Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5162

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
C/13/687313 / KG ZA 20-644
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2021:1757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Sinds ongeveer tien jaar is (zowel kerkenrechtelijk als civielrechtelijk) geprocedeerd over de vraag of de charitatieve instelling Het Maagdenhuis (opgericht in 1570 als weeshuis voor Rooms Katholieke meisjes) een civielrechtelijke stichting is, zoals sinds jaar en dag in het Handelsregister staat, of een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap. Op 30 juni 2020 heeft het gerechtshof Amsterdam voor recht verklaard dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap. Daarbij zijn de civielrechtelijke bestuurders van het Maagdenhuis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om – kort gezegd – mee te werken aan de overname van het bestuur door de bestuurders die door de bisschop zijn benoemd. De door de bisschop benoemde bestuurders hebben vervolgens bestuurshandelingen verricht en laten weten dat het Maagdenhuis onder hun bestuur geen cassatieberoep zal instellen.

Het arrest bevat een aantal verklaringen voor recht. Dat zijn geen constitutieve uitspraken, die op zichzelf een rechtstoestand creëren of tenietdoen, maar declaratoire uitspraken, die naar hun aard niet voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. Om de feitelijke toestand, zoals die sinds jaren bestaat, in overeenstemming te brengen met de nieuw door het Hof vastgestelde rechtstoestand zijn dan ook nadere uitvoeringshandelingen nodig. Vandaar dat het bisdom naast de verklaringen voor recht in de bodemzaak een gebod heeft gevorderd en verkregen jegens het Maagdenhuis en haar bestuurders om aan de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen, en met hen in overleg te treden om hen in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen. Anders dan de verklaringen voor recht is dat gebod wel uitvoerbaar bij voorraad. Als de verklaringen voor recht gezag van gewijsde hebben, zou het bisdom zo nodig nadere vorderingen tegen het Maagdenhuis c.s. kunnen instellen om ervoor te zorgen dat de door haar aangewezen bestuurders die functie ook werkelijk kunnen uitoefenen. Wat in ieder geval niet kan, nu het arrest nog niet onherroepelijk is, is de verklaringen voor recht op eigen houtje ‘tenuitvoerleggen’ door daarmee naar het Handelsregister te gaan of als nieuwe bestuurders het personeel aanschrijven. Zich met deze niet onherroepelijke verklaringen voor recht in de hand uitroepen tot het enige echte Maagdenhuis en de zittende bestuurders beletten als Maagdenhuis in cassatie te gaan van het in hun nadeel gewezen arrest, is zonder meer onrechtmatig. De vordering tot nakoming van het arrest wordt daarom afgewezen. Zie ook (ECLI:NL:RBAMS:2020:5164)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/423
OR-Updates.nl 2020-0393
JONDR 2021/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/687313 / KG ZA 20-644 AB/EB

Vonnis in kort geding van 4 september 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats 3] ,

eisers in conventie bij dagvaarding van 12 augustus 2020,

verweerders in reconventie,

4. de stichting

STICHTING ROOMSCH CATHOLIJK MAAGDENHUIS,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

advocaat mr. J.G.A. Struycken te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

allen woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats 4] ,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

4. de naamloze vennootschap

STIBBE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A.F.J.A. Leijten te Amsterdam,

en

de stichting

STICHTING HET ROOMSCH CATHOLIJK MAAGDENHUIS,

gevestigd te Amsterdam,

interveniërende partij,

advocaat mr. A.F.J.A. Leijten te Amsterdam.

Eisers 1 tot en met 3 in conventie zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd en eiser 4 in conventie het Maagdenhuis. Gedaagden 1 tot en met 3 in conventie zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd en gedaagde 4 in conventie Stibbe. De interveniërende partij zal ook het Maagdenhuis worden genoemd.

1 De procedure

Op de zitting van 20 augustus 2020 is deze zaak gelijktijdig behandeld met het kort geding dat in verband met dezelfde kwestie deels tussen dezelfde partijen speelt (zaaknummer C/13/687937 / KG ZA 20-682).

Op de zitting hebben [eisers] en het Maagdenhuis de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagden] en Stibbe hebben verweer gevoerd en [gedaagden] hebben een tegenvordering ingesteld tegen [eisers] Het Maagdenhuis heeft verzocht te mogen tussenkomen en zich te voegen aan de zijde van [gedaagden] en Stibbe. Op de zitting is partijen meegedeeld dat op dat verzoek in het vonnis zal worden beslist.

