Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5149

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
8120402 \ CV EXPL 19-22021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst, voortiijdige opzegging door de opdrachtgever, geschil over de eindfactuur, meerwerk of niet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer \ rolnummer: 8120402 \ CV EXPL 19-22021

Uitspraak: 30 oktober 2020

Vonnis van de kantonrechter in conventie en in reconventie

in de zaak van:

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. O.J. Boeder te Haarlem,

t e g e n

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. S.J. Piekaar te Amsterdam.

Eiser zal hierna worden aangeduid als [eiser] . Gedaagden zullen hierna in mannelijk enkelvoud worden aangeduid als [gedaagde] en afzonderlijk als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 oktober 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 6 december 2019, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de mededeling van de kantonrechter van 18 maart 2020 dat de op 30 maart 2020 geplande behandeling vanwege het coronavirus niet doorgaat;

  • -

    de mededeling van de kantonrechter van 6 april 2020 dat schriftelijk voort geprocedeerd gaat worden;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens van antwoord in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie tevens houdende wijziging van eis, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

[gedaagde] heeft op 22 maart 2019 een appartement gekocht aan de [adres] in [plaats] (hierna: het appartement).

2.2.

[gedaagde] heeft contact gezocht met [eiser] voor het uitvoeren van verbouwingswerkzaamheden aan het appartement. [eiser] en [gedaagde] hebben het appartement op 20 februari 2019 voor de eerste keer bezocht en hebben daarbij gesproken over de uit te voeren werkzaamheden.

2.3.

Op 25 februari 2019 heeft [gedaagde sub 2] per e-mail aan [eiser] een lijst gezonden van uit te voeren werkzaamheden. [gedaagde sub 2] heeft [eiser] op 27 februari 2019 een gedetailleerdere lijst met uit te voeren werkzaamheden ter beschikking gesteld.

2.4.

[gedaagde sub 2] en [eiser] hebben op 28 februari 2019 telefonisch met elkaar gesproken. Daarbij is gesproken over het uitvoeren van de werkzaamheden voor een bedrag van EUR 12.500,-.

2.5.

Op 5 maart 2019 hebben [gedaagde sub 2] en [eiser] het appartement opnieuw gezamenlijk bezocht en hebben zij gesproken over de uit te voeren werkzaamheden. [gedaagde sub 2] heeft [eiser] een nieuwe lijst met uit te voeren werkzaamheden ter beschikking gesteld.

2.6.

[eiser] heeft in de periode van 2 april 2019 tot en met 13 mei 2019 verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd. [gedaagde] heeft in die periode drie betalingen aan [eiser] gedaan, EUR 1.700,-, EUR 5.000,- en EUR 9.075,-.

2.7.

[eiser] en [gedaagde] hebben op 10 mei 2019 gezamenlijk de staat van het werk opgenomen. Zij hebben besproken welke werkzaamheden [eiser] nog zou moeten afronden.

2.8.

[gedaagde] heeft [eiser] op 13 mei 2019 laten weten geen gebruik meer te willen maken van zijn diensten.

2.9.

[eiser] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 5 juni 2019 [gedaagde] verzocht om betaling van EUR 23.255,37 binnen 14 dagen. Hij heeft daarbij aangezegd dat [gedaagde] bij het uitblijven van betaling binnen die termijn EUR 1.007,55 aan kosten verschuldigd zou zijn.

2.10.

[eiser] heeft bij brieven van zijn gemachtigde van 21 juni 2019 en 27 juni 2019 opnieuw aanspraak gemaakt op betaling van de hoofdsom van EUR 23.255,37. Verder heeft hij aanspraak gemaakt op betaling van rente en kosten. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

2.11.

[gedaagde] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 27 juni 2019 [eiser] aansprakelijk gesteld voor schade die hij volgens [gedaagde] bij het uitvoeren van de werkzaamheden aan het appartement heeft veroorzaakt.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert – verkort weergegeven – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van EUR 24.793,02, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;

2. in goede justitie het bedrag bepaalt dat [gedaagde] moet betalen voor de verrichte werkzaamheden en gebruikte materialen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;

3. [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris gemachtigde.

3.2.

