Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:5066

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
8638757 EA VERZ 20-498 en 8638868 EA VERZ 20-499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgorganisatie Evean krijgt meer tijd om met meer bewijzen te komen dat twee zorgmedewerkers van een van Eveans verpleeg- en verzorgingshuizen in Amsterdam daar boodschappen zouden hebben gestolen of verduisterd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers: 8638757 EA VERZ 20-498 en 8638868 EA VERZ 20-499

beschikking van: 22 oktober 2020

beschikking van de kantonrechter in de zaken

8638757 EA VERZ 20-498

de stichting EVEAN ZORG,

gevestigd te Purmerend,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A.G. Moeijes,

t e g e n

[verweerster 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. G.P. Dayala,

en

8638868 EA VERZ 20-499

de stichting EVEAN ZORG,

gevestigd te Purmerend,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A.G. Moeijes,

t e g e n

[verweerster 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. L.E. Post.

Partijen zullen hierna Evean, [verweerster 1] en [verweerster 2] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURES

Evean heeft op 8 juli 2020 verzoeken met producties ingediend die strekken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten met [verweerster 1] en [verweerster 2] .

[verweerster 1] en [verweerster 2] hebben beiden een verweerschrift ingediend, waarbij [verweerster 2] een voorwaardelijk tegenverzoek heeft ingediend.

De verzoeken zijn gelijktijdig mondeling behandeld ter terechtzitting van 1 oktober 2020. Evean is verschenen bij [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , vergezeld door de gemachtigde. [verweerster 1] en [verweerster 2] zijn verschenen, vergezeld door hun gemachtigden. Voorafgaand aan de zitting heeft Evean nog aanvullende producties in beide zaken overgelegd. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Evean en [verweerster 2] hebben dit mede aan de hand van een pleitnota gedaan. Na verder debat is in beide zaken een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten in beide zaken

1. Uitgegaan wordt van het volgende.

1.1.

[verweerster 1] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 19 februari 2020 in dienst van Evean en is laatstelijk werkzaam in de functie van ‘helpende’. Het bruto salaris bedraagt € 16,38 per uur exclusief vakantietoeslag. [verweerster 1] heeft voorheen een periode van drie jaar voor Evean gewerkt via een uitzendbureau.

1.2.

[verweerster 2] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 1 november 2003 in dienst van (rechtsvoorgangers van) Evean en is laatstelijk werkzaam in de functie van ‘verzorgende’. Het bruto salaris bedraagt € 1.980,80 per maand, op basis van een arbeidsduur van gemiddeld 24 uur per week, exclusief vakantietoeslag.

1.3.

Evean is een zorgverlener en heeft meerdere zorglocaties in Nederland waar zij zich bezighoudt met verzorging, verpleging en revalidatie. [verweerster 2] werkte voornamelijk op de locatie [locatie] te [plaats] (verder het [locatie] ) op de afdeling [naam afdeling 1] / [naam afdeling 2] . [verweerster 1] werkte als flexwerkster op verschillende locaties, waaronder ook het [locatie] en de afdeling [naam afdeling 1] / [naam afdeling 2] .

1.4.

Op 28 april 2020 heeft [naam 4] (verder: [naam 4] ), tevens werkzaam op de locatie [locatie] , afdeling [naam afdeling 1] / [naam afdeling 2] , een melding gedaan bij de coördinerend verpleegkundige van de afdeling, omdat zij zou hebben gezien dat door [verweerster 1] en [verweerster 2] boodschappen van de afdeling mee zijn genomen naar buiten.

1.5.

Op 10 juni 2020 heeft [naam 4] een verklaring op schrift afgelegd. De verklaring luidt, voor zover relevant:

“Er gebeuren rare dingen op de afdeling.

Ongeveer twee maanden geleden stond ik op de gang bij de kleine woonkamer en hoorde ik [verweerster 2] ) tegen [verweerster 1] zeggen; “neem dit ook maar mee”. Ze stonden met grote boodschappentassen in de gang. Ik zag toen ik om het hoekje keek, dat zij allebei een grote zak andijvie in hun tas stopten. De tassen waren al goed vol. Het vreemde was dat zij op dat tijdstip (rond 17 uur) helemaal geen dienst hadden. Hun dienst loopt tot 15.30 uur.

Op een ander moment was ik aan het schoonmaken in de badkamer. Daar vond ik in het kastje, verstopt in een vaas, vaatwastabletten die verpakt waren in pedaalemmerzakjes.