Partijen hebben producties en pleitaantekeningen ingediend en [gedaagden] en Stibbe daarnaast een conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, tevens incidentele vordering tot voeging en tussenkomst.

Vonnis is in beide zaken bepaald op heden.

Ter zitting waren aan de zijde van [eisers] aanwezig [eiser sub 1] en [eiser sub 3] met mr. Struycken. Aan de zijde van [gedaagden] en Stibbe waren aanwezig [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] met mr. Leijten en zijn kantoorgenoten mr. I. Koudstaal en mr. M.F. van Schendel. Tevens waren aanwezig [naam 1] ( [functie] ) en [naam 2] .

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn sinds ongeveer tien jaar verwikkeld in een discussie en gerechtelijke procedures over de vraag of het Maagdenhuis (opgericht in 1570 als weeshuis voor Rooms Katholieke meisjes maar sinds 1953 een charitatieve instelling met een aanzienlijk vermogen) een civielrechtelijke stichting is, of een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap.

2.2.

Sinds jaar en dag staat het Maagdenhuis in het handelsregister vermeld als civielrechtelijke stichting, met [gedaagden] als bestuurders. Deze bestuurders zijn niet door de bisschop van Haarlem-Amsterdam benoemd en hun benoeming is ook niet door hem bekrachtigd. Bij decreet van 10 juli 2013 heeft de bisschop, overwegende dat de benoeming van deze bestuurders niet rechtsgeldig is en zij het kerkrechtelijk karakter van de instelling ook niet erkennen, tot bestuurders van het Maagdenhuis benoemd [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [naam 3] . Op 20 april 2018 heeft de bisschop de benoeming van [eiser sub 3] tot [functie] van het Maagdenhuis bekrachtigd.

2.3.

Nadat een kerkrechtelijke procedure was doorlopen, waarin laatstelijk door de Congregatie voor de Clerus is geoordeeld dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is, is het bisdom Haarlem-Amsterdam een civiele procedure begonnen om dat karakter in rechte erkend te krijgen. In deze procedure zijn [gedaagden] en het Maagdenhuis (onder hun bestuur) bijgestaan door advocaten van Stibbe.

2.4.

Op 16 december 2014 hebben [gedaagden] het bisdom voor de duur van de bodemprocedure bij deze rechtbank toegezegd geen bijzondere beheershandelingen te zullen verrichten die buiten de normale gang van zaken van het Maagdenhuis vallen. Die toezegging is nog steeds van kracht.

2.5.

Op 18 mei 2017 heeft het bisdom via haar advocaat aan mr. Fleming (Stibbe) laten weten te verwachten de dagvaarding voor de bodemprocedure bij de rechtbank de week erna te laten betekenen, en meegedeeld dat het bisdom zou afzien van het vragen van een dwangsom, als zijn cliënten vrijwillig zouden voldoen aan een eventuele veroordeling. Op 23 mei 2017 heeft mr. Fleming bevestigd dat zijn cliënten vrijwillig aan een eventuele veroordeling zullen voldoen.

2.6.

De rechtbank heeft het bisdom in eerste aanleg in het ongelijk gesteld, bij vonnis van 18 juli 2018. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis op de voor deze zaak relevante punten vernietigd. De beslissing in het eindarrest van 30 juni 2020 luidt als volgt:

“Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep met uitzondering van onderdeel 5.1. van het dictum,

en opnieuw rechtdoende

verklaart voor recht dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap;

verklaart voor recht dat geen van de geïntimeerden sub 2, 3 en 5 ( [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , vzr.) het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig heeft verkregen;

verklaart voor recht dat de in de dagvaarding in eerste aanleg genoemde nieuwe bestuurders (in die dagvaarding gedefinieerd als de personen die krachtens het benoemingsdecreet zijn benoemd, met uitzondering van [naam 3] , vzr.) het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig hebben verkregen;

gebiedt het Maagdenhuis c.s. om binnen tien dagen na betekening van dit arrest (i) de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen, en (ii) met de nieuwe bestuurders in overleg te treden om de nieuwe bestuurders in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen;

veroordeelt het Maagdenhuis in de kosten van het geding in beide instanties (…)

verklaart het gebod en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.”

