminderd, doet hier niet aan af.

Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van de rechtbank nog steeds een reëel gevaar dat detentie in de penitentiaire inrichting in Fresnes in strijd komt met artikel 4 van het Handvest.

Als gevolg hiervan rust, ondanks de door de Franse uitvaardigende autoriteit gegeven informatie, nog steeds de verplichting op de rechtbank om te beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar zal lopen vanwege de te verwachten omstandigheden van zijn detentie in de uitvaardigende lidstaat.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de volgende vragen aan de Franse uitvaardigende autoriteit moeten worden gesteld met betrekking tot de penitentiaire inrichting in Fresnes:

1. Zal de opgeëiste persoon indien zijn overlevering wordt toegestaan, naar verwachting worden geplaatst in de penitentiaire inrichting in Fresnes?

Indien de voorgaande vraag met ‘ja’ wordt beantwoord:

2.a Hoeveel individuele celruimte zal hem ter beschikking staan in een eenpersoonscel en hoeveel in een meerpersoonscel en is dit - voor wat betreft de meerpersoonscel - inclusief of exclusief het sanitair?

2.b als de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel wordt geplaatst en hij, exclusief het sanitair, over minder dan 3 m² personal space beschikt, verzoekt de rechtbank om informatie betreffende de in Muršić /Kroatië (EHRM (Grote Kamer) 20 oktober 2016, 7334/13, § 138) genoemde relevante factoren, te weten ‘time and extent of restriction [of personal space]; freedom of movement and adequacy of out-of-cell activities; and general appropriateness of the detention facility’ (Muršić/Kroatië, § 135).

2.c Hoe zijn de overige detentieomstandigheden in Fresnes gelet op hetgeen het EHRM hierover in de uitspraak van 30 januari 2020 heeft vastgesteld ten aanzien van andere materiële omstandigheden namelijk oude en afgeleefde gebouwen, een gebrek aan renovatie, slechte hygiëne, schadelijk ongedierte, gebrek aan licht, vocht in de cellen en (te) kleine luchtplaatsen?

Conclusie

De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde vragen met betrekking tot de penitentiaire inrichtingen in Bordeaux-Gradignan en Fresnes aan de Franse uitvaardigende autoriteit te stellen.

Gelet op hetgeen de opgeëiste persoon ter zitting heeft aangevoerd met betrekking tot zijn huidige detentiesituatie, zal aan de verkeerstoren van de rechtbank worden verzocht de zaak over uiterlijk drie weken weer op zitting te plannen.

6 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor onder 5. genoemde vragen met betrekking tot de penitentiaire instellingen in Bordeaux-Gradignan en Fresnes aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2019:655

2 HvJ EU, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198

3 ECLI:NL:RBAMS:2020:1102

4 ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD000967115