Een paar weken later had ik avonddienst en zag ik rond een uur op 17 in de kast bami in pedaalemmerzakjes liggen. De dozen van de bami lagen in de prullenbak. Dat was in de kleine woonkamer.

Wat opvallend is dat [verweerster 2] na afloop van haar dienst (die loopt tot 1530 uur) vaak op de afdeling blijft hangen tot een uur of 18. Zij blijft dan in de woonkamer op een stoel zitten. Alsof ze zit te wachten. Zij schijnt dit al heel lang te doen. Tegen 18 uur worden de boodschappen uitgeruikd en het eten bereid.

Ik heb de indruk dat [verweerster 2] en [verweerster 1] proberen de diensten te krijgen op [naam afdeling 1] , omdat ze dan werken op de afdeling waar de voorraden liggen.

Ik heb gezien dat [verweerster 2] en [verweerster 1] in de gang spullen van de grote boodschappenkaar afhaalden en in hun tas stopten.

Er worden hele rare dingen besteld, die we normaal niet voor bewoners inkopen. Zoals bijvoorbeeld satésaus. Ik zag satésaus op de bestellijst staan, maar de satésaus was bij het inruimen van de boodschappen voor de bewoners nergens te zien.

[naam 5] ?) maakt opmerkingen zoals “lekker he, dat er geen toezicht is op de afdeling”. Zij heeft tegen een andere collega gezegd dat zij beschermschorten meeneemt en opstuurt naar Suriname.

Sinds Corona is uitgebroken koken wij niet meer op de afdeling. Het eten wordt bereid in de instellingskeuken. Het is daarom vreemd dat er wel boodschappen worden besteld.

Een collega heeft gezien dat [verweerster 2] een bak eten dat over was uit de keuken heeft meegenomen.

Er gaan meerdere verhalen de ronde over dergelijke zaken, maar niemand durft er iets van te zeggen.

Ik heb deze zaken op 28 april besproken met de coördinerend verpleegkundige, [naam verpleegkundige] .

Sinds vorige week zijn de voorraadkosten op de afdeling gesloten. Er wordt op de afdeling veel over gesproken en mijn naam wordt blijkbaar genoemd als degene die het aangekaart heeft.

Toen ik na het weekend weer kwam werken, lag er in mijn postvak een briefje met de tekst; Verrader Klikspaan. Ik voel me hier erg ellendig en bang over.”

1.6.

Evean heeft bestellijsten overgelegd die de bestelde boodschappen in de periode van oktober 2019 tot en met mei 2020 tonen. Volgens Evean volgt hieruit dat er hoeveelheden levensmiddelen zijn besteld die niet in verhouding staan tot het aantal bewoners op de afdeling en dat er daarnaast producten zijn besteld die de bewoners niet (mogen) eten.

1.7.

Het boodschappenbudget van de afdeling [naam afdeling 1] / [naam afdeling 2] is vanaf het najaar 2019 over een periode van 43 weken met ruim € 8.000,00 overschreden.

1.8.

Op 19 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden met [verweerster 1] en [verweerster 2] , waar zij geconfronteerd zijn met de verdenking van Evean van diefstal, dan wel verduistering, dan wel het onrechtmatig toe-eigenen van goederen van Evean. [verweerster 1] en [verweerster 2] hebben de beschuldigingen ontkend. Evean heeft [verweerster 1] en [verweerster 2] na afloop van het gesprek geschorst.

1.9.

Op 29 juni 2020 is een tweede verklaring door Evean opgesteld, die is afgelegd door een medewerkster die anoniem wil blijven. Deze verklaring luidt, voor zover relevant:

“ [verweerster 2] neemt grote tassen mee naar haar werk. Van die Bigshoppers, van de AH enzo. Als ze komt zijn de klein, als ze na de dienst weggaat, zijn ze groot en gevuld. Ik heb haar boodschappen in de tas zien doen. Ze zei een keer; “het is vervallen, hoor!”.

Ik heb ergens in de Corona tijd een filmpje opgenomen op mijn telefoon. Hierop was te zien dat [verweerster 2] buiten liep. Het regende en zij had een witte paraplu. Ze liep achter het [locatie] langs, het was rond 18.30 uur. Ze had een grote, gevulde tas bij zich. Ik heb het filmpje gewist omdat ik bang was.