2.7.

Per 30 juni 2020 is de rechtsvorm van het Maagdenhuis in het handelsregister gewijzigd van stichting in kerkgenootshap. Op verzoek van [gedaagden] heeft de Kamer van Koophandel die wijziging weer ongedaan gemaakt.

2.8.

Op 2 juli 2020 heeft mr. J. Struycken, advocaat te Amsterdam, aan

mr. I. Koudstaal (één van de advocaten van) [gedaagden] de volgende e-mail gestuurd:

“Tot mij heeft zich het door de bisschop benoemde bestuur gewend van de Stichting het Roomsch Catholijk Maagdenhuis (…) met het verzoek om het Maagdenhuis vanaf nu juridisch bij te staan.

Daarmee eindigt dan ook per direct de cliëntrelatie die het Maagdenhuis met u en uw kantoor heeft onderhouden. (…)

Ik wijs u erop dat het uw kantoor nu ook niet meer vrij staat om geïntimeerden sub 2 t/m 5 (als genoemd in het arrest (…) (voor zover hier van belang [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , vzr.)) bij te staan in hun verhouding tot het Maagdenhuis. (…)”

2.9.

Op 5 juli 2020 heeft mr. Leijten namens [gedaagden] als volgt geantwoord:

“Het Maagdenhuis verwerpt de inhoud van uw email aan mijn kantoorgenoot Koudstaal van 2 juli jl.

Blijkens uw email treedt u op namens mr. [eiser sub 1] en drs. [eiser sub 2] . Uw cliënten zijn geen partij bij het door u genoemde arrest (…) Een rechterlijke uitspraak bindt alleen de partijen tussen wie zij wordt gedaan.

Uw cliënten zijn reeds daarom niet bevoegd om u te verzoeken het Maagdenhuis ‘vanaf nu’ juridisch bij te staan. Uw stelling dat de cliëntrelatie tussen het Maagdenhuis en ons kantoor zou zijn geëindigd faalt om dezelfde reden. (…) Eventuele declaraties uwerzijds gericht aan het Maagdenhuis zullen onbetaald blijven.

Overigens is het voornoemde arrest nog niet in kracht van gewijsde gegaan. Voor zover u met uw ongegronde email tevens beoogt om het Maagdenhuis te beletten om een rechtsmiddel tegen dat arrest aan te wenden, acht ik dat onbetamelijk.”

2.10.

Op 7 juli 2020 heeft het bisdom het arrest laten betekenen aan [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en het Maagdenhuis en hen bevolen om aan [eisers] binnen tien dagen volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen en met hen in overleg te treden om hen in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen.

2.11.

Op de onder 2.6. aangehaalde e-mail heeft mr. J. Struycken op 8 juli 2020 als volgt gereageerd:

“Anders dan jij schrijft, treed ik niet op voor de heer [eiser sub 1] en Mevrouw [eiser sub 2] , maar voor het Maagdenhuis, (…). Het door de bisschop benoemde bestuur van het Maagdenhuis heeft mij daartoe aangewezen. (…) Het Maagdenhuis (…) zal niet in cassatie gaan tegen het arrest en heeft daar ook geen belang bij, ook als jij dat minder betamelijk acht. (…)”

2.12.

Op 13 juli 2020 heeft mr. Koudstaal [eiser sub 1] en [eiser sub 2] via mr. Struycken uitgenodigd voor een overleg op het kantoor van Stibbe en aangekondigd dat [gedaagden] tijdens dat overleg zouden worden bijgestaan door mr. Leijten en hemzelf.

2.13.

Op 15 juli 2020 hebben [eisers] een brief gestuurd aan [gedaagden] , waarin zij schrijven dat de uitnodiging om bij Stibbe langs te komen voor overleg bij lange na niet voldoende is om aan de veroordeling te voldoen. In deze brief hebben zij verzocht om beantwoording van negen in een bijlage vermelde vragen over – kort gezegd – de administratie van het Maagdenhuis.

2.14.