[eiser] legt, onder verwijzing naar de door hem gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken, aan zijn vordering ten grondslag dat hij in opdracht van [gedaagde] verbouwingswerkzaamheden heeft verricht. [eiser] heeft [gedaagde] hiervoor een bedrag van EUR 23.255,37 in rekening gebracht. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald. Hij is als gevolg van het niet betalen in verzuim geraakt, waardoor hij ook wettelijke rente aan [eiser] moet betalen. Deze bedraagt EUR 530,10. Na het verstrijken van de betalingstermijn is [gedaagde] gemaand om binnen een termijn van 14 dagen alsnog te betalen. Dit heeft hij niet gedaan, zodat [eiser] ook aanspraak maakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten die hij begroot op EUR 1.007,55.

in reconventie

3.3.

[gedaagde] vordert – na eiswijziging en verkort weergegeven – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [gedaagde] op grond van onverschuldigde betaling een vordering op [eiser] heeft van EUR 862,32, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

2. [eiser] veroordeelt tot betaling van EUR 862,32, te vermeerderen met wettelijke rente;

3. voor recht verklaart dat [eiser] aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden schade van EUR 2.238,50, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

4. [eiser] veroordeelt tot betaling van EUR 2.238,50, te vermeerderen met wettelijke rente;

5. [eiser] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en incassokosten van EUR 435,08 en te vermeerderen met wettelijke rente over de (na)kosten;

6. de in conventie en in reconventie toegewezen bedragen, voor zover mogelijk, met elkaar verrekent.

3.4.

[gedaagde] legt, onder verwijzing naar de door hem gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken, het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd. [gedaagde] heeft voor deze werkzaamheden EUR 15.775,- aan [eiser] betaald. Met inachtneming van de werkzaamheden die [eiser] niet heeft uitgevoerd, de overeengekomen meerwerkzaamheden, de door [gedaagde] te betalen geïnstalleerde materialen en de wettelijke toegestane maximale overschrijding van de richtprijs, heeft [gedaagde] EUR 862,32 teveel aan [eiser] betaald. Verder heeft [eiser] tijdens de uitvoering van de werkzaamheden schade aan het appartement veroorzaakt. Deze schade moet door [eiser] aan [gedaagde] worden vergoed en wordt door [gedaagde] begroot op EUR 2.238,50. [eiser] moet tot slot ook buitengerechtelijke incassokosten aan [gedaagde] vergoeden, begroot op EUR 435,08.

3.5.

Partijen voeren over en weer verweer. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

In conventie moet de vraag worden beantwoord of [eiser] aanspraak kan maken op betaling van zijn factuur voor (meer)werkzaamheden die hij stelt te hebben verricht. Bij de beantwoording van deze vraag wordt het hiernavolgende vooropgesteld.

4.1.1.

Dat wat partijen in het kader van hun overeenkomst hebben afgesproken voldoet aan de wettelijke definitie van een aannemingsovereenkomst. Anders dan [eiser] stelt is de overeenkomst met [gedaagde] dus aan te merken als een aannemingsovereenkomst.

4.1.2.

Bij de beoordeling zal worden uitgegaan van de lijst met werkzaamheden (hierna: de oorspronkelijke werkzaamheden) die [gedaagde] op 5 maart 2019 aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld. [eiser] heeft niet betwist dat hij deze lijst heeft gekregen en dat de omvang van de oorspronkelijke werkzaamheden uit deze lijst blijkt. Wat niet op deze lijst is vermeld maar wel is uitgevoerd, zal worden aangemerkt als meerwerk.

4.1.3.

[eiser] en [gedaagde] zijn het erover eens dat er voor de oorspronkelijke werkzaamheden geen vaste prijs is afgesproken. [eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij voor de oorspronkelijke werkzaamheden een richtprijs van EUR 12.500,- heeft geoffreerd inclusief btw en materialen. [gedaagde] is met deze prijs akkoord gegaan. [eiser] en [gedaagde] zijn het erover eens dat de prijs van EUR 12.500,- exclusief de aanschafprijs voor een radiator in de keuken, de aanschafprijs van een haard, de installatie van deze haard en het schilderwerk was.

4.1.4.

Er kan niet worden geoordeeld dat er sprake was van een overeengekomen datum waarop het werk klaar moest zijn. [eiser] heeft deze stelling van [gedaagde] gemotiveerd betwist, waarna [gedaagde] zijn stelling onvoldoende verder heeft onderbouwd.

4.1.5.

Uit dat wat [eiser] en [gedaagde] naar voren hebben gebracht volgt dat [gedaagde] de aannemingsovereenkomst voortijdig (dat wil zeggen voor de voltooiing van de werkzaamheden) heeft opgezegd. [gedaagde] doet hierop ook een expliciet beroep.

4.1.6.

