Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5159

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
13/165531-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Direct uitspraak. Winkeldiefstal. Vte voldoet aan harde + zachte criteria ISD-maatregel. Rb gaat vooralsnog niet hiertoe over omdat vte heeft aangevoerd dat hij niet van het bestaan van de ISD-maatregel op de hoogte was. Verweer niet onaannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/165531-20

Datum uitspraak: 24 september 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Kleiman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 juni 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (een six-pack) bier, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen ter zake de camerabeelden.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte voert aan dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte het six-pack bier heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Verdachte stond bij de zelfscankassa’s, waarvandaan het niet mogelijk is om het pand te verlaten zonder af te rekenen. Daarnaast heeft hij geprobeerd één blikje bier te scannen; gedragingen die naar uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op het betalen van de goederen. Verdachte heeft verklaard dat hij alle goederen op die manier wilde betalen, door het gescande blikje maal zes aan te slaan, maar dat het betaalapparaat blokkeerde.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen op basis van de aangifte en het proces-verbaal inzake de camerabeelden. Daarop is te zien dat verdachte de winkel binnenkomt en een six-pack bier in zijn tas stopt. Hij ritst de tas vervolgens dicht. De wegnemingshandeling is daarmee op dat moment voltooid. De verklaring van verdachte acht de rechtbank niet geloofwaardig en behoeft verder geen bespreking.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 23 juni 2020 te Amsterdam een six-pack bier, dat aan het winkelbedrijf Albert Heijn toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf of maatregel

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat is voldaan aan de zogeheten harde criteria. De bescherming van goederen vereist het opleggen van de ISD-maatregel. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering verdachte geen hulp en begeleiding kan bieden in verband met zijn onzekere verblijfsstatus, nu hij geen recht heeft op sociale voorzieningen. Ondanks het feit dat er niet eerder een begeleidingstraject aan verdachte is aangeboden, is daarom eveneens voldaan aan de zogeheten zachte criteria. Er zijn verder geen contra-indicaties voor het opleggen van de ISD-maatregel.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht geen ISD-maatregel op te leggen.

De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het vonnis van 24 januari 2019 van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2019:1516). Verdachte geniet vooralsnog een rechtmatig verblijf in Nederland en er is niet eerder in het kader van bijzondere voorwaarden een interventie opgelegd. Daarmee is formeel niet voldaan aan de zogeheten zachte criteria die benodigd zijn voor het opleggen van de ISD-maatregel.

8.3

Oordeel van de rechtbank

8.3.1

Geen plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel voldaan is aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt.

De rechtbank heeft hiervoor immers bewezen verklaard dat verdachte op 23 juni 2020 een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 25 augustus 2020 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan voorgenoemde datum meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de brief van de Reclassering van 17 september 2020 en het reclasseringsadvies van 3 juli 2020, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gelet op de ernst en het aantal soortgelijke feiten die door verdachte zijn begaan, eist de veiligheid van goederen in beginsel het opleggen van deze maatregel.

De rechtbank heeft vervolgens gekeken of voldaan is aan de aanvullende voorwaarde die volgt uit de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie. Deze

voorwaarde houdt in dat over een periode van vijf jaar voor meer dan tien misdrijven processen-verbaal tegen verdachte moeten zijn opgemaakt, waarvan ten minste één proces-verbaal moet zijn opgemaakt in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. De rechtbank concludeert dat dit het geval is. Dit betekent dat aan de harde criteria is voldaan.

Verdachte voldoet in zoverre niet aan de zogeheten zachte criteria dat hem nog nooit een hulp- of drangkader is aangeboden met bijzondere voorwaarden, zoals behandeling en het vinden van dagbesteding. De reclassering acht de kans dat een dergelijk kader succesvol kan worden doorlopen echter klein, zowel vanwege de onzekere verblijfsstatus van verdachte als vanwege diens gebrek aan motivatie.

Onder deze omstandigheden sluit de rechtbank niet uit dat oplegging van de ISD-maatregel in de toekomst een voor de hand liggende optie is. Vooralsnog zal de rechtbank daartoe echter niet overgaan omdat verdachte heeft aangevoerd dat hij niet van het bestaan van de ISD-maatregel op de hoogte was. Dit komt op de rechtbank niet onaannemelijk over omdat dit de eerste maal is dat verdachte voor de meervoudige kamer moet verschijnen. Gelet op het indringende karakter van deze maatregel houdt de rechtbank het vooralsnog bij een waarschuwing dat verdachte, bij continuering van het delictgedrag, er rekening mee moet houden dat oplegging van de ISD-maatregel in de toekomst een voor de hand liggende mogelijk zal zijn.

8.2.2

Gevangenisstraf passend en geboden

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van bier. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten, waarbij naast schade vaak veel hinder wordt veroorzaakt voor de gedupeerde bedrijven. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 25 augustus 2020 blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten. De rechtbank weegt dit mee in het nadeel van verdachte.

Gelet op de aard en de ernst van het feit en gelet op de eerdere veroordelingen acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden. Aangezien verdachte zich nauwelijks gemotiveerd heeft getoond om aan zijn problemen te werken, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel of bijzondere voorwaarden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P. Bleeker, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2020