[verweerster 2] neemt de boodschappen mee samen met [verweerster 1] en [naam 6] . Ik heb [verweerster 1] ook met grote gevulde tassen van de afdeling zien gaan de lift in. Dat heb ik meermalen gezien, maar ik weet niet meer precies wanneer.

Ik werk sinds [geanonimiseerd] op deze afdeling, en sindsdien gebeuren deze dingen al. Ze halen de boodschappen van de kar, pakken alles uit, nemen het mee naar afdeling [naam afdeling 2] . Ze verstoppen dingen in de kast of de koelkast. Zo vond ik vaatwastabletten in de waskamer, naast de medicijnkar.

[verweerster 2] blijft na de dienst die loopt tot 1530 uur vaak op de afdeling en gaat pas na 18/1830 naar huis, dan wordt er gekookt en zijn de boodschappen uitgepakt.

[verweerster 2] stuurt je dan weg met een klusje op de afdeling, dan kom ik terug en zie ik haar met grote tassen buiten lopen.

Ik heb haar bijna dagelijks met grote tassen buiten zien lopen.

Op een gegeven moment was de koelkast gevuld met wel 30 of 50 pakjes boter. Daarna was al deze boter verdwenen.

Het is vreemd dat er op de afdeling vlees en groenten werden besteld in de periode dat er wegens Corona geen maaltijden meer op de afdeling werden bereid, maar in de instellingskeuken.

Ik heb [verweerster 2] tegen [verweerster 1] en een andere keer tegen [naam 5] horen zeggen; neem dit ook maar mee. Ze waren toen in de “teamwoonkamer”.

Ik heb gezien dat [verweerster 1] een wit uniform heeft meegenomen. Wij droegen dat in Corona tijd. Zo’n uniform met een blauw randje. Ze heeft zich omgekleed en deed het uniform in haar tas. Dit terwijl de uniformen nooit mee naar huis genomen mogen worden. Dat was na een dagdienst in de kleedruimte op afdeling [naam afdeling 2] .”

De verzoeken

2. Evean verzoekt de arbeidsovereenkomsten met [verweerster 1] (in de zaak 8638757 EA VERZ 20-498) en [verweerster 2] (in de zaak 8638868 EA VERZ 20-499) te ontbinden op de kortst mogelijke termijn op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a jo. 7:669 lid 3, onderdeel e, g, h of i van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3. Aan haar verzoeken legt Evean ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerster 1] en [verweerster 2] , een verstoorde arbeidsverhouding, andere omstandigheden die zodanig zijn dat van Evean redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomsten te laten voortduren, dan wel een combinatie van voorgaande gronden.

4. Ter onderbouwing daarvan heeft Evean het volgende naar voren gebracht. Op de afdeling [naam afdeling 1] / [naam afdeling 2] zijn op grote schaal boodschappen op kosten van Evean besteld, die niet voor de bewoners van de afdeling zijn gebruikt, maar in privé door werknemers. Ten aanzien van [verweerster 1] en [verweerster 2] bestaat er hard bewijs dat zij hier aan mee deden. Evean verwijst naar de getuigenverklaringen van [naam 4] en de anonieme getuige (zie onder 1.5 en 1.9). Dit gedrag kwalificeert Evean als (ernstig) verwijtbaar en dit dient tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomsten te leiden. Daarnaast is door dit gedrag de arbeidsverhouding onherstelbaar verstoord. Voortzetting van de dienstverbanden behoort volgens Evean niet langer tot de mogelijkheden.

Verweren

5. [verweerster 1] en [verweerster 2] verweren zich tegen de verzoeken. Zij voeren daartoe – samengevat – het volgende aan. [verweerster 1] en [verweerster 2] betwisten dat zij boodschappen hebben weggenomen voor privégebruik. De door Evean overgelegde getuigenverklaringen kunnen de door Evean getrokken conclusies niet rechtvaardigen. De getuigenverklaringen zijn onvolledig, ongespecificeerd en pas vele weken ná de eerste melding opgesteld.

6. Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster 2] om toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671 b lid 9 BW, een transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW en – voor zover wordt ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub i – een cumulatievergoeding.

7. Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster 1] haar schadeloos te stellen c.q. een billijke vergoeding toe te kennen.

Voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster 2]

8. Voor zover het verzoek van Evean wordt afgewezen of voor zover Evean haar verzoek intrekt, verzoekt [verweerster 2] de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW onder toekenning van een billijke vergoeding en een transitievergoeding, nu er volgens [verweerster 2] sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve binnen korte tijd dient te eindigen.

9. Evean voert verweer tegen het tegenverzoek, hetgeen hieronder voor zover relevant aan de orde zal komen.

Beoordeling in beide zaken

10. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomsten moeten worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld per welke datum er een einde komt aan de arbeidsovereenkomst. Daarnaast moet worden beoordeeld of [verweerster 1] en [verweerster 2] aanspraak kunnen maken op een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding.

10. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomsten alleen kunnen worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerster 1] en [verweerster 2] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

10. Evean stelt dat de redelijke grond voor ontbinding met name is gelegen in (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerster 1] en [verweerster 2] .

10. Ter toelichting heeft zij, kort samengevat, gesteld dat [verweerster 1] en [verweerster 2] boodschappen voor privé gebruik hebben gestolen, althans verduisterd, althans zich onrechtmatig hebben toegeëigend.

10. Evean ondersteunt haar standpunt met de getuigenverklaringen van [naam 4] en de anonieme getuige (zie onder 1.5. en 1.9.). [verweerster 1] en [verweerster 2] hebben de juistheid van deze getuigenverklaringen uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. Zij wijzen erop dat de verklaring van [naam 4] ruim 1,5 maand na haar melding is opgesteld en de verklaring van de anonieme getuige zelfs pas ná de schorsing van [verweerster 1] en [verweerster 2] en nadat aan alle collega’s was gecommuniceerd dat zij schuldig waren. De getuigen specificeren niet wat zij precies hebben gezien en wanneer, en daarnaast kan volgens [verweerster 1] en [verweerster 2] ook uit deze getuigenverklaringen niet worden afgeleid dat zij daadwerkelijk boodschappen buiten het [locatie] zouden hebben gebracht. [verweerster 1] en [verweerster 2] hebben daarnaast ook bezwaren geuit tegen het anoniem blijven van een van de getuigen.

15. Teneinde de gegrondheid van de meest verstrekkende opzeggingsgrond (de e-grond) te kunnen beoordelen, wordt nadere bewijsvoering noodzakelijk geacht. De tot op heden overgelegde stukken geven, mede in het licht van het gemotiveerde verweer, onvoldoende uitsluitsel om tot vaststelling van de (verweten) gedragingen van [verweerster 1] en [verweerster 2] te komen.

16. Nu Evean zich op voornoemde opzeggingsgrond beroept, rust op haar de bewijslast. De betreffende bewijsvoering is voorts van belang in het kader van de vraag naar de eventuele transitievergoeding en billijke vergoeding, nu Evean zich erop beroept dat voor toekenning daarvan geen plaats is omdat sprake zou zijn van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster 1] en [verweerster 2] .

17. Aan de beoordeling van de overige door Evean aangevoerde opzeggingsgronden en het voorwaardelijk tegenverzoek wordt vooralsnog niet toegekomen, nu ook daarvoor nodig is dat vast komt te staan of [verweerster 1] en [verweerster 2] hebben gehandeld op de wijze die Evean hen verwijt. Daarom worden alle verdere beslissingen aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

zowel in de zaak 8638757 EA VERZ 20-498 als in de zaak 8638868 EA VERZ 20-49 9:

laat Evean toe bewijs te leveren van haar stelling dat [verweerster 1] en/of [verweerster 2] boodschappen die aan Evean toebehoren hebben weggenomen;

bepaalt dat aan Evean de gelegenheid wordt geboden om uiterlijk op

19 november 2020 bij akte te kennen te geven of, en zo ja, op welke wijze van die bewijsopdracht gebruik zal worden gemaakt;

bepaalt dat als Evean bewijs wil leveren door schriftelijke bewijsstukken, zij deze bewijsstukken dadelijk bij die akte in het geding moet brengen;

bepaalt dat als Evean bewijs wil leveren door het horen van getuigen, zij in die akte opgave moet doen van naam en woonplaats van de te horen getuigen en van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de komende vier maanden, waarbij wordt opgemerkt dat Evean te zijner tijd zelf moet zorgen voor behoorlijke oproeping van de getuigen;

bepaalt dat als Evean bewijs wil leveren door het horen van getuigen, daarvoor dag en uur zullen worden bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. M.W. van der Veen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.