[eiser] heeft gesteld dat de door hem gehanteerde uurtarieven voor het meerwerk variëren tussen de EUR 30,- en EUR 50,-, afhankelijk van de werkzaamheden. Hij heeft echter, ondanks gemotiveerd verweer van [gedaagde] , niet inzichtelijk gemaakt welk uurtarief hij voor welke werkzaamheden heeft gehanteerd. De kantonrechter zal daarom het gemiddeld uurtarief begroten op EUR 40,- als een redelijke vergoeding.

4.1.7.

[eiser] heeft bonnen in het geding gebracht, ter onderbouwing van de door hem in rekening gebrachte kosten. Maar hij heeft voor het merendeel van de bonnen onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke bonnen (en daarmee kosten) met welke werkzaamheden verband houden. De kantonrechter rekent het niet tot haar taak om dit zonder verdere toelichting van [eiser] zelfstandig uit te zoeken. Duidelijk is echter dat [eiser] kosten heeft moeten maken voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De kantonrechter zal daarom, zoals [eiser] ook onder 2 heeft gevorderd, waar nodig de kosten van de werkzaamheden en materialen in goede justitie begroten.

Oorspronkelijke werkzaamheden

4.2.

Zoals hiervoor is vooropgesteld heeft [eiser] voor de oorspronkelijke werkzaamheden een bedrag van EUR 12.500,- geoffreerd. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] een deel van de oorspronkelijke werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, zodat hij voor dat deel niet hoeft te betalen. Daarmee gaat [gedaagde] ten onrechte eraan voorbij dat het niet afronden of niet uitvoeren van werkzaamheden is veroorzaakt doordat hij de overeenkomst voortijdig heeft opgezegd. [gedaagde] heeft weliswaar naar voren gebracht dat hij [eiser] voor de opzegging van de overeenkomst al in de gelegenheid heeft gesteld om de werkzaamheden af te ronden dan wel uit te voeren, maar hij heeft deze stelling, na gemotiveerde betwisting door [eiser] , niet nader onderbouwd. Het niet afronden of uitvoeren van werkzaamheden kan [gedaagde] dan nu niet aan [eiser] verwijten.

Ook het verweer dat de overeenkomst gedeeltelijk door [gedaagde] is ontbonden omdat [eiser] de afgesproken datum niet heeft gehaald, leidt er niet toe dat hij niet hoeft te betalen voor niet uitgevoerde werkzaamheden. [eiser] heeft gemotiveerd weersproken dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken dat het werk op een bepaalde datum klaar moest zijn. [gedaagde] heeft daarna zijn stelling niet nader onderbouwd. Een fatale oplevertermijn volgt ook niet uit de enkele omstandigheid dat [gedaagde] op 11 mei 2019 naar het appartement zou verhuizen. De gedeeltelijke ontbinding is dan ook ten onrechte ingeroepen.

4.3.

Dat [gedaagde] de overeenkomst voortijdig heeft opgezegd heeft tot gevolg dat hij in beginsel de voor het werk geldende richtprijs van EUR 12.500,- moet betalen. Hierop moeten op grond van de wet de besparingen in mindering worden gebracht die [eiser] als gevolg van de opzegging heeft gehad. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de besparingen rusten op [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat [eiser] als gevolg van de opzegging besparingen heeft gehad. Dit betekent dat de kantonrechter bij de verdere beoordeling als uitgangspunt neemt dat er geen besparingen zijn geweest.

4.4.

[gedaagde] heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij meerdere werkzaamheden uit de opdracht heeft gehaald. Het gaat hierbij om het ombouwen van de kleine radiator in de slaapkamer, het vervangen van de ventilator in de badkamer en het plaatsen van armleuningen bij de trap naar de zolder. [eiser] heeft erkend dat [gedaagde] heeft afgezien van de ombouw en de armleuningen. Dat [gedaagde] het vervangen van de ventilator uit de opdracht heeft gehaald heeft [eiser] niet weersproken. Evenmin heeft [eiser] de door [gedaagde] begrote kosten van deze werkzaamheden (EUR 960,-) weersproken. Dit minderwerk van EUR 960,- zal daarom in mindering worden gebracht op het bedrag van EUR 12.500,-.

Meerwerk

4.5.

[gedaagde] heeft erkend dat hij meerwerkopdrachten heeft gegeven. Het gaat volgens hem om het aanbrengen van twee lichtspots in de slaapkamer, het verplaatsen van twee lichtspots in de badkamer en het plaatsen van extra tegels rondom het bad en boven de wastafel.