Op 17 juli 2020 heeft [eiser sub 3] een brief gestuurd aan alle medewerkers van het Maagdenhuis waarin hij – samengevat weergegeven – mede namens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] laat weten dat zij drieën het geldige bestuur van het Maagdenhuis vormen, dat ze graag in contact willen komen met de medewerkers en dat ze uitzien naar een vruchtbare samenwerking.

2.15.

[gedaagden] hebben mede namens het Maagdenhuis cassatieadvies ingewonnen en zijn van plan cassatie in te stellen.

3 Het verzoek tot tussenkomst en voeging

3.1.

Zoals hierna zal blijken zijn [eisers] bij de huidige stand van zaken nog niet bevoegd het Maagdenhuis te vertegenwoordigen en zijn de zittende bestuurders dat nog wel. [gedaagden] zijn dan ook nog steeds als enigen bevoegd het Maagdenhuis in rechte te doen optreden en daartoe een advocaat in te schakelen.

3.2.

Het Maagdenhuis wil tussenkomen én zich voegen. Tussenkomst en voeging zijn verschillende rechtsfiguren waartussen een keuze moet worden gemaakt. Uit de stellingen van het Maagdenhuis blijkt dat zij beoogt de rechtspositie van [gedaagden] te steunen. De vordering die zij in reconventie wenst in te stellen is identiek aan de vordering van [gedaagden] in reconventie. Eigen argumenten voert het Maagdenhuis niet aan. Zij sluit zich aan bij de argumentatie van [gedaagden] Dat komt neer op voeging.

3.3.

Het verzoek tot voeging zal worden toegestaan. Het Maagdenhuis is zozeer betrokken bij de rechtsverhouding tussen partijen dat zij er belang bij heeft (a) dat beslissingen in de procedure tussen deze partijen ook jegens haar gezag van gewijsde hebben; en (b) dat die beslissingen luiden in het voordeel van de partij aan wier zijde zij zich voegt.

3.4.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in het incident.

4 De vordering in conventie

4.1.

[eisers] en het Maagdenhuis vorderen, kort gezegd:

primair

A. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen:

  1. hun volledige en onvoorwaardelijke toegang te verlenen tot de administratie van het Maagdenhuis;

  2. met hen in overleg te treden om hen in staat te stellen het bestuurderschap van het Maagdenhuis uit te oefenen;

  3. de vragen 1, 2 en 4 tot en met 7 als opgenomen in de op 15 juli 2020 verzonden vragenlijst binnen twee dagen te beantwoorden;

  4. de vragen 3, 8 en 9 van die lijst binnen vier dagen te beantwoorden;

op straffe van verbeurte van dwangsommen; en

tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 305,00 per persoon;

Stibbe:

  • -

    i) te veroordelen alle werkzaamheden voor [gedaagden] te staken;

  • -

    ii) te verbieden nog langer op te treden voor het Maagdenhuis;

  • -

    iii) te gebieden het dossier van het Maagdenhuis aan hen af te geven;

op straffe van verbeurte van dwangsommen;

  • -

    iv) te verbieden werkzaamheden en kosten die ná de e-mail van 2 juli 2020 zijn verricht of gemaakt ten laste van het Maagdenhuis te brengen; en

  • -

    v) te veroordelen tot betaling van € 656,00 aan buitengerechtelijke kosten.

5 De vordering in reconventie

5.1.

[gedaagden] vorderen op hun beurt, samengevat weergegeven:

primair

[eisers] te verbieden rechtshandelingen namens het Maagdenhuis te verrichten of zich jegens derden als bestuurders van het Maagdenhuis te presenteren totdat de Hoge Raad einduitspraak heeft gedaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair

een andere passende voorziening te treffen;

met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten en de nakosten.

6 De beoordeling in conventie en reconventie

6.1.

De vorderingen vormen elkaars spiegelbeeld en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

6.2.

Zoals ook is overwogen in het executiegeschil, dat tegelijk met deze zaak is behandeld en waarin vandaag ook uitspraak wordt gedaan, behelst het arrest van het hof, waarvan de cassatietermijn nog loopt en waartegen, als het aan de verliezers ligt, binnen die termijn zeker cassatie wordt ingesteld, een aantal verklaringen voor recht. Dat zijn geen constitutieve uitspraken, die op zichzelf een rechtstoestand creëren of tenietdoen, maar declaratoire uitspraken, die naar hun aard niet voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. Om de feitelijke toestand, zoals die sinds jaren bestaat, in overeenstemming te brengen met de nieuw door het Hof vastgestelde rechtstoestand zijn dan ook nadere uitvoeringshandelingen nodig. Vandaar dat het bisdom naast de verklaringen voor recht in de bodemzaak een gebod heeft gevorderd en verkregen jegens het Maagdenhuis en haar bestuurders om aan de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen, en met hen in overleg te treden om hen in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen. Anders dan de verklaringen voor recht is dat gebod wel uitvoerbaar bij voorraad. Als de verklaringen voor recht gezag van gewijsde hebben, zou het bisdom zo nodig nadere vorderingen tegen het Maagdenhuis c.s. kunnen instellen om ervoor te zorgen dat de door haar aangewezen bestuurders die functie ook werkelijk kunnen uitoefenen.

6.3.

Wat in ieder geval niet kan, nu het arrest nog niet onherroepelijk is, is de verklaringen voor recht op eigen houtje ‘tenuitvoerleggen’ door daarmee naar het Handelsregister te gaan of als nieuwe bestuurders het personeel aanschrijven. Zich met deze niet onherroepelijke verklaringen voor recht in de hand uitroepen tot het enige echte Maagdenhuis en de zittende bestuurders beletten als Maagdenhuis in cassatie te gaan van het in hun nadeel gewezen arrest, is zonder meer onrechtmatig.

6.4.

In het executiegeschil is op grond van deze overwegingen beslist dat de tenuitvoerlegging van het arrest wordt geschorst tot de Hoge Raad definitief heeft beslist. Dit betekent dat de vorderingen in conventie die erop zijn gericht dat arrest (met behulp van dwangsommen) ten uitvoer te leggen niet toewijsbaar zijn.

Hetgeen hiervoor in 6.2. is overwogen over het rechtskarakter van de verklaringen voor recht brengt verder mee dat de nieuw benoemde bestuurders alleen op basis van die verklaringen voor recht nog niet kunnen handelen namens het Maagdenhuis. Als eiseres in conventie is het Maagdenhuis dan ook niet-ontvankelijk in haar vorderingen. Nu het de zittende bestuurders vrijstaat namens het Maagdenhuis Stibbe in de arm te nemen, moeten ook de vorderingen tegen Stibbe worden afgewezen.

6.5.

[eisers] hebben sinds het arrest werd gewezen gehandeld alsof zij al het bevoegde bestuur vormen. Zo hebben zij in het handelsregister de rechtsvorm van het Maagdenhuis gewijzigd en het personeel van het Maagdenhuis aangeschreven. [gedaagde sub 1] en het Maagdenhuis hebben er belang bij dat [eisers] daarmee ophouden totdat onherroepelijk is uitgemaakt of het Maagdenhuis een stichting is of een zelfstandig onderdeel van de R.K. Kerk en wie de bevoegde bestuurders zijn. De tegenvordering zal daarom worden toegewezen zoals hierna is vermeld, waarbij de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

6.6.

[eisers] zullen zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [gedaagden] en het Maagdenhuis worden in conventie begroot op:

- griffierecht € 1.312,00 (2 x € 656,00)

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 2.292,00

De kosten in reconventie worden wegens samenhang met de conventie begroot op nihil.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

7.1.

laat het Maagdenhuis toe als gevoegde partij aan de zijde van

[gedaagden] ,

in conventie

7.2.

verklaart het Maagdenhuis niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

7.3.

weigert de gevraagde voorzieningen voor het overige,

7.4.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] en het Maagdenhuis tot op heden begroot op € 2.292,00,

7.5.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

7.6.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.7.

verbiedt [eisers] (rechts)handelingen te verrichten namens het Maagdenhuis of zich jegens derden te presenteren als rechtsgeldige vertegenwoordigers van het Maagdenhuis, totdat de Hoge Raad op het door het Maagdenhuis tegen het arrest in te stellen cassatieberoep einduitspraak heeft gedaan, of de cassatietermijn ongebruikt is verstreken,

7.8.

veroordeelt [eisers] tot betaling van een dwangsom van

€ 2.500,00 per overtreding van het onder 7.6. uitgesproken verbod, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

7.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.10.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op nihil,

7.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2020.1

1 type: eB coll: MV