[gedaagde] is van mening dat hij niet hoeft te betalen voor het aanbrengen en verwijderen van de tegels, omdat [eiser] deze niet op de juiste wijze had aangebracht. [eiser] heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat hij de tegels heeft moeten verwijderen omdat [gedaagde] een andere manier van bevestigen wenste en nieuwe tegels heeft moeten bestellen. [gedaagde] heeft hiertegen ingebracht dat [eiser] aan hem had moeten vragen op welke wijze de tegels moesten worden aangebracht. [gedaagde] gaat daarmee ten onrechte eraan voorbij dat hij als opdrachtgever expliciete instructies had moeten geven als hij de tegels op een bepaalde wijze bevestigd wilde zien. Dat heeft hij niet gedaan. Om die reden zal [gedaagde] zowel de kosten voor het aanbrengen als het verwijderen van de tegels moeten voldoen.

De kantonrechter begroot de kosten van het aanbrengen van twee lichtspots in de slaapkamer, het verplaatsen van twee lichtspots in de badkamer en het plaatsen en verwijderen van de tegels rondom het bad en boven de wastafel op totaal EUR 960,-.

4.6.

[eiser] heeft een factuur in het geding gebracht betreffende de nieuwe door hem bestelde tegels van EUR 1.448,31. Uit dat wat onder 4.5. is overwogen volgt dat [gedaagde] ook deze kosten zal moeten betalen. De omstandigheid dat levering van de tegels plaatsvond nadat de overeenkomst door [gedaagde] is opgezegd maakt dit niet anders. De tegels zijn gedurende de overeenkomst en in opdracht van [gedaagde] besteld.

4.7.

Uit de door [gedaagde] als productie 15 en 41 in het geding gebrachte lijst blijkt dat hij bij meerdere posten betreffende meerwerk als opmerking “correct” heeft vermeld. Het gaat om de posten tot het vervangen van een badkamermeubel (nummer 34), het inkorten van een vensterbank (nummer 37), het aanbrengen van een luchtkanaal en de bijbehorende werkzaamheden (nummer 38), het aanbrengen van drie lichtpunten (nummer 44) en het aanbrengen van diverse elektrapunten (nummer 47). De kantonrechter begrijpt dit zo, dat [gedaagde] de uitvoering van deze werkzaamheden niet betwist. De kosten van deze werkzaamheden zullen worden begroot op EUR 3.000,-.

4.8.

[eiser] en [gedaagde] zijn het erover eens dat de kosten voor de aanschaf van de radiator voor de keuken, de kosten voor de aanschaf van de haard en het uitgevoerde schilderwerk geen deel uitmaakten van de richtprijs. Zij zouden separaat worden gefactureerd. [gedaagde] heeft erkend dat hij de kosten voor de aanschaf van de radiator en de open haard moet betalen. De radiator kostte EUR 768,68 en de open haard EUR 2.150,-. De installatie van de radiator maakte deel uit van de oorspronkelijke werkzaamheden. [gedaagde] heeft niet betwist dat [eiser] de open haard heeft geïnstalleerd en dat deze is afgewerkt. De kosten hiervan worden begroot op EUR 640,-, het materiaal wordt aan de hand van de door [eiser] in het geding gebrachte facturen begroot op EUR 300,-.

4.9.

Met betrekking tot het schilderwerk verschillen [eiser] en [gedaagde] van mening over het aantal uren dat aan het schilderwerk is besteed en de wijze van berekening van de kosten van de werkzaamheden. [gedaagde] heeft aangevoerd dat per m2 zou worden afgerekend, maar hij heeft dit verweer niet onderbouwd. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een tarief van EUR 40,- per uur.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het door [eiser] gestelde bedrag van EUR 3.968,80 ter zake van het door [naam schilder] uitgevoerde schilderwerk. Hij heeft gewezen op het verschil tussen het door [naam schilder] aan [eiser] gefactureerde bedrag van EUR 1.619,74 en het door [eiser] gestelde bedrag. [eiser] heeft voor dit verschil geen verklaring gegeven, zodat de kantonrechter zal uitgaan van de kosten van EUR 1.619,74 voor de door [naam schilder] uitgevoerde werkzaamheden. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat ook anderen dan [naam schilder] schilderwerkzaamheden hebben verricht. De kantonrechter zal de kosten van deze werkzaamheden begroten op EUR 960,-. De materiaalkosten voor het gehele schilderwerk zullen worden begroot op EUR 700,-.

4.10.

[eiser] heeft niet betwist dat de in productie 15 en 41 van [gedaagde] onder punt 31, 36, 43, 45 genoemde werkzaamheden tot de oorspronkelijke werkzaamheden behoorden. Deze werkzaamheden kan [eiser] dus niet als meerwerk in rekening brengen.

4.11.

Dat wat onder 4.2. tot en met 4.10. is overwogen en geoordeeld, leidt ertoe dat de kosten voor het meerwerk zullen worden vastgesteld op EUR 12.546,73.

Het totaal van de kosten van het werk zal worden vastgesteld op EUR 24.086,73 (EUR 12.500 -/- EUR 960,- + EUR 12.546,73). [gedaagde] heeft al een bedrag betaald van EUR 15.775,-, zodat een vordering van [eiser] op [gedaagde] resteert van EUR 8.311,73. Dit bedrag is toewijsbaar.

4.12.

Zoals hierna in reconventie zal worden geoordeeld heeft [gedaagde] geen vordering op [eiser] . Al om die reden kan het beroep van [gedaagde] op verrekening niet slagen.

4.13.

[eiser] heeft vergoeding van wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Nu de kantonrechter de kosten van het werk in goede justitie heeft begroot, zal zij zoals gevorderd de wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding.

De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, en voorts dat [eiser] heeft gesteld en onderbouwd en [gedaagde] onvoldoende heeft betwist dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat de vordering in hoofdsom van [eiser] niet volledig zal worden toegewezen, moet het door [eiser] gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden verlaagd. De buitengerechtelijke incassokosten worden aan de hand van het toegewezen bedrag begroot op EUR 790,59. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar. Niet is gesteld dat [eiser] al aan zijn gemachtigde heeft betaald, dan wel met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden.

4.14.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . De proceskosten worden, op basis van de toegewezen som, als volgt begroot:

- explootkosten: EUR 88,53

- griffierecht: EUR 972,-

- salaris gemachtigde: EUR 500,- (2x EUR 250,-)

totaal: EUR 1.560,53.

in reconventie

4.15.

In reconventie moet de vraag worden beantwoord of [eiser] gehouden is tot vergoeding van de door [gedaagde] gesteld geleden schade en of [gedaagde] een vordering op [eiser] heeft uit hoofde van onverschuldigde betaling.

4.16.

[gedaagde] vordert schadevergoeding omdat hij vindt dat [eiser] werkzaamheden onjuist heeft uitgevoerd en omdat hij vindt dat [eiser] bij het uitvoeren van werkzaamheden schade aan het appartement heeft veroorzaakt. De vordering is niet toewijsbaar. Met betrekking tot het beweerd onjuist uitvoeren van werkzaamheden geldt dat een ingebrekestelling ontbreekt, zodat geen verzuim en ook geen schadevergoedingsplicht aan de kant van [eiser] is ontstaan.

Ook de vordering uit hoofde van gevolgschade kan niet slagen. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij bij het uitvoeren van de werkzaamheden schade heeft veroorzaakt. [gedaagde] heeft weliswaar foto’s in het geding gebracht waaruit de schade moet blijken. Maar uit deze foto’s volgt niet dat de schade door [eiser] is veroorzaakt. Een aanbod om te bewijzen dat [eiser] de schade heeft veroorzaakt ontbreekt.

4.17.

Uit dat wat in conventie is overwogen en geoordeeld, volgt dat [gedaagde] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst nog een bedrag aan [eiser] moet betalen. De vordering op grond van onverschuldigde betaling kan al om die reden niet slagen.

4.18.

Gelet op dat wat hiervoor is overwogen is er ook geen aanleiding voor verrekening met dat wat in conventie aan [eiser] moet worden betaald.

4.19.

Bij deze uitkomst van de procedure zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . De proceskosten worden begroot op EUR 350,- (2x EUR 175,-) aan salaris gemachtigde.

5 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van EUR 8.311,73, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 2 oktober 2019 tot aan de dag van de volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van EUR 790,59;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure tot op heden begroot op EUR 1.560,53;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af;

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden begroot op EUR 350,-;

in conventie en in reconventie

5.8.

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van deze procedure begroot op een bedrag van EUR 180,-, te verhogen met een bedrag van EUR 68,- onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.

Aldus gewezen door mr. M.E.B. Nyman, kantonrechter, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2020.

De griffier De kantonrechter

type: ERM